Interview met Co Westerik

Man scheert zich

Geen Nederlandse kunstenaar heeft zo veel erkenning én staat zo op zichzelf als Co Westerik. Zijn kunst ontspringt bij de vijfhonderd jaar oude Vlaamse primitieven. Over schilderen, tekenen en dochter Christine.

Co Westerik woont bijna vier decennia in het hart van Rotterdam. Toen de stad vijf jaar geleden met Pim Fortuyn de politieke draaischijf van Nederland was, volgde de kunstschilder het schouwspel via de afstand van de televisie. Verbaasd, meer niet. Op straat is hem in die tijd niets opgevallen. Zijn blik richt zich op ander terrein dat de werkelijkheid toebehoort: huid, lucht. En dan nog met mate. Afzondering is existentieel. Waarom hij dan toch in een stad woont. ‘Al mijn thematieken komen uit die wereld: jezelf snijden, onder een auto geraken, een vliegtuigongeluk. Ik ben niet de man die als een priester in een kleine cel zit. Ik moet het wel hebben van die buitenwereld, maar ik limiteer het, zoveel mogelijk. De helft van het jaar ben ik in Frankrijk, waar ik helemaal doodstil zit, tot het surreële toe. Wonderbaarlijk. Daar en hier, het is een mooie mix’, zegt de 82-jarige.

Beneden achter de voordeur van zijn statige huis leidt de gang naar een landelijk ingerichte keuken aan de achterzijde. Daar bevindt zich in een hoek een metalen dubbelzijdige deur. Een kleine kantoorlift brengt je in minder dan een halve minuut naar de zolderverdieping op de vierde etage: zijn atelier. Wie Westerik wil begrijpen, kan hier niet omheen. Zelden heeft iemand er toegang. Bezoekers worden beneden ontvangen. Soms blijft Westerik boven doorwerken, terwijl Fenna de Vries, zijn vrouw en galeriehouder, de zaken afhandelt. Het atelier is een lange, witte ruimte. Ramen tussen de dakspanten. Op de grond een deken voor Pierre, de Bordeaux-dog. Op de ladekast een professionele camera, waarmee hij gras en aarde filmt. Ter inspiratie. Alles hier is schoon, tot in detail geordend. Alsof het toeval exclusief moet blijven voor de gebeurtenis op het linnen, het papier. Over het tl-licht zegt hij: ‘Ik doe heel erg mijn best om de lampen te kiezen die zoveel mogelijk het daglicht benaderen. In een menging met het licht vanuit de ramen in het dak.’ Het atelier, zegt Westerik, is vertrek-klaar gemaakt. Binnen enkele dagen reist hij met zijn vrouw naar het tweede huis in Frankrijk, te midden van de verlatenheid van natuur. Vertrek-klaar betekent dat er op de ezel geen schilderij-in-wording staat, met daaromheen attributen zoals verf en penselen; een ander verschil is er niet.

Een schildersessie van Westerik neemt maanden in beslag, met als pauze het andere werk: ‘Een schilderij vraagt geweldige aandacht van me. Maar je komt op een punt dat zo’n ding moet drogen. Kan ik naar een tweede schilderij gaan, op een andere ezel, maar ik kan ook zeggen: litho! I love it. Met een kei, grote schort voor, vuile vieze rotzooi, en zwaar tillen. Heerlijk, een andere habitus. En dat aquarelleren ook, zo plassend emmers water over je werk heen flikkeren. En dan niet weg föhnen als het verkeerd gaat, hop weg en opnieuw beginnen.’ Hij wijst naar de andere zijde van het atelier waar twee nieuwe schilderijen staan: ‘Maar daar staat het hele serieuze gesodemieter. Dat zijn voor mij de werkstukken. Schilderen is veel dwingender, alles wat daar misgaat geeft consequenties, jongen. Zoals je er mee bezig bent: dit stuk moet ik nog verhevigen, o nee nu ben ik te ver gegaan. Spannend als de hel! Ik wil het in de buurt krijgen van wat ik in mijn hoofd heb. Dat is een reuzenklus. En soms gebeurt er iets op het doek, dan gaan de engelen zingen.’

De toon van spreken, met uitroeptekens, suggereert dat hij gisteren alles heeft ontdekt. Er is geen kunstenaar in Nederland die zo op zichzelf staat en tegelijk zoveel succes en erkenning heeft. De overzichtstentoonstelling eind vorig jaar in zijn geboorteplaats Den Haag, in het Gemeentemuseum, is drukbezocht. Maar wat is het, zijn werk? Kees Fens schrijft in de catalogus bij de tentoonstelling: ‘Hoe men aan de term “realisme” is gekomen, begrijp ik niet. “Magisch realisme” lijkt mij ook onjuist (…). Ik vind de wijze van afbeelden en de geest die de schilderijen bezitten, het land waaruit ze komen, Westeriks werk tot een geheel uniek genre maken.’

Als u terugkijkt naar het allereerste begin in de jaren veertig; het was een periode vol ontwikkelingen in de kunstwereld. En u stond daar ook ergens.

Co Westerik: ‘Tijdens mijn academietijd, eind jaren veertig, ontdekte ik de Vlaamse primitieven, die gingen mij godvergeten helemaal tegen de strot aan. Het zag er zo hélder uit. Je kon in die tijd met olieverf schilderen wat je wilde, maar nooit had je die klaarheid van die gasten van vijfhonderd jaar geleden. Ik was helemaal gek van zo’n vleespartij. Het zat zo strak maar ook zo gevoerd en zacht in mekaar. Het was eigenlijk surrealistisch; het perspectief waar niet aan werd gehoorzaamd, de heel rare vlakverdelingen in de ruimte en dan die helderheid. Ik ben erover gaan lezen, maar daar kwam je niet ver mee, want die jongens hadden nooit wat opgeschreven. Hoe dan? Zelf proberen. Met ei, mengen met olie, emulsieverven maken; helemaal geobsedeerd, witte jas aan, potverdorie. En dan praten met restauratoren die de kans hadden om binnen in de schilderijen te kijken. En zelf kijken met die grote loepen. Wat ik eraan overhield is een werkwijze die ik mijn hele leven heb doorgezet. Het kwam hierop neer: ze gebruikten aan de onderkant tempera, die oliearm was, en daar overheen werd heel dun olieverf aangebracht; men wist verrotte goed dat die olie bruinde als een gek. Als ik dan nu mijn schilderijen zie hangen in Den Haag, dan hebben ze een verrukkelijke helderheid. Zeg dat het waar is!’

Uit uw werk spreekt een werkelijkheidsbesef, maar dan het grote werkelijkheidsbesef. Die intensiteit…

‘Daar ben ik heel blij mee; ik bedoel, ik voel dit als een compliment.’

Vlees wordt in kunst en literatuur vaak met sterfelijkheid verbonden, maar bij u lijkt het te maken te hebben met verwondering.

‘Ik verwonder me over al die dingen ja. Hoe meer ik mij verwonder, in een stukkie van de wereld, hoe meer het een schilderij zou kunnen zijn, een kleine verwondering, een tekening. Je kijkt, en ineens: Jezus. Ik verwonder me, verdomd. Maar wel binnen de beperktheid van de eenvoudige dingen, als brood, mekaar liefhebben of mekaar kapot willen maken. Dat vind ik ook essentieel bij de mens. We moeten het trouwens niet overdrijven, de mens, de mens; het gaat om de verrassende dingen die ik naast mijn handen zie. Het gebeurt heel dicht bij me. Daar kan opeens een schilderij of een tekening uitkomen. Zo loopt dat. Ik ben wel bezig met wat in de wereld gebeurt, de kranten, de televisie, het bloed en de ellende. Maar dan vind ik het bloed van Snijden aan gras veel boeiender. En vooral zoals ik probeer te laten zien wat er nog meer gebeurt, bijna fotografisch, en dat versterken. Dat is mijn leven. Ik heb nu een nieuw idee, een man die zich scheert. Hij houdt zijn huid vast, maar die handen en die huid, stel ik me voor: bijna vreselijk – gewoon een man die zich scheert.’ Op gehaaste fluistertoon: ‘Bijna vreselijk, dat is het, dat is het, dat is die werkelijkheid van jou. Ja. Dat mag niemand zien, dat moet je bedekken, dat zou mooi zijn! Als je dat kan maken, godverju.’

Wanneer heeft u dit idee gekregen?

‘Gisteren. Het zijn ideeschetsen, daar heb ik blaadjes vol van.’

Hij neemt een boekje van de tafel en laat het tekeningetje zien. Enkele lijntjes laten in essentie alles zien wat Westerik heet. De hand graaft zich in de huid op het voorhoofd om alles daar beneden strak te trekken voor het scheermes. Met vertedering in zijn stem zegt de maker: ‘Kan toch mooi worden? Als je denkt dat het een mooie huid heeft, met het kleine raffinement van zo’n mannenhuid. En dan die klauw die er eigenlijk zo op ligt, en een stukje haar.’ Hij legt het boekje weg, resoluut.

Is er dan onrust?

‘Een soort gloed, een rare branderigheid. Van: raak. Meestal is het niet raak. Dan veeg ik lijntjes uit en hou ik restanten van lijntjes over, die plotseling weer inspiratie geven voor een beeld. Ik ben niet op zoek naar een man die zich scheert, dat doet zich gewoon voor. Uit tientallen verschrijvingen met een gummetje doet zich een beeld voor. En dan heb ik het alleen te vervolmaken.’

U lijkt niet onder dat werkelijkheidsbesef te lijden, terwijl het velen aan de rand van de waanzin brengt. Het gewone dat op je afkomt. U bent zo opgewekt, altijd.

‘Het heeft wel vat op me. Wat me overkomen is… ik had een dochter waarvan ik heel veel hield, mijn eerste kind, Christine. Zie bijvoorbeeld Meisje tussen twee zwarte vlekken, dat tekeningetje. Dat is van een geweldige tederheid, onvoorstelbaar teder, je voelt het vlees onder het jurkie. Als ik het terugzie, denk ik: dat is niet gering, dit heb ik gemaakt. Niet te geloven. Door deze situatie die zo’n betrekking heeft op… en dan de dood die daar achter volgt. Mijn vingerwijzing daar in die tekening is een soort waarschuwing. Toen was er nog niks met het kind aan de hand, maar later ging het helemaal mis met haar, drugs and the whole damn thing, enfin. Enne… ik kan dat niet zo op tafel gooien, dat wil ik best, maar het is zo godvergeten veel, dan moet ik het met bakken neer gaan storten. Het is een rode draad die door alles heen loopt. Zoals Moederlijke ontferming in landschap, de vrouw als een soort fantoom met dat kindje, wat ik dan anders behandel met de verf waardoor het deels realiteit wordt – ik zit te geilen op mijn eigen werk, hoor je dat – maar ik bedoel, steeds weer die dingen. Als je zegt, je bent zo opgewekt, dan zeg ik: haar dood heeft me wel verdomd hard geraakt. Dat laat ik ook wel zien. Maar misschien op deze manier: It happens. Dat daardoor… . ik niet overkom als pessimistisch, depressief.’

Wat is dat gevoel?

‘Dat is moeilijk hoor, dat is moeilijk hoor… nou, daar kan ik iets over vertellen. Ik word ’s morgens opgebeld en ik hoor een mannenstem die vraagt: bent u meneer Westerik. Ik zeg: ja. Hij zegt: dan meld ik u even dat hedenochtend uw dochter is overleden. Ze woonde in Den Bosch. Ik ben er naartoe gegaan. Ze had een maagperforatie gekregen. Als je dan niet direct bij een arts bent, ben je naar de klote. Ik zag haar liggen en was helemaal van de kaart. Ik zei nog tegen haar: doe niet zo gek, stel je niet aan. Ik gaf haar een tik. Flauw natuurlijk, maar dat is mijn manier van reageren waarschijnlijk. Ik ging terug naar mijn huis, hier in Rotterdam met al die gevoelens in mijn donder. En ik kom in mijn atelier en daar staat een schilderij op de ezel en ik loop er naartoe en ga gewoon verder. Op het moment dat ik me dat realiseerde, vond ik mezelf een reuze klootzak. Potverdomme dit gebeurt, en alsof ik gewoon (hij fluit) – nou dat fluiten zal ik niet gedaan hebben, maar wel met die noodzakelijkheid van: daar op het schilderij moet ik nog even een stuk aanzetten, aan dat ding.’

Op een snerpende fluistertoon: ‘Vond ik zo beladen! Maar ik denk dat het goed is. In je beeldend werk kun je tegen deze vernietigende gevoelens ingaan. Ik heb wel op dat schilderij, ergens in een blaadje – het was die ongestelde vrouw, lente bij boom – die datum gezet. Dat het me op die dag gebeurde. Ik vond dat heel gek, gewoon doorgaan. Zo werk je aan dat spul, het is ademen. We moeten toch tot resultaat komen.’

Op een bepaalde manier bent u ongrijpbaar. Niemand van de mensen met wie we gesproken hebben, heeft indertijd een verandering bij u opgemerkt.

Co Westerik: ‘Gek, heel vreemd.’

Maar het is wel zo, haar dood is bepalend geweest?

‘Jahhe. En het hele voorspel ook, ze was er al heel slecht aan toe. Zelfs in the very beginning want toen ik haar als meisje tekende met die zwarte vlekken, was dat een bedreiging als het ware. Maar ook in Geen bloed op borstjes zijn toch al de thematieken aanwezig: God geve dat het jou niet gebeuren zal, dat jou geen leed zal overkomen. Soms moet ik wel lachen om al dat geouwehoer van mij, maar toch is het ongeveer zo.’

Het laatste schilderij staat nog op de ezel. Het 169ste dat hij de afgelopen zestig jaar heeft geschilderd. Het is klaar, naam op het doek: Christine.