Man van de daad met sterrenstatus

Niall Fergusons biografie van Henry Kissinger, Amerika’s meest gelauwerde en meest gehate diplomaat, is origineel, maar niet erg overtuigend.

Eerder dit jaar bungelde een paar handboeien voor de ogen van Henry Kissinger, terwijl boven zijn hoofd een banier werd uitgerold met de mededeling ‘HENRY KISSINGER WAR CRIMINAL’. Plaats van handeling was de Amerikaanse Senaat, waar Kissinger een van zijn rituele adviezen voor een Senaatscommissie kwam afgeven. Handboeien en banier waren naar binnen gesmokkeld door activisten op de publieke tribune. Nadat dit ‘low life scum’ (aldus commissievoorzitter John McCain) was verwijderd, kon Kissinger zich opmaken voor een lange reeks loftuitingen en kreeg hij een staande ovatie voor zijn ‘vele bijdragen aan vrede en veiligheid’.

Het voorval illustreerde de schizofrene houding in de Amerikaanse samenleving tegenover de cruciale figuur in de buitenlandse politiek van de VS van 1969 tot 1977. Henry Kissinger wordt door vriend en vijand vereenzelvigd met het Amerikaanse beleid in die periode. En omdat de Verenigde Staten diep verdeeld blijven over de betekenis en erfenis van die tijd – de Vietnamoorlog, toenadering tot de Sovjet-Unie en China, samenwerking met nare regimes als Argentinië en Zuid-Afrika – blijft Henry Kissinger bijna een halve eeuw na zijn aantreden nog een controversiële figuur. Er bestaat zelfs een ware ‘Haat Henry-industrie’, schreef de veelgelezen columnist William Safire eens.

Medium wl007887

Sinds een jaar of vijftien is er ook een heuse beweging die Kissinger voor een internationaal tribunaal wil zien. De aanklacht zou geen klein bier zijn: oorlogsmisdaden en medeplichtigheid aan genocide in Cambodja plus samenzwering om dat te verhullen; medeplichtigheid aan massamoorden in Timor en Bangladesh; medewerking aan moord, ontvoering en marteling in Chili, Cyprus en Argentinië. En eigenlijk zou hij ook nog moeten boeten voor zijn aandeel in de uitholling van de overheidsintegriteit onder Richard Nixon. Bewonderaars zien Kissinger als een patriottische ziener: een van de grootste architecten van de huidige wereldorde en de Amerikaanse overwinning in de Koude Oorlog.

Alleen tegen deze achtergrond valt een nieuwe, duizenden pagina’s dikke biografie in twee delen over Kissinger te begrijpen: de reden waarom die geschreven is, de keuzes en accenten van de biograaf, de publieke reacties erop. De biografie komt van Niall Ferguson, een Schotse historicus aan Harvard die vlot lezende geschiedenisboeken schrijft voor een groot publiek. Daarnaast is Ferguson, die getrouwd is met Ayaan Hirsi Ali, een soort beroepsconservatief. Met groot genoegen provoceert hij het progressieve kamp in columns, discussiepanels of tv-shows. Hij is onbeschaamd nostalgisch naar het koloniale tijdperk en wil dat de VS en Groot-Brittannië – desnoods met vrienden – krachtiger optreden in de wereld.

Niet zo vreemd dat Kissinger juist aan Ferguson vroeg zijn biografie te schrijven. Kissinger heeft een notoir groot maar kwetsbaar ego. Dat verhoudt zich slecht tot het feit dat de stapel boeken die hem fel aanvallen zo groot is dat die alleen door pianoverhuizers veilig kan worden getild. Om zijn plaats in de geschiedenis te verdedigen schreef Kissinger zelf ook een boekenplank vol, waaronder memoires van vierduizend pagina’s. Een jubelende biografie die niet door Kissinger zelf geschreven is, was er echter niet. Een heel goede biografie was er wel. In 1992 schreef journalist Walter Isaacson, later hoofdredacteur van Time, een prachtig, breed en genuanceerd portret van Kissinger, dat een prima balans vindt tussen gefundeerde kritiek, karakteranalyse en respect. Kissinger was echter diep gekrenkt en probeerde Isaacson regelmatig over te halen zijn meningen aan te passen.

Vervolgens ging Kissinger kennelijk op zoek naar meer geschikte biografen – hij polste eerst de Britse historicus Andrew Roberts, en daarna diens geestverwant en vriend Niall Ferguson. Ferguson schreef zoals verwacht kon worden een jubelende biografie, waarna uitgerekend Roberts daar deze maand een jubelende recensie over schreef in The New York Times Book Review. Het één-tweetje tussen Ferguson en Roberts kwam uit en de Times stond voor gek.

Kissinger: De idealist is geheel gewijd aan het doel om aan te tonen dat Kissinger helemaal niet een cynische machiavellist was en geen meedogenloze carrièrejager, maar dat hij juist zeer idealistisch was en op de universiteit zijn oprechte interesses nastreefde. Ferguson stelt onomwonden dat dit impliceert dat Kissinger ook als politicus idealistisch en oprecht was. Het nog te verschijnen deel 2 zal de boom ongetwijfeld verder optuigen.

Ferguson vindt het belangrijk dat iedereen weet dat hij dat uit vrije wil doet. In zijn inleiding citeert hij uit zijn contract met Kissinger om dat te onderstrepen. In The New York Times opende hij een interview ongevraagd met de verzekering dat deze biografie ‘geen officiële hagiografie’ van Kissinger is. Maar het boek leest wel zo, en dat trekt een zware wissel op het leesplezier. Jammer, want het levensverhaal van Kissinger verdient het om verteld te worden. Het begint in het Beierse Fürth tijdens de Weimar-republiek, waar de jonge Henry – destijds nog Heinz – opgroeide tegen de achtergrond van de economische crisis en de machtsovername van de nazi’s. De Kissingers vluchtten naar de VS, waar Henry in dienst ging en als inlichtingenofficier terugkeerde naar het bezette Duitsland. Op een legerbeurs mocht Kissinger na de oorlog naar Harvard, waar hij summa cum laude afstudeerde, promoveerde en docent werd in de jaren vijftig.

Harvard – zeker Kissingers Center for International Affairs – was in die jaren geen slaperige intellectuele uithoek, maar een innig met de regering verstrengelde denktank. Harvard-hoogleraren waren eminente leden van de East Coast power elite, en leverden de best and brightest aan de presidenten Truman, Eisenhower, Kennedy en Johnson. Kissinger genoot intens van dat samenschurken met de machtigen in Washington, en van het informatie-voor-advies-spel in de hoofdstad. Hij verbond zich – niet zo snugger, moet ook Ferguson toegeven – aan de elitaire miljardair Rockefeller. Toen diens verkiezingscampagne doodbloedde liep Kissinger even makkelijk over naar de volkse conservatief Richard Nixon, over wie hij vaak zijn intense afkeer had uitgesproken. Kissinger bracht geheime informatie mee over vredesonderhandelingen in Vietnam, waar hij als adviseur bij betrokken was, en Nixon probeerde die vervolgens te saboteren. Deze en andere voorbeelden van duidelijk onethisch handelen door Kissinger worden door Ferguson met omstandige redeneringen goedgepraat.

Dat is allemaal oude koek: Kissinger heeft het zelf al decennia geleden gedaan. Wat is wel nieuw? Ferguson zelf beweert dat hij ontstellend veel onderzoek heeft gedaan en veel nieuw archiefmateriaal heeft gebruikt. Dat heeft dan bar weinig opgeleverd: er staat niet één opmerkelijk nieuw feit in het hele boek. Wat origineel is aan deze biografie is dat Ferguson probeert uit Kissingers werk als academicus en student een coherente, idealistische visie op wereldpolitiek te smeden. Kissinger leunde daarin onder meer op Kant en Spinoza en nam die visie mee naar Washington. Maar ach, de wereld is hard, en Kissinger moest zich aanpassen aan het cynisme van anderen. Voor wie dat niet uit de duizend pagina’s tekst begreep, heeft Ferguson een pijnlijk simplistische epiloog (genaamd ‘Een Bildungsroman’) waarin hij Kissinger een idealistische ‘anti-Machiavelli’ noemt die helaas, helaas, in Washington ‘moest leren respect te krijgen voor de machtsrealistische visie van Bismarck en De Gaulle’.

Origineel is die insteek wel, overtuigend niet. Het ‘idealisme’ van Kissinger blijkt vooral te bestaan uit vurig anticommunisme en dito liefde voor de vrijheid – niet heel verrassende standpunten in het Amerika van de jaren vijftig. De passages uit Kissingers afstudeerscriptie doen vooral dweperig aan en Ferguson probeert die en andere schrijfsels van Kissinger nog extra op te pompen. Het oogt allemaal erg geforceerd. En bovendien: het zegt natuurlijk allemaal niets. Pol Pot overpeinsde Rousseau in trendy cafés op de rive gauche in Parijs voordat hij een paar miljoen landgenoten over de kling liet jagen.

Omdat dit boek zo duidelijk bedoeld is voor een publiek dat Kissinger al genegen is, zal het waarschijnlijk niemands mening over Amerika’s meest gelauwerde en meest gehate diplomaat veranderen. Datzelfde geldt – de andere kant op – voor een ander boek over Kissinger dat ook net verschenen is: Kissinger’s Shadow: The Long Reach of America’s Most Controversial Statesman. Auteur Greg Grandin is een historicus aan New York University en een veteraan in het progressieve kamp in de VS. Grandins boek is een stuk beklemmender dan dat van Ferguson. Het is net als Fergusons biografie geschreven uit het perspectief van een alwetende verteller, alsof je als lezer via een handicam over Kissingers schouder meekijkt terwijl hij illegale bombardementen op Cambodja plant of met buitenlandse leiders mijmert over mannen van de daad die de wereld krachtig naar hun hand durven zetten.

Wat moeten we met leiders die onethisch hebben gehandeld, maar zich beroepen op een hoger belang?

Ook Kissinger’s Shadow recyclet bekende thema’s en bekende feiten over Kissinger, met als conclusie dat Kissinger een manipulator en opportunist was. Grandin heeft het dan over de Kissinger als minister en nationaal veiligheidsadviseur. Het waren jaren waarin Kissinger als veiligheidsadviseur van Nixon en minister onder Ford grote macht opbouwde in Washington, diplomatie bedreef met Brezjnev en Mao, zich persoonlijk over de Vietnamoorlog ontfermde, de Koude Oorlog in de Derde Wereld ter hand nam, en een sterrenstatus en dito lifestyle opbouwde.

Grandins gepassioneerde boek is prikkelender, overtuigender en valt moeilijker weg te leggen dan dat van Ferguson, maar ook dit is eigenlijk een overbodig werk. Ondanks vele pogingen blijft The Price of Power: Kissinger in the Nixon White House van de legendarische journalist Seymour Hersh uit 1982 het meest beklemmende en meest overtuigende boek uit de anti-Henry-collectie. Net als Fergusons hagiografie heeft Grandins aanval wel een origineel uitgangspunt. Grandin stelt dat Kissinger juist geen ‘machtsrealist’ was in politicologische zin, maar een gelover in de ‘filosofie van de daad’. Grandins Kissinger zag een wereld zonder objectieve waarheden die door superieure, intuïtief handelende mannen naar hun hand werd gezet: mannen voorbij decadente concepten als nationale soevereiniteit of overheidsintegriteit.

Die Kissinger was geen ‘kwade duivel’, maar schiep met zijn optreden wel een ondemocratisch, imperialistisch precedent in de Amerikaanse politiek en baande daarmee de weg voor geheime interventie, clandestiene oorlogvoering en keizerlijk presidentschap. Ook Grandin stelt onomwonden wat dit allemaal impliceert. Reagans steun aan rechtse moordeskaders in El Salvador? Eigenlijk terug te voeren op Kissinger. De invasie van Irak door George W. Bush? Obama’s schimmige drone wars? De schaduw van Kissinger. Dat is natuurlijk niet erg geloofwaardig – alsof de VS vóór Kissinger nooit hun macht misbruikten in de ‘bananenrepublieken’ van Midden-Amerika, Hawaï of Cuba; alsof buitenlandse inmenging een laat-twintigste-eeuwse uitvinding was van H. Kissinger.

Onbedoeld roept de schromelijke overdrijving van Kissingers belang – zowel door Grandin als door Ferguson – juist de vraag op of de impact van Kissinger op de wereld en de VS eigenlijk niet veel kleiner was dan zijn voor- en tegenstanders onderling hebben afgesproken. En als dat zo is, waarom is die overdrijving er dan? Het antwoord moet liggen in het nog altijd open liggende gevecht in de VS over de recente geschiedenis, en daarmee in feite over de vraag wat voor land de VS eigenlijk zijn – een culture war met Kissinger als totempaal.

Het is teleurstellend dat dit debat steeds in cirkels ronddraait. Want Kissingers carrière roept belangrijke vragen op. Wat moeten we aan met politici wier handelen we mogelijk kunnen verklaren of rechtvaardigen in hun tijd, maar die we met de wetenschap van nu moeten veroordelen? Wat moeten we met leiders die soms aantoonbaar onethisch of illegaal hebben gehandeld, maar zich beroepen op een hoger belang? Is het relevant als er vanitas en grootheidswaan in het spel was? Hoe weeg je de tol van buitenlands beleid af? En belangrijk voor het heden: mag een politicus buiten de democratie en zelfs buiten het recht treden – en hoe ver dan – in tijden van oorlog?

Op deze vragen geven beide boeken over Kissinger geen antwoord; alsof we het antwoord op de grotere vragen weten als we weten of Kissinger fout was of niet. Er zal een deel 2 komen van Fergusons biografie, er zullen nieuwe kritische boeken komen, Kissinger zal doodgaan. En dan zullen we het nog steeds niet weten.

Niall Ferguson

Kissinger: De idealist

Vertaald door Het Vertaalcollectief. Hollands Diep, 1152 blz., € 59,99

Greg Grandin

Kissinger’s Shadow: The Long Reach of America’s Most Controversial Statesman

McKinsey Company, 288 blz., € 24,99


Foto: Washington, oktober 1969. Henry Kissinger als veiligheidsadviseur onder president Nixon (Wally McNamee / CORBIS)