Man van de eeuw

Ruim zestig jaar geleden riep Time Magazine Adolf Hitler uit tot ‘man van het jaar’. Met Hitler als ‘man van de twintigste eeuw’ op de cover heeft de redactie moeite. Toch heeft, helaas, niemand het aanzien van deze eeuw zo bepaald als hij.

HET WAS, MEER dan zestig jaar geleden, een terechte keuze van Time Magazine om Adolf Hitler tot ‘man van het jaar’ uit te roepen. De Führer was in 1938 niet alleen in Duitsland onbetwist de baas, hij leek de baas in heel Europa. Hij wist zonder slag of stoot meer dan tien miljoen Oostenrijkers en Sudeten-Duitsers heim ins Reich te brengen. Hij had de Britse en de Franse premier hun plaats gewezen - Daladier was in München zo onder de indruk geraakt dat hij in het Franse parlement even hard begon te schreeuwen als Hitler - en Tsjechoslowakije tot vazalstaat gedegradeerd. 'Adolf Hitler liep een kruiperig Europa onder de voet’, aldus Time.
Al even pertinent was de reden waarom andere kandidaten - onder wie Orson Welles en Paus Pius(XI - door de redactie werden afgewezen: 'Opmerkelijk is dat weinige van deze mannen in nazi-Duitsland de vrijheid zouden hebben gehad om tot hun prestaties te komen’, schreef Time: 'Adolf Hitler ontpopte zich als de grootste bedreiging waarvoor de democratische, vrijheidslievende wereld zich tegenwoordig gesteld ziet.’ Haast terloops stelde het artikel vast dat hij aanstuurde op oorlog: 'Weinigen die het fascisme en zijn leiders hebben bestudeerd kunnen zich voorstellen dat de seksloze, rusteloze, instinctieve Adolf Hitler zijn pensioen zal afwachten in zijn chalet te Berchtesgaden, terwijl het Duitse volk genoeglijk bier drinkt en volksliederen zingt.’
Het is er inderdaad niet van gekomen. Nu Time zich heeft voorgenomen begin januari 2000 de 'man van de twintigste eeuw’ op het omslag te zetten, is er des te meer reden om voor dezelfde man te kiezen, ook al heeft de Time-redactie er ditmaal, vreemd genoeg, grote moeite mee. Natuurlijk zijn er ook nu legio andere, duizendmaal prettiger ogende kandidaten dan Adolf Hitler, zoon van een douane-ambtenaar uit Braunau. Maar indachtig het Time-criterium moet de vraag luiden of ze invloedrijker zijn geweest dan hij, for better or for worse. Helaas heeft niemand het aanzien van deze eeuw zozeer bepaald als Hitler. Zijn enige serieuze rivaal is Lenin - althans gemeten naar de staatkundige ontwikkelingen die hij in gang heeft gezet, niet naar hetgeen hij bij leven en welzijn heeft gepresteerd. Wat dat betreft spant Hitler de kroon. 'Niemand heeft zoveel toejuichingen, hysterie en heilsverwachting opgewekt als hij; niemand zoveel haat. Niemand anders heeft, in een Alleingang van luttele jaren, zozeer ontwikkelingen bespoedigd en de toestand in de wereld veranderd als hij; geen ander heeft zo'n spoor van verwoestingen nagelaten’, schrijft zijn biograaf Joachim Fest (Hitler: Eine Biographie, 1973). De wezenlijke vraag, aldus Abel Herzberg na zijn terugkeer uit Bergen-Belsen, is deze: 'Hoe kunnen wij dit volslagen liederlijke bankroet der mensheid dat wij hebben meegemaakt, verantwoorden? Hoe kunnen wij, en hoe kunnen de geslachten die na ons komen, verder denken, voelen, liefhebben, werken, kortom leven, nu de beschaving gebleken is te kunnen vergaan en de mensen hebben getoond tot een horde teugelloze roofdieren te kunnen wor den? Is dit hun aard?’ Die vraag begeleidt, met speciale dank aan Adolf Hitler uit Braunau, de mensheid naar het volgende millennium.
IN DE JAREN negentig zijn meer boeken over Hitler en het Derde Rijk verschenen dan in de voorafgaande 57 jaar. Opmerke lijk is de groei van het aantal monografieën over steden en dorpen, families, lokale gemeenschappen van joden, zigeuners en andere minderheden, politiek vervolgden, homoseksuelen en geesteszieken, maar ook beulen, ambtenaren en doorsnee-burgers onder het Derde Rijk. De behoefte om te begrijpen wat er is gebeurd door de gangen en ervaringen van individuen na te gaan, is enerzijds typisch postmodernistisch, anderzijds een voortzetting van de naoorlogse getuigenisliteratuur: nu de getuigen uitsterven, nemen hun nazaten de pen ter hand. De optiek van de 'kleine’ verhalen is minstens zo leerzaam als die van de 'grote’ geschiedenis. In 1983 veroorzaakte de scholiere Anna Rosmus uit het Duitse Passau grote ophef door een scriptie te schrijven over haar woonplaats tijdens het Derde Rijk. Het bleek dat de betrokkenheid van talloze 'gewone’ inwoners van Passau bij massamoorden, de mishandeling van krijgsgevangenen, het verraad en de deportatie van joodse families en de sterilisatie van Slavische vrouwen en andere Untermenschen in het plaatselijke ziekenhuis decennialang door iedereen was doodgezwegen. Ook ten aanzien van de figuur Hitler is er sprake van alleen maar toenemende belangstelling.
Overigens was Hitler niet eens de grootste massamoordenaar van de eeuw. Het aantal slachtoffers van het nazi-regime (21 miljoen) wordt overtroffen door dat van het sovjetregime (61 miljoen) en van maoïstisch China (35 miljoen). De genocide op de Europese joden, waarbij tweederde van hen het leven liet, was lang niet de enige van deze eeuw, wél de grootste aller tijden. Die omvang zegt waarschijnlijk evenveel over de steun die Hitler kreeg en over de uiterst moderne middelen die hem ter beschikking stonden als over de bijzondere kwaadaardigheid waarmee hij de jodenvervolging in praktijk bracht. Er is een kwalitatief verschil waardoor Adolf Hitler zijn rivalen Stalin, Pol Pot en Mao overtreft: de holocaust. 'Nooit eerder en nooit nadien heeft een staat besloten en aangekondigd, onder gezag van zijn hoogste leider, dat een bepaalde groep mensen moest worden uitgeroeid, zoveel mogelijk in zijn geheel, oude mensen, vrouwen en zuigelingen inbegrepen, een beslissing die vervolgens door deze staat is uitgevoerd met alle middelen die tot zijn beschikking stonden’, schreef historicus Eberhard Jäckel in 1988.
Nog altijd is het de vraag of Hitler vanaf het begin de uitroeiing van het Europese jodendom voor ogen heeft gehad. Het oudste antwoord is het 'intentionalistische’: Hitler, zijn directe medestanders, zijn massale aanhang of zelfs - zoals Daniel Goldhagen schreef in zijn geruchtmakende boek Hitler’s Willing Executioners (1996) - alle Duitsers hebben deze uitkomst gewild. Veel auteurs signaleren dit voornemen al in een ontwerpbrief die korporaal Hitler schreef in 1919 toen hij 'Vertrauensmann’ in het Duitse leger was. Hij maakte in die tekst een onderscheid tussen gevoelsantisemitisme en verstandsantisemitisme. Het eerste uitte zich in pogroms die 'niets’ opleverden. Het tweede, dat planmatig te werk ging, zou moeten uitmonden in de verwijdering ('Entfernung’) van de joden uit de samenleving.
DE BETEKENIS VAN 'Entfernung’ in Hitlers lexicon bleef echter lange tijd onduidelijk. In Mein Kampf (1925) kondigde hij al zijn staatkundige voornemens aan, maar niet, althans versluierd, die met betrekking tot de joden. Tot ver in de oorlog circuleerden er in de nazi-top plannen voor joodse emigratie, de massale verkoop van joden aan het buitenland of de inrichting van joodse 'reservaten’, waarbij onder meer aan Madagascar en Polen werd gedacht. Na de Reichskristallnacht (1938) wees Hitler de voornaamste verantwoordelijken, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler, in scherpe bewoordingen terecht. Ze hadden zijn 'voorzichtige buitenlandse politiek inzake de joden kapotgemaakt’.
De concurrerende school, die van de 'functionalisten’, ziet in deze ambiguïteit het bewijs dat het besluit geleidelijk tot stand is gekomen of zelfs, denken sommigen, buiten Hitler om. Zij benadrukken Hitlers improvisaties, het eigen initiatief van hoge nazi’s en staatsorganen die weliswaar voortdurend naar de gunst van Hitler dongen, maar soms ook achter zijn rug om werkten, kortom: de autonome radicalisering van het door Hitler geschapen machtssysteem. Het is hun verdienste dat ze de aandacht hebben gevestigd op het aandeel van de 'normale samenleving’ in het moorden, en met name de wetmatigheden van de moderne bureaucratie. Dat doet niets af aan Hitlers persoonlijke verantwoordelijkheid. 'De uitbarsting die hij ontketende verried in welhaast ieder stadium, tot in de ondergangsweken toe, zijn sturende wil’, aldus Fest.
Nog altijd worstelen Hitlers biografen met de vraag naar de unieke inbreng van Adolf Hitler in het drama van de Tweede Wereldoorlog. Er wordt wel eens gezegd dat veel onheil voorkomen had kunnen worden als Hitlers vader Alois in 1876, ver voor de geboorte van zijn zoon Adolf, niet zijn familienaam - Schicklgruber - had laten veranderen in die van zijn adoptievader Hiedler. De leuze 'Heil Schicklgruber’ had het oprukken van het Duitse fascisme danig in de weg gestaan, aldus deze theorie. Er zijn hele studies gewijd aan het vraagstuk wat er met Duitsland was gebeurd als Adolf Hitler in 1907 niet was afgewezen als student van de Kunstacademie. In weerwil van de heersende opinie had Hitler als schilder heel wat in zijn mars (al was hij met zijn voorkeur voor Anton Pieck-achtige landschapjes hopeloos conservatief) en als hij indertijd niet zo hardvochtig was afgewezen, had hij wellicht tot aan zijn dood achter de schildersezel vredig aan de Donau gezeten.
Later in Hitlers levensloop waren er nog wel meer van dat soort cruciale momenten. Wat was er bijvoorbeeld met Duitsland gebeurd als hij, bij een auto-ongeluk in 1930, niet op miraculeuze wijze aan de dood was ontsnapt? In hoeverre was de creatie van nazi-Duitsland niet een persoonlijke creatie van Adolf Hitler, zo vraagt men zich af. Ook Ian Kershaw, de nieuwste Hitler-biograaf (wiens eerste deel van zijn monumentale biografie onlangs verscheen) waagt zich aan dit hete hangijzer. Hij gaat uit van de gedachte dat de inbreng van Hitler veel belangrijker is geweest dan men tot voor kort heeft willen aannemen. Decennia na de Tweede Wereldoorlog placht Hitler vooral te worden beschreven als een dolzinnige marionet van partijen achter de schermen, van de ariosofische occulte denktank Thule bijvoorbeeld, maar ook van het Duits-Amerikaanse industriële complex. Dat hij zelf ook maar iets had bijgedragen aan de demonische schepping van de nazi-staat werd vooral betwijfeld, in tegenstelling tot een Hitler-kenner als Sebastian Haffner, die al in 1938 wees op het belang van de persoonlijke dimensie van Hitler in de wording van het Derde Rijk.
'EEN HONGERLIJDER werd multimiljonair, een eenvoudige spion van de militaire politie werd krijgsheer van het Duitse rijk, de bewoner van een tehuis voor daklozen in Wenen werd despoot over tachtig miljoen mensen, een verachtelijke gedeklasseerde werd het idool van een grote natie’, schreef Haffner in Duitsland 1939: Jekyll & Hyde. 'Het zou niet verbazingwekkend zijn als die carrière voor de man die dit alles bereikte, niet onnoemelijk veel belangrijker was dan de andere, onlosmakelijk met zijn opkomst verbonden gebeurtenissen.’
Kershaw beaamt dit. Volgens hem is er bij Hitler geen verschil tussen privé-leven en openbaar bestaan. Hij was de geschiedenis, hij was er in eigen ogen de belangrijkste schepping van, gedreven door voorzienigheid. Zelfs zijn diepbeminde tweede vaderland Duitsland kwam uiteindelijk op de tweede plaats. Hitler was dan ook de eerste politicus die het exclusief moest hebben van zijn charisma. Hij presenteerde zich als een soort arische Christus, en werd ook zo gezien door zijn devote aanhang. Alle Duitsers werden geacht een persoonlijke band met de Führer te koesteren - zij wa ren als horigen aan zijn bevel ondergeschikt. Dat charisma was zowel de reden van zijn opkomst als van zijn ondergang én dat van zijn rijk.
'Ik volg mijn koers met de vastberadenheid van een slaapwandelaar’, zo sprak Hitler in het begin van zijn bestaan als Führer, en dat was een zin die in 1938 door de Amerikaanse inlichtingendienst OSS - de voorloper van de CIA - ten grondslag lag aan een ingrijpende studie naar de psychische logistiek van de onberekenbare Duitse leider. Hitler benoemde met deze curieuze uitspraak namelijk precies het autistische universum waarin de Führer gevangen zat. Vanaf zijn prille jeugd was Hitler ervan overtuigd een gunsteling van de goden te zijn. Als scholier wist hij zich geroepen tot een hogere taak, die hij aanvankelijk ontwaarde op artistiek terrein. Na zijn afwijzing van de kunstacademie bleef hij zichzelf - in tegenstelling tot zijn autobiografie in Mein Kampf - als de nieuwe Rembrandt zien. Pas gedurende de Eerste Wereldoorlog, die hij als vrijwilliger in het Duitse leger doorbracht in de loopgraven van Vlaanderen, moet Hitler zijn artistieke ambities definitef hebben verruild voor het geloof dat hij voor een nadere taak, nog veel zwaarwichtiger dan de schone kunsten, was geroepen. Wat bleef was zijn grenzeloze, lyrische verafgoding van zichzelf. Er is wel opgemerkt dat Hitler buiten zijn moeder niemand anders heeft liefgehad dan zichzelf. Hij is omschreven als een onverzadigbare 'ego-maniak’, ook wel als 'onpersoon’. In ieder geval hadden de Amerikaanse agenten van de OSS anno 1938 nooit zo'n pregnant geval onder de loep gehad van een man die altijd en overal alleen maar overtuigd was van zijn eigen gelijk, of het nu ging om militaire, economische of artistieke aangelegenheden.
Hitler was een geweldige communicator, maar het was allemaal eenrichtingsverkeer. De wijste adviezen legde hij naast zich neer. Het gaf hem die energie waarmee hij met de verbeelding van het Duitse volk op de loop kon gaan. Maar evengoed was het de reden van zijn ondergang. Een groot militair strateeg kan Hitler onmogelijk worden genoemd. Alleen al het feit dat hij het verslagen Engelse leger in 1940 een vrije aftocht vanaf Duinkerken liet, was militair-strategisch een fout die wees op het zelfverbrandende karakter van Hitlers charismatische leiderschap. Er zouden er nog vele volgen, tot uiteindelijke verbittering van zijn trouwste vazallen in het Duitse leger, van admiraal Canaris tot veldmaarschalk Rommel, wier toenemende onvrede met de grillen van de Führer op 20 juli 1944 uiteindelijk zou leiden tot de - mislukte - bomaanslag van Claus von Stauffenberg, ook weer zo'n miraculeus geval van overleving waarin Hitler zijn visie op zichzelf als uitverkorene verder bevestigd zag en op grond waarvan hij met nieuwe energie verderging op zijn weg naar het einde.
NAARMATE HIJ VERDER in de verdrukking kwam, genoot er bij Hitler slechts één zaak absolute prioriteit: de vernietiging van het jodendom waar ook ter wereld. Waar Hitlers ongekende antisemitisme vandaan kwam, weten zijn biografen nog altijd niet goed te verklaren. In Mein Kampf verzekert hij altijd al antisemiet te zijn geweest, maar tijdgenoten kunnen zich van dergelijke aandriften bij de jonge Hitler meestal niets herinneren. Zijn eerste directe contact met joden moet Hitler als middelbare scholier op de Realschule van Linz hebben gehad, waar zich enkele klassen hoger dan hij de halfjood Ludwig Wittgenstein bevond, die zich in die tijd niet eens bewust was van zijn joodse 'roots’. Hitler lijkt zijn virulente antisemitisme vooral te hebben aangeleerd.
Dat antisemitisme was een van de hoofdbestanddelen van de Dolkstootlegende, waarmee Eerste Wereldoorlog-veteranen als hijzelf het militaire échec van Kaiser Wilhelm(II trachten te verklaren aan de hand van een joods-communistisch complot in de Duitse steden. Eenmaal bekeerd tot de inzichten van de Protocollen van de Wijzen van Zion, dat vervalste document uit tsaristisch Rusland dat een complot van het 'wereld-jodendom’ suggereert, verklaarde Hitler alles aan de hand van dit rabiate schema.
Geheel getrouw zijn ego-mania zou Hitler zich, eenmaal in de positie van Führer, ook afkeren van zijn leraren in het ideologische antisemitisme, zoals Guido von List en Jörg Lanz von Liebenfels, de ijverigste propagandisten van het ariosofische gedachtegoed. Van hen adopteerde hij zijn voorliefde voor het oosterse hakenkruis-symbool en het geloof in de komst van een pan-Germaans rijk, waarin Oostenrijk en Duitsland zouden worden verenigd en waarover de heerserskaste van Arische Übermenschen naar eigen goeddunken zou kunnen heersen. Van Jörg Lanz von Liebenfels nam Hitler de leer van de zogeheten 'theozoölogie’ over, volgens welke niet-Ariërs zoals joden moesten worden gezien als het product van seksueel contact tussen oermensen en beesten. Deze onmensen dienden volgens Lanz te worden uitgeroeid, ten minste gecastreerd, of als 'lastdier’ te worden gebruikt. 'Die sozialistisch-bolschewistische Urmenschenrasse wollen der Klassenkampf, sie sollen den Rassenkampf haben, Rassenkampf von unserer Seite bis aufs Kastrationsmesser’, profeteerde Lanz in zijn blad Ostara. Later zou hij zich erop laten voorstaan dat de jonge Hitler hem in 1909 thuis in Wenen bezocht om enige exemplaren van Ostara aan te schaffen. De latere nazi-leider, in 1932 door Lanz trots 'een leerling’ genoemd, was toen nog zo berooid dat Lanz hem wat geld in de handen drukte om de tram naar huis te kunnen nemen.
Toch keerde Hitler zich als Führer ook tegen de 'völkische’ antisemieten die hij zich in zijn dagen in Wenen had eigengemaakt. Hij reserveerde een hele paragraaf in Mein Kampf om zijn 'diepste weerzin’ tegen 'deze verderfelijke elementen’ te uiten. Hij kent ze maar al te goed, zegt Hitler, die 'völkische zwerfjoden’ in hun 'geprepareerde berenvellen met stierhorens’ die 'over Germaans heldendom en prehistorische tijden kletsen’ en 'met speelgoedzwaarden zwaaien hoewel ze in werkelijkheid de grootste lafaards zijn’. In de loop van de jaren twintig en dertig keerde hij zich af van alle medestrijders die het occulte germanendom waren toegedaan, zijn politieke meacenas Ludendorff inbegrepen.
Hitler had geen last van bovenmatige ideologieën. Hij was op en top een man van de daad. Die daad bestond hoofdzakelijk uit het vermoorden van zo veel mogelijk joden. Alles wat hem in de uitvoering daarvan remde, diende te worden geliquideerd. In een redevoering in de Rijksdag op 30 januari 1939 kondigde Hitler aan dat het uitbreken van een nieuwe wereldoorlog hem zou nopen tot de 'vernietiging (Vernichtung) van het joodse ras in Europa’. Het is mogelijk dat Hitler de komende, door hemzelf gewilde oorlog als voorwendsel hoopte te gebruiken.
Vanaf dat moment werden de toebereidselen getroffen. Rudolf Höss, de commandant van Auschwitz, kreeg medio 1941 te horen dat Hitler had besloten alle joden te vermoorden en dat zijn kamp hiervoor als eerste was aangewezen. De precieze data zijn niet te achterhalen omdat een Führerbefehl altijd mondeling werd gegeven, maar het besluit moet in 1941 zijn gevallen.
HITLERS MEIN KAMPF, oorspronkelijk Viereneenhalf jaar strijd tegen leugens, domheid en lafheid geheten, heeft de reputatie van onleesbaarheid en ongelezenheid. Het boek kreeg na een trage start een cultstatus, een werk dat men uit carrière-overwegingen prominent in de boekenkast plaatste. Het is typisch een boek van zo'n vroeg-twintigste-eeuwse allesverklaarder, in zijn expressionistische exuberantie vergelijkbaar met Martin Heideggers Sein und Zeit en Otto Weiningers Geschlecht und Character.
De bronnen (merendeels zonder bronvermelding) waren echter grotendeels van niet-Duitse herkomst, zij het in Duitse vertaling. Aan de Zweedse zenuwarts Hermann Lundborg dankte Hitler alles wat hij sinds 1921 over rassen, rassenbiologie en rassenleer beweerde, constateert de Hitler-deskundige Werner Maser (Hitlers Mein Kampf, 1974). Alle passages over ras en rasvermenging zijn ontleend aan Rassenbiologie (1921), de Duitse versie van Lundborgs hoofdwerk. Hitlers opvattingen over het leiderschap stammen van de studie Psychologie des Foules (1895) van Gustav le Bon. Zijn ideeën over politieke organisatie zijn geleend van William McDougalls The Group Mind (1921). Verder natuurlijk véél Nietzsche en Schopenhauer, auteurs die voor elk doel toepasbaar zijn, zowel in vooruitstrevende als in reactionaire zin. En véél Richard Wagner, de schrijver/componist die door Hitler boven alles werd vereerd.
De gedenkschriften van Hitlers schoolvriend August Kubizek (Adolf Hitler, mein Jugendfreund, 1953) spreken wat dit betreft duidelijke taal. 'Van het eerste moment af waarop Richard Wagner in zijn leven kwam, had diens genie hem in zijn ban. Met ongelofelijke taaiheid en wilskracht verdiepte hij zich in diens leven en werk. Ik had zoiets nog nooit meegemaakt. Hij identificeerde zich geheel met Wagners persoonlijkheid. Met bevend hart las hij alles wat hij over de Meester te pakken kon krijgen, goed en slecht, lovend en afwijzend. Met name had hij belangstelling voor biografische literatuur, aantekeningen, brieven, dagboeken, zijn autobiografische schets. Steeds dieper drong hij door in Wagners leven. Adolf kende geen groter verlangen dan eenmaal naar Bayreuth te gaan, het nationale bedevaartsoord der Duitsers, huize Wahnfried te zien, een wijle aan het graf van de Meester te staan en… de uitvoering van diens werken mee te beleven.’
Zo stimuleerde Wagner de jodenhaat van zijn discipel en enthousiasmeerde hem tegelijkertijd voor vegetarisme, pan-Germanisme en de leer van de arische Christus. De componist was er heilig van overtuigd dat Gods Zoon 'geen druppel joods bloed in de aderen had’. Hitler had op zijn beurt ontdekt dat Hij niet de zoon van de joodse timmerman Jozef was, maar van de Romeinse soldaat Pantherus. Wagner gaf zijn memoires de titel Mein Leben mee. Hitler koos voor Mein Kampf. Wagner was een gemankeerde toneelspeler, zoals de gemankeerde musicus Nietzsche scherpzinnig constateerde. Zij werden beiden postuum bij het Derde Rijk ingelijfd door de gemankeerde schilder/architect Adolf Hitler.
Vaak is de vraag gesteld of zorgvuldige lezing van Hitlers Mein Kampf het traag en laks reagerende Westen wellicht had kun0 nen waarschuwen voor de ellende die de wereld boven het hoofd hing. Het boek werd voornamelijk niet serieus genomen, het werd beschouwd als het onbekookte werk van een kwartintellectueel die zich onder zijn omgevallen boekenkast probeerde uit te worstelen. Boeken schrijven echter zelden geschiedenis. Batavia is tot de 24ste druk van Multatuli’s Max Havelaar Batavia blijven heten. Mao’s Rode Boekje had een uitsluitend rituele functie - het is onbegrijpelijk dat de daarin vervatte kanariewijsheden ook maar één ogenblik serieus zijn genomen. Ook zonder Hitlers Mein Kampf was er waarschijnlijk geen jood meer of minder om het leven gekomen. Maar helemaal zonder historische betekenis is Hitlers boek niet. Interessant, bijvoorbeeld, is de gloeiende haat die de schrijver de moderne technologie toedraagt, exponent bij uitstek van de verstedelijking, de joodse verstedelijking, terwijl de ware, reine arische geest zijns inziens bij uitstek op het ongerepte platteland pleegt te gedijen.
Dat er in Mein Kampf zonder omwegen over het vergassen van de joden wordt gesproken is niet zozeer visionair, voorspellend of waarschuwend, maar een gevolg 1 van een authentiek trauma uit de Eerste Wereldoorlog, waarin de jonge korporaal zich trouwens duchtig heeft geweerd. Ook deze Eerste Wereldoorlog is zijns inziens , zoals alles, de schuld van de joden geweest. 'Hadden wij in het begin van deze oorlog twaalfduizend of vijftienduizend van deze Hebreeuwse volksverdervers het gifgas toegediend’, schreef Hitler, 'zoals honderdduizenden van onze allerbeste Duitse arbeiders het op het slagveld hebben moeten ondergaan, dan waren onze miljoenvoudige offers aan het front niet tevergeefs geweest. Integendeel, het op tijd liquideren van twaalfduizend van deze schurken had wellicht het leven van een miljoen, voor de toekomst van grote betekenis, waardevolle Duitsers het leven gered.’
HET WAS IN niet-onbelangrijke mate Hitler zelf, en niet zijn tweedelige privé-bijbel, die hem voor enige tijd de opperheerschappij over driekwart van Europa garandeerde. Deels door zijn merkwaardige charisma, een fenomeen waarvan niemand tot op heden iets begrijpt. Misschien is ons schoonheidsideaal in de loop der tijden verfijnd. Niettemin kunnen wij ons bij Hitler nauwelijks iets voorstellen als wij over 2 zoiets als een 'erotische uitstraling’ spreken, waaraan vrouwen noch mannen zich blijkbaar konden onttrekken. Over het liefdesleven van Hitler is tot in het obscene gespeculeerd. Waarschijnlijk is de vraag of de man over één of twee teelballen beschikte minder relevant dan de machtsuitstraling die hij qualitate qua tot zijn beschikking had, die zowel een erotische als een maatschappelijke component had. De vooroorlogse Spectator (19 januari 1934) beschreef Duitsland als een 'seksueel uitgehongerde’ natie, waarin de mannen zo bang waren voor werkloosheid dat zij de stap naar het huwelijk niet durfden te nemen. De component van Hitlers fanatisme was 'de obsessieve gerichtheid op perversiteit’, die na de economische depressie van 1931 in 'wreedheid en verbittering’ zou zijn omgeslagen.
Want, schreef de publicist Carl von Ossietzky op zijn beurt, Duitsland was immer een land zonder erotische traditie. 'Te onzent wordt vlegelachtig vertoon nog altijd voor mannelijk gedrag versleten. De jonge Duitser is begerig als alle anderen, maar hij is opgevoed met plompe bluf. Volwassen geworden in de waan dat de op de straathoeken voor luttele daalders verhandelde gunsten iets met liefde te maken zouden hebben, lacht hij om de piramiden zonder ooit Egypte te hebben bezocht en speelt hij de onverzadigbare zonder ook maar de voorgerechten te hebben aangeraakt. De jongeman maakt kennis met de erotiek in de vorm van schunnigheden of via bijzonder 'verlichte’ opvoeders, die het toneel van twee in omstrengeling vereende lichamen liefdeloos-zakelijk omschrijven als 'het bevredigen van de geslachtsdrift’ of 'het beoefenen van geslachtsverkeer’ - ellendige termen die lijken te zijn uitgevon3 den door een spoorwegbeambte.’ Zo voorzag Von Ossietzky al in een vroeg stadium dat Duitslands zonen, door Adolf Hitler aangevoerd, hun satisfactie elders zouden gaan halen.
Op de slagvelden van Europa.
De demonische receptiegeschiedenis van Mein Kampf ontneemt ons het zicht op het feit dat Hitler geen kwart- of halfintellectueel maar ten minste een driekwart-intellectueel is geweest, die Goethe en Shakespeare las, naast overigens de zestig delen omvattende Verzamelde werken van Karl May. In dit opzicht was hij de merkwaardigste driekwart-intellectueel van het hele Avondland. Zijn belangstelling voor Richard Wagner beperkte zich niet tot diens theoretisch werk. Hij vereerde wel degelijk de megalomane klankkathedralen van de Magiër van de Groene Heuvel, hij had daar verstand van en steunde het streven om daar een vooruitstrevende Bühne van te maken, tot ongenoegen van het stampubliek, dat de Parsifal liefst zag in de enscenering van 1882, in de decors 'waarop de ogen van de Meester nog hebben gerust’.
Hitler, zo heeft zijn minister van Bewapening Albert Speer beschreven, combineerde dit onmiskenbare vertoon van goede smaak echter met het summum van de wansmaak van zijn tijd: Tiroler jodelfilms, waar hij geen genoeg van kon krijgen en waarnaar de geeuwende gasten in zijn 'Wolfschanze’ of zijn 'Wolfschlucht’ tot diep in nacht gedwongen waren te kijken.
Als - dit terzijde - op één mens de constatering van toepassing is dat een mens zich jegens de mens als een wolf gedraagt, is dat wel op Adolf Hitler. In zijn hoofdkwartieren, zowel in de Wolfschanze als in de Wolfschlucht, heeft altijd de sfeer van gedresseerde agressie gehangen. De Volkswagen, zijn geschenk aan de Duitse arbeidersklasse, was in Wolfsburg gevestigd. Zijn militair personeel droeg een wolfangel op de revers. Een zijner militaire operaties heette de actie Weerwolf. Op de beroemde portretfoto van Heinrich Hoffmann wordt hij door een wolfshond gesecondeerd. En de knaapjes Wieland en Wolfgang Wagner beval hij, bij een van zijn talloze bezoeken aan Bayreuth, hem 'oom Wolf’ te noemen.
DE WERELD HEEFT de ogenschijnlijk onaantrekkelijke schreeuwlelijk Adolf Hitler pas serieus genomen toen een half werelddeel door de nazi’s onder de voet was gelopen. 'Die man bestaat niet. Hij is enkel de herrie die hij veroorzaakt’, zei Kurt Tucholsky, een politieke miscalculatie die de schrijver duur heeft moeten bekopen. Terwijl Hitler zich voorbereidde op niets meer of minder dan het uitroeien van alle joden, om te beginnen in Europa, wisten de westerse intellectuelen en kunstenaars (de Comités van Waakzaamheid niet te na gesproken) over het algemeen weinig beters te bedenken dan hem belachelijk te maken.
Hitlers eerste regeringsjaren waren ongehoord succesvol. De massawerkloosheid was teruggedrongen, zijn vijanden lagen op het kerkhof of waren naar het buitenland verjaagd, de Schande van Versailles was uitgewist, het Duitssprekende buitenland was onder het gezag van de Duitse adelaar gebracht, de macht van de gehate joden was gebroken en de geminachte 'Boheemse soldaat-eerste-klasse’ (Hindenburg over Hitler) was, mét pandjesjas en hoge hoed, een staatsman geworden met wie het kritische buitenland rekening had te houden.
Zijn propagandistische meesterstuk waren de Olympische Spelen van 1936 geweest. Iedereen kon op dat moment weten wat men aan Hitler-Duitsland had. Het was een éénpartijdictatuur die een deel van haar burgers discrimineerde en aan het openbare leven had onttrokken. Niettemin verenigde de gehele wereld, exclusief de Sovjet-Unie, zich onder de vlag met het hakenkruis, om gezamenlijk, in pseudo-vriendschappelijke verbroedering, te turnen, te zwemmen of vrij te worstelen.
Duitsland was blijkbaar even respectabel geworden als zijn rijkskanselier. De 4 enige smet op het blazoen der sportende Duitsers was het feit dat de Amerikaanse negers zo onbeschaafd waren om de ene medaille na de andere bij elkaar te sprinten, waardoor niet nazi-Duitsland maar de Verenigde Staten als eerste in het algemeen klassement dreigden te eindigen. Geen nood, na enig gesjoemel met de cijferlijsten stond Duitsland weer op kop, een symbolische gang van zaken voor een regime dat voornamelijk op leugen, bedrog en intimidatie was gebaseerd.
IN DE PERIODE 1938-39 waande Hitler zich zo oppermachtig dat hij besloot de confrontatie met de rest van de wereld aan te gaan. Denemarken, Nederland, België, zelfs Polen - dat was allemaal geen partij voor zijn tot de tanden bewapende Wehrmacht. Zelfs aartsvijand Frankrijk ging tot verrassing van menigeen vrij moeiteloos door de knieën.
Het bericht dat de Fransen hadden gecapituleerd bereikte Hitler op 17 juni 1940. Hij bevond zich op de Wolfschlucht, zijn hoofdkwartier, en sloeg zich dol van vreugde op de knieën. Zijn generaals, terugblikkend op de vernederende capitulatie, ruim twintig jaar geleden, betoonden zich diep getroffen. De chef van de generale staf, Wilhelm Keitel, trad naar voren en sprak: 'Mein Führer, ik wens u geluk. U bent de grootste veldheer aller tijden.’
Het was het inmiddels gebruikelijke vertoon aan stroopsmeerderij dat Hitlers tóch al geringe vermogen tot zelfkritiek geen goed zal hebben gedaan. Hij was wellicht een bekwaam politicus; maar een militair strateeg of laat staan een veldheer was hij allerminst, alleen al omdat hij zich primair liet leiden door zijn wensen en dromen. Die dromen waren verre van realistisch. Ze betroffen niet minder dan de opperheerschappij over de wereld, waartoe hij besloot iedereen de oorlog te verklaren: Engeland, de Sovjet-Unie en het 'verjoodste en vernegerde’ Amerika.
Dat kan dus niet. Dat kan hoogstens als je de wereld met de atoombom kunt chanteren. Helaas (voor Hitler) had hij ook de specialisten op dit gebied, de joodse atoomgeleerden, naar het buitenland verjaagd, zodat niet Duitsland maar Amerika de richtinggevende natie op dit terrein was geworden.
Een oorlog op minimaal twee fronten, tegen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten, ging zelfs het grondig gemilitariseerde Duitsland boven zijn macht. Is dat ooit, in welk stadium dan ook, tot Hitler doorgedrongen? Het lijkt erop dat Hitler de hem resterende tijd gebruikte om eens en voor altijd met de joden af te rekenen. Vanaf het moment van de 'totale oorlog’ werden ze niet meer aangezet tot emigratie maar vastgehouden, met het uitdrukkelijke doel hen stuk voor stukte vermoorden. 'Vanaf eind 1941 bedreef Adolf Hitler geen Duitse politiek meer’, schreef Sebastian Haffner (Anmerkungen zu Hitler, 1978). 'Hij beging alleen nog moorddadig kattenkwaad.’ De inzet van de modernste militaire, industriële, bureaucratische en propagandistische middelen om zo veel mogelijk joden om het leven te brengen, begon toen het vanuit het gezichtspunt van de moordenaars geen zin meer had. Naar een dergelijk omslagpunt zal men in de biografieën van Stalin, Mao, Pol Pot en al die anderen tevergeefs zoeken. In alle uithoeken van de wereld hebben waanzinnigen in de loop van deze eeuw zulke moorddadige almachtsfantasieën gekoesterd, maar alleen hij kon de zijne - voor een, voor hemzelf essentieel, deel - verwezenlijken.
De oorlog tegen de wereld heeft hij natuurlijk verloren. De oorlog tegen de joden - hét trauma van zijn leven - heeft hij voor een belangrijk deel gewonnen. Dat is het unieke schandaal waarmee Adolf Hitler de mensheid heeft opgezadeld. Daardoor is hij de enige serieuze kandidaat voor de titel man van de eeuw geworden - of wij het aangenaam vinden of niet.