Afscheid van H.J.A. Hofland - Rebel

Man van zijn eeuw

De vorige week overleden journalist en schrijver Henk Hofland bleef tegen de stroom in het engagement zoeken. Over een verblijf in New York schreef hij eens: ‘Ik werd goddelijk bestormd door alles wat ik zag.’ Dat overkwam hem overal en altijd.

Medium hofland 205 20bfc 20op 20maat

Ergens in het voorjaar van 1987 stapte Hendrik Johannes Adrianus Hofland op Amsterdam Centraal in een trein die hem van Amsterdam naar Amersfoort zou brengen en van Amersfoort naar Moskou. In het eerste deel van het traject werd zijn jas gestolen. Het deerde niet, noteerde hij, de coupé werd lekker warm gestookt, hij had geen medepassagier en had een aangename stapel kranten bij zich. ‘Een lange treinreis is een retraite die ik iedereen kan aanbevelen.’

Vanuit zijn coupé aanschouwde hij het landschap: moerassen, snel stromende beekjes, soms een berkenbos, soms wat krakkemikkige houten huisjes en hoe oostelijker je ging, hoe meer sneeuw je zag. Hofland schreef: ‘Generaals, veldheren, veiligheidsadviseurs, partijsecretarissen en presidenten van de twee supermachten zouden moeten worden verplicht om altijd met de trein te reizen en dat zeker als ze elkaars land bezoeken. Als je het vanuit een vliegtuig ziet, kun je misschien nog een zeker militair optimisme bewaren, maar wie op de begane grond reist, beseft al na een paar uur: daar is geen beginnen aan. Van lieverlee wordt iedere strijdmacht door de ruimte verzwolgen; dapper vechtend verdwijnt de bloem der natie in een onmetelijk keelgat.’

Als er zoiets als een Methode Hofland bestaat, dan is dit stap één: beschrijf je gekozen reismethode. Wat zie je? Wie kom je tegen? Hoe werkt de douane? Het merendeel van Hoflands reportages begint op Schiphol, of aan boord van de Nieuw Amsterdam op weg naar New York, of op de veerboot naar Schiermonnikoog. Wat is het eerste beeld dat je ziet als je aankomt? Hoe beïnvloedt dat je perspectief?

Stap twee van de Methode Hofland zou dan zijn: luister niet naar de staatshoofden, maar kijk naar het personeel. Het Moskou dat Hofland aantrof was doordrongen van perestrojka en glasnost, alle ministeriële voorlichters en Pravda-journalisten hielden er niet over op; ze bezwoeren hem dat het niet alleen in de dynamische leiding van Gorbatsjov zat, het waren ideeën die ook echt bij het volk en bij de partij leefden. Maar dat was niet de praktijk die hij aantrof achter het IJzeren Gordijn. Overal waren onverminderd stempeltjes voor nodig, Pravda schreef braaf wat de bedoeling was. In Warschau raakte een papiertje van zijn visum zoek, waardoor hij uren kwijt was op het bureau van de Milicja, de staatspolitie, die geen centimeter wilde meegeven. ‘Ik dacht: ik ben een dienaar van de Koningin der Aarde en sta hier tegenover een knecht van haar aartsvijand, de Robot van de Bureaucratie. We zullen eens zien wie er wint.’

Hofland won, maar schaamde zich. Hij was uitgevallen tegen de kettingrokende mevrouw van de Milicja. Hij had de bureaucratie zijn humeur laten verpesten, hij was niet superieur gebleven: bureaucratie ‘vernedert en kleineert de mensen, het dwingt ze tot onmondigheid, het reduceert ze tot kleine kinderen’.

Moskou en Warschau zouden zijn eerste stops zijn in een lange rondreis, die verder nog naar Berlijn zou gaan, en vervolgens via Amsterdam naar New York. De reden van de reis was dat Hofland van mening was dat langzaam maar zeker een paradigmawisseling was opgetreden aan beide zijden van het IJzeren Gordijn. De manier waarop de twee partijen van de Koude Oorlog decennialang over elkaar dachten was een ‘bevroren wereldbeeld’, maar onder nieuwe leiders was een ‘ethisch reveil’ aangekondigd. Zowel Gorbatsjov in de Sovjet-Unie als Reagan in de VS wilde het collectieve optimisme aanwakkeren door hun ‘versloomde volken nieuwe inspiratie in te blazen’. Hij wilde eerstehands waarnemen hoe die wereldbeelden ontdooiden, als kruiend ijs op elkaar botsten en weer van elkaar af dreven.

Hij had meer vertrouwen in Gorbatsjov dan in Reagan. Onder Gorbatsjov werd er een poging gedaan de geschiedenis onder ogen te zien. Reagan wilde juist camoufleren, gladstrijken. Van de groots aangekondigde drugsbestrijding kwam niets terecht, aids veroorzaakte een gezondheidscrisis in de grote steden die zijn weerga niet kende, de afstand tussen de hopeloos armen en de hoogopgeleide rijken groeide zienderogen, het Iran/Contra-schandaal had onthuld dat de regering in het geheim wapens verkocht aan rechtse radicalen in Nicaragua. De Amerikaanse president deed Hofland denken aan Arthur Millers beschrijving van zijn hoofdpersoon in Dood van een handelsreiziger: ‘He’s a man way out there in the blue, riding on a smile and a shoeshine.’ ‘Met een glimlach en zijn gepoetste schoenen heeft hij wereldpolitiek verkocht.’

Maar Hofland was blij terug te zijn in New York, zijn stad, waar hij zich thuis voelde zoals hij dat in het Oostblok nooit zou doen: ‘Welcome home, zei Ron, de eigenaar van mijn restaurant The Sazerac House, en ik voelde me gevleid en een beetje ontroerd. Ik kocht de kranten en de tijdschriften en ik slorpte het op: wat er allemaal aan de gang was, de directheid waarmee al die misère werd aangepakt. Ik werd weer goddelijk bestormd door alles wat ik zag, de winkels, het verkeer (…) de energie die – zoals ik vaak heb gedacht – uit de straat lijkt te komen. Glasnost! Wie wil weten wat het toppunt van glasnost is, moet een weekje in Manhattan komen. De hemel gedankt: Amerika is zijn president niet.’

***

Een paar jaar terug vroeg een beginnend journalist op de redactie van De Groene Amsterdammer aan Hofland of hij nog tips had. Hoe je een goede essayist kon worden.

‘Wie wil weten wat het toppunt van glasnost is, moet een week in Manhattan komen. De hemel gedankt: Amerika is zijn president niet’

‘Wees enig kind. Dat kan ik je van harte aanbevelen.’

Oké. En verder?

‘Zorg dat de stad waarin je opgroeide door de Duitsers kapot wordt gebombardeerd. Dan heb je altijd iets om aan te refereren.’

Stap drie van de Methode Hofland: zorg ervoor dat de concurrentie nooit aan jouw voorwaarden kan voldoen.

In alle in memoriams die afgelopen week verschenen, kwam die oorlog uitgebreid terug, meestal genoemd in vermelding van het gezelschap Jan Blokker en Harry Mulisch; alledrie van het bouwjaar 1927, alledrie dertien jaar toen de oorlog begon en achttien toen de oorlog eindigde. Vormende jaren. Mulisch maakte er de beroemde oneliner ‘ik ben de oorlog’ van, Hofland legde het minder zelfserieus uit: hij speelde als jongetje op de puinhopen van zijn kapotgebombardeerde stad Rotterdam, trok met zijn vriendjes op rooftocht door de leegstaande huizen, hij voelde het gevaar van de bezetting, maar was te jong om dat gevaar serieus te nemen.

Maar tegelijk, als je Het kruiend wereldbeeld (1987) leest, moet je beseffen hoezeer Hofland ook gevormd is door de oorlog na de oorlog, namelijk de Koude Oorlog. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor hem, je ziet het ook als je de essays van generatiegenoten als Karel van het Reve, J.L. Heldring, G.B.J. Hiltermann of Mulisch leest. De Koude Oorlog dwong de wereld een keurslijf op, een zekere overzichtelijkheid, Oost en West, aan de andere kant van het IJzeren Gordijn was een alternatieve manier van leven waaraan we hier onze manier konden spiegelen. De politiek werd daar rechtlijniger en strenger van, en dat in een land dat door de verzuiling al redelijk rechtlijnig en streng was, met een grote hang naar conformisme. Voor de maatschappijkritische beschouwer waren de ‘bevroren wereldbeelden’ van de staatshoofden en politici een weelde: hoe meer licht er is tussen de politieke moraal en de publieke, hoe scherper en urgenter je kunt schrijven en hoe meer gewicht de commentator krijgt.

‘Amerika is zijn president niet’: dat is het speelveld waarop de Methode Hofland zo dankbaar functioneert.

Die commentator was alleen al doordat hij commentaar gaf – wat hij ook schreef – betrokken. Als de Macht en de Orde een wereldbeeld van graniet hebben is elke stem een beitel, die het graniet slijpt of afbreekt. Zoals hij het zelf schreef in zijn essay De dood van het engagement uit februari 2001: ‘Vrijwel de hele vorige eeuw hebben de schrijvers die de toon aangaven partij gekozen voor of tegen ideologisch georganiseerde grootmachten. Laten we niet ontkennen dat het een mooie tijd was.’

Het was aan journalisten en schrijvers om een culturele en maatschappelijke doorbraak te forceren. Hij ging verder: ‘Na de oorlog voelen de schrijvers en intellectuelen zich onverminderd bij de politiek betrokken, voor of tegen het communisme. Open brieven, manifesten, congressen, de Derde Weg, mantelorganisaties, het vraagstuk van fellow travellers, de meelopers. Van McCarthy en de Rosenbergs tot Andreas Baader en Ulrike Meinhof; Daniel en Sinjavski, Franco-Spanje, Pinochet, de kruisraketten, ik noem maar een paar voorbeelden. Het zijn meer dan namen en woorden: sleutelformules die toegang geven tot het grote debat van het Westen. Zoals Sartre ons had voorgehouden: er moet gekozen worden. Wie niet kiest, doet dat ook. Schrijven was kiezen: het engagement.’

‘Niemand ziet in Hofland een barricade­klimmer. De revolutie zou hij misschien kunnen uitroepen, mits dat vanuit het café kan’

Voor een vrijzinnige geest als Hofland moeten die decennia hem op het lijf zijn geschreven. Man van zijn eeuw heette Hoflands roman uit 1993; je kunt je niet losmaken van het idee dat die titel in de eerste plaats niet op de hoofdpersoon sloeg, maar op de auteur zelf.

***

Het frappante is dat juist dat engagement Hofland duur kwam te staan. Wanneer je de profielen van zes jaar terug leest, toen hij de P.C. Hooftprijs kreeg, tref je een andere Hofland dan in de profielen van zestien jaar geleden, toen hij werd uitgeroepen tot journalist van de eeuw. Dat zal op de eerste plaats met leeftijd te maken hebben; Hofland in 2010 was 83, een ongrijpbare verschijning, een scherpe maar vrolijke oude man, goedgemutst eigenzinnig – zo werd hij tenminste geprofileerd. Arjen Fortuin ging in NRC Handelsblad zelfs zo ver hem een ‘vriendelijke ouwe gek’ te noemen.

Medium hofland 20staand 201

Op oude mannen schiet je niet, dat is niet chique. Maar toen Hofland een jonge zeventiger was, was dat anders. In profielen in De Groene Amsterdammer (door Martin van Amerongen) en HP/De Tijd (door Max Pam) werd hem meer dan de maat genomen. Waarschijnlijk had die eretitel van Journalist van de Eeuw voor enige jalousie de métier gezorgd, of anders dat eredoctoraat aan de Universiteit van Maastricht wel. Of die Gouden Ganzenveer, eind jaren negentig. Hoe dan ook, die kop moest een stukje kleiner, en beiden vielen hem aan op zijn engagement.

De natte steen waarop zij hun mes slepen was het _j’accuse-_achtige stuk dat in 1988 op de voorpagina van het Zaterdags Bijvoegsel had gestaan, met de kop ‘Er wordt met ons gesold’. Hierin trok Hofland van leer tegen het rendementsdenken dat ten grondslag lag aan de dreigende fusie tussen de Perscombinatie en de Nederlandse Dagbladunie, waardoor de belangrijkste Nederlandse dagbladen onder één dak zouden vallen, wat tot grote onzekerheid op diverse redacties leidde. Het stuk was een statement, een steun in de rug voor vele tientallen journalisten – maar volgens zijn critici kon je precies zien tot hoe ver Hoflands engagement ging, en dat was niet ver genoeg. Want Hofland koerste ook weer niet af op een breuk met de directie van pcm (nu de Persgroep), hij bewaarde een zekere vrede. Voor Van Amerongen was dat een teken dat Hofland ‘instinctmatig kiest voor de Welingelichte Kringen of voor de man die zijn declaraties tekent’. Pam schreef: ‘Niemand ziet in Hofland een barricadeklimmer. De revolutie zou hij heel misschien kunnen uitroepen, mits dat vanuit het café kan worden gedaan.’

De kritiek heeft iets gratuits. Dit is tenminste het beeld dat je krijgt als je zijn langere essays juist uit die tijd leest. Die kritiek kwam eind jaren negentig, begin 2000, op een moment dat Hofland zelf ook het begrip engagement aan het bevragen was. Wat was engagement na de Koude Oorlog, in tijden van ‘het einde van de geschiedenis’? Welke rol kon het nog spelen? Wat was engagement in tijden van ‘fun’, een woord waarvoor geen Nederlandse vertaling was, zoals er geen Engelse vertaling was van het Nederlandse ‘gezellig’?

Ooit (in 1956) had hij de term de ‘Onverdraagzaamste Abonnee’ gemunt – ‘onze nationale Iwan de Verschrikkelijke, een mannetje dat met een maagzweer op een ongelucht bovenhuis met pen en papier klaar zit om zijn abonnement op te zeggen’ zodra de krant iets schreef waar hij het inhoudelijk niet mee eens was. ‘Hij is een soort pi van de journalistiek, een grootheid die nooit tot op de laatste decimaal valt te bepalen, maar waarmee men toch terdege rekening heeft te houden.’ Die abonnee was veertig jaar later verdwenen, nu wilde die abonnee fun. En fun was nu net een product dat de media zelf hadden geschapen.

Hoe was je als intellectueel opgewassen tegen fun? In het essay Denkers in het gedrang legde hij uit hoe media een andere betrokkenheid hadden gekregen. Ooit was die betrokkenheid ‘interveniërend’, nu was die betrokkenheid zelfbewust en bedoeld om de wereld naar de hand te zetten. Hij noemde het mediatisering: ‘Onder mediatisering versta ik het proces waarbij mensen, feiten en ontwikkelingen ondergeschikt worden gemaakt aan de media, respectievelijk zich anders voordoen, anders worden belicht en gearrangeerd, anders geregisseerd dan bij afwezigheid van de media het geval was geweest. Het doel van mediatisering is de “kwadratuur van de werkelijkheid’.”

Het doel hiervan was de lezer – of nieuwsconsument, dat is misschien een betere en verschrikkelijkere term – op te voeden, want ‘smaak, blijkt verder, is niet een uniek persoonlijk gegeven waarmee een mens nu eenmaal behept is (“smaken verschillen”, “over smaak valt niet te twisten”). Dat zijn verjaarde wijsheden. Smaak kan gemaakt worden, het is een product dat aan andere producten voorafgaat.’

‘Hier begint de nieuwste tijd. Iedereen wil oppermens zijn. Iedere dag staan ze in de krant, iedere avond zie je ze op televisie’

In zijn essay over de dood van het engagement (elke schrijver dient minstens één essay te schrijven met zo’n titel) ging hij hierop door. De media waren meer en meer zelfbewust commercieel geworden: ‘Ik geloof dat de vrije markt, zoals die zich de afgelopen tien jaar heeft ontwikkeld, in zijn anonimiteit de grootste vijand is van de literatuur, de kunsten en het onafhankelijke denken (…); de gelijkschakeling wordt er bevorderd. In de kunsten wordt het scheppend vermogen miskend, ten koste van de versiering, de gimmick, de tierlantijnen, het kabaal, het vermogen, in het kort, om zoveel mogelijk lucht te blazen in niets.’

***

Veel van die media-kritische essays zijn opgenomen in Op zoek naar de pool: Het beste van H.J.A. Hofland (2002). Interessant is daarom dat juist in de jaren na 2002 Hofland zich meer op het publiek ging richten. Als de fout bij de media zat, dan speelden die toch zeker in op een latente luiheid van de lezer?

Het zou uiteindelijk uitmonden in zijn essay voor het fotoboek Platter Dikker van Roel Visser uit 2011, een trommelvuur boutades aan het adres van de immer consumerende, obese, getatoeëerde, tv kijkende burger. Maar daarvoor zat het al in Cicero Consultants (2007), Hoflands laatste roman. De roman begint wanneer twee heren op een zeldzaam mooie zomeravond op het terras van het Amstel Hotel zitten te oreren zoals heren met een glas whisky dat kunnen doen. We gaan rare tijden tegemoet, zegt de een. Maar zitten we niet al in rare tijden, zegt de ander, moord en doodslag, terreur, is dat normaal?

‘“Nee”, zei Jakob. “Ik bedoel alleen dat we geen flauwe notie van de toekomst meer hebben. Dit zijn de allerlaatste dagen van de luwte. De avondschemering van de dikke mensen.”’

Het is natuurlijk een beginnersfout om de mening van de personages aan te zien voor de mening van de auteur, maar de dialoog die zich tussen de twee heren verder ontspint bevat wel heel veel van Hoflands terugkerende thematiek. Het gesprek tussen Jakob, een consultant, en Roel, een reclamejongen, gaat verder:

‘“Het is universeel. Denk historisch! Vroeger had je de tijdperken van het wij. Christus was een wij. Marx. Hitler. Mao. Noem nog eens een mensenredder.”

“Pol Pot.”

“Juist! En daarna heb je het ik gekregen, het ik-tijdperk. Individualisering. Wetenschappelijk beschreven. Achterhaalde onzin.”

Hij stak nu zijn rechterwijsvinger op.

“En nu hebben we de oppermens. Die destijds Übermensch heette, die is gedemocratiseerd. Hier begint de nieuwste tijd. Iedereen wil oppermens zijn. Iedere dag staan ze in de krant, iedere avond zie je ze op televisie. In een auto rauzen, hard schreeuwen, op een gitaar rammen, rappen, machinegeweer leegsproeien, in een klap iemand neerslaan, doodschoppen, zo veel gappen dat je levenslang rijk bent, erop los verkrachten, van het dak springen, een virus verzinnen, bloggen, de terrorist uithangen, sluipschutter worden. In de politiek gaan. President. Shock and awe. Kan allemaal. Scoren. Winnen. En wat gehaat worden. Angst zaaien. Dat is het hoogste wat de oppermens kan bereiken. Dat is altijd zo geweest. Het verschil is dat je er nu mee voor de dag kan komen. Dit is de gedemocratiseerde oppermens. Een historische mutatie! Luister je?”’

Roel en Jakob besluiten daarom een slim plannetje te bedenken – zoals alle Hofland-personages altijd slimme plannetjes bedenken – waarbij ze in opdracht speeches gaan schrijven, speciaal voor de mens die bij een huwelijk, een uitvaart of een pensioensreceptie zijn of haar echtgenoot/ouder/collega helemaal tot de grond wil afbranden. Slogan: ‘Maak ze kapot, maak ze irrelevant!’

Met de opkomst van Donald Trump in de VS en het zich alleen maar verder verspreidende populisme in Europa was Hofland de laatste jaren bezig de derde stap te zetten. Na de media en de burger moest hij nu aanschouwen hoe een nieuw soort politicus opstond, eentje die ook geen engagement meer uitstraalde, die alleen maar communiceerde dat hij nog bozer was dan zijn burger, nog moeier, nog banger: de politicus die zijn burger onderlangs probeerde in te halen. Tussen de burger en de politicus zat geen licht meer. Reagan deed zich tenminste nog beter voor dan hij was, meer moreel verheven; Donald Trump doet zich (waarschijnlijk) dommer voor dan hij is, zoals de leiders van de Brexiteers meningen als feiten presenteerden op een manier die toch niet bij hun Oxbridge-opvoeding paste.

In die zin is Hofland nooit opgehouden het engagement te zoeken, steeds in andere gedaantes, op andere plekken. Toen de media het engagement uit het oog verloren, ging hij door, toen de burger te veel met fun bezig was, ging hij door, en toen politici steeds platter werden, ging hij door. Noem dat maar eens een gebrek aan engagement. Hij gaf niet op, bleef kijken, bleef zoeken naar het verschil tussen de theorie en de praktijk. Een man van zijn eeuw.