Hitler-biografie

Man zonder eigenschappen

Hitlers successen waren minder het gevolg van zijn wilskracht dan van de zwakte van zijn tegenstanders. De Hitler-biografie van Ian Kershaw laat zien hoe machtsmechanismen in het Derde Rijk werkten.

Ian Kershaw, Hitler 1936-1945: Nemesis

Uitg. Penguin 1115 blz., ƒ 83,50

Tijdens het collectief omzien in verwondering waarmee vorig jaar de twintigste eeuw werd afgesloten, baarde het Amerikaanse Time Magazine enig opzien door Adolf Hitler uit te roepen tot man van de eeuw. Hitler was door het blad in 1938 al uitgeroepen tot man van het jaar. Niet omdat hij zo'n bewonderenswaardige figuur was, maar omdat hij het verslagen, vernederde en vrijwel failliete Duitsland in vijf jaar tijd had omgetoverd tot een tot de tanden bewapende grootmacht die op het punt stond Europa en belendende werelddelen onder de voet te lopen. De manier waarop hij dit geprobeerd heeft, en de rücksichtslose wijze waarop hij alle «Balastexistenzen» binnen zijn bereik trachtte uit te roeien, heeft een onuitwisbaar stempel op de twintigste eeuw gedrukt. Zijn impact is niet te vergelijken met die van enige andere historische figuur. De enige die een beetje in de buurt komt is Lenin, maar de gevolgen van diens fatale ideeën werden pas echt goed duidelijk tijdens het bewind van zijn opvolger en zijn geestelijke erfgenamen in bijvoorbeeld China en Cambodja.

Hitler was inderdaad de man van de twintigste eeuw. Wie dus die krankzinnige, gruwelijke, onvergetelijke eeuw wil begrijpen, moet Hitler trachten te begrijpen. Zijn biografie is de sleutel tot die eeuw, en bovendien is zijn afschuwelijke invloed nog altijd niet uitgewerkt. Het probleem is alleen dat Hitler zo onbegrijpelijk, zo ongrijpbaar is. Wat bezielde de man en wat zagen anderen in iemand die ogenschijnlijk niet meer was dan een potsierlijke en pathetische gek? Hoe was het mogelijk dat een mislukte artiest «normale» mensen kon aanzetten tot onuitsprekelijke misdaden?

Als we voorbijgaan aan de simplistische, enkele jaren geleden door Goldhagen gere animeerde opvatting dat het Duitse volk voor het overgrote deel bestond uit kleine Hitlertjes die niets liever wilden dan de joden uitroeien, blijven er grofweg twee benaderingen over. De eerste, verwoord door de zogeheten intentionalisten, laten hun verklaringen beginnen en eindigen bij Hitler. Hij was een diabolische persoonlijkheid die door een aantal uitzonderlijke eigenschappen in staat was zijn perverse wil op te leggen aan de Duitsers. Als verpersoonlijking van de «Wille zur Macht» had hij het min of meer willoze Duitse volk verleid, en later verkracht.

De zogeheten structuralisten ontkenden weliswaar niet dat Hitler een belangrijke rol had gespeeld bij het tot stand komen van het Derde Rijk en dat hij de joden wilde uitroeien, maar zij waren van mening dat zijn rol na 1933 vrij beperkt was. Hitler zou eigenlijk, in de woorden van Hans Mommsen, een «zwakke dictator» zijn geweest die geen greep had op een staat die werd bestuurd door een groot aantal elkaar op leven en dood bestrijdende organisaties en bureaucratieën. Volgens de structuralisten was de genocide op de joden het resultaat geweest van een «cumulatieve radicalisatie», waarbij allerlei instanties probeerden hun macht uit te breiden door nog roomser te zijn dan de paus en Hitlers jodenhaat om te zetten in concreet beleid. Hitler zou al spoedig niet veel meer zijn geweest dan een mythe die gebruikt werd om de massa’s te enthousiasmeren voor een politiek die in feite werd gemaakt door verschillende machtselites. Een van Mommsens leerlingen, de Britse historicus Ian Kershaw, schreef dan ook een diepgravende studie over de Hitler-mythe.

Het was enigszins opmerkelijk dat dezelfde Kershaw twee jaar geleden het eerste deel publiceerde van een zeer omvangrijke Hitler-biografie, waarvan nu het tweede en laatste deel is verschenen. Na bijna dertig jaar onderzoek naar het Derde Rijk was de van huis uit mediëvist zijnde Kershaw tot het inzicht gekomen dat elke analyse toch steeds weer bij die ene man uitkwam. Hoewel veel valt te verklaren met het concept van de cumulatieve radicalisatie en Hitler zich inderdaad heel weinig bemoeide met het dagelijks bestuur van het Derde Rijk, was hij beslist onmisbaar en onvervangbaar. Van daar dat de structuralist besloot toch een biografie te schrijven.

De Hitler die Kershaw ons toont is eigenlijk een «Mann ohne Eigenschaften», een besluiteloze, eindeloos twijfelende man die door de omstandigheden gedwongen wordt te handelen, iemand die meer profiteert van de macht dan dat hij er de architect van is, het absolute tegendeel van een wagneriaanse held. In het eerste deel liet Kershaw duidelijk zien dat de politieke doorbraak van Hitler minder het resultaat was van zijn eigen wilskracht dan van de motieven en handelingen van zijn supporters. Belangrijke beslissingen als het overnemen van de leiding van de embryonale nazi-partij en de Putsch van 1923 waren geen zorgvuldig geplande acties, maar «wanhopige voorwaartse bewegingen om zijn gezicht te redden». Allerlei problemen liet Hitler heel lang doorzieken, om dan ineens op te leven en een radicaal besluit te nemen, waarna hij geen moment meer twijfelde over de juistheid ervan en eiste dat het compromisloos werd doorgevoerd. «Crisis was Hitlers zuurstof. Hij had het nodig om te overleven», aldus Kershaw.

In deel twee zien we dit beeld telkens terugkeren. Begin 1938 brak er in de top van de strijdkrachten een crisis uit toen minister van oorlog Werner von Blomberg en opperbevelhebber van het leger Werner von Fritsch in opspraak dreigden te komen wegens respectievelijk een huwelijk met een ex-prostituee en vermeende homoseksualiteit. Aanvankelijk was Hitler behoorlijk van slag, wist hij niet wat hij moest doen, om vervolgens het besluit te nemen om beide functies op te heffen en zelf de leiding van de Wehrmacht in handen te nemen. Een beslissing met verregaande consequenties, die vrij spontaan genomen was.

Deze crisis was nauwelijks bezworen toen de volgende zich al aandiende. Kershaw laat zien dat ook bij de Anschluss van Oostenrijk Hitler werd voortgestuwd door de ontwikkelingen. Hitler had weliswaar vanaf het begin de positie van zijn geboorteland stelselmatig ondermijnd en aangestuurd op annexatie, maar hij werd toch verrast door de gebeurtenissen. Aanvankelijk wilde hij slechts een marionettenregering instellen, maar toen buitenlandse kranten over «inlijving» schreven en de bevolking dolenthousiast bleek, besloot hij dan maar over te gaan tot volledige annexatie.

Er zijn nog tal van voorbeelden te geven waaruit blijkt dat Hitlers successen vaak minder het gevolg waren van zijn eigen wilskracht dan van de zwakte van zijn tegenstanders. Zo stuurde hij in augustus 1938 duidelijk aan op een oorlog met Tsjecho-Slowakije en was hij ernstig teleurgesteld dat Frankrijk en Engeland door de knieën gingen. Was Hitler dan toch de «zwakke dictator» waar Mommsen hem voor hield?

Kershaw bestrijdt dat, maar ziet hem wel als een luie dictator. Hitler was zelden in Berlijn en slechts enkele ministers mochten met hem spreken. Was Stalin een echte apparatsjik die zoveel mogelijk touwtjes in handen wilde houden, Hitler zag zichzelf meer als kunstenaar die al lummelend wachtte op inspiratie en dan met meesterhand een paar penseelstreken zette. Hij was niet het type politicus dat zich uitgebreid laat adviseren, die eindeloos voor- en nadelen tegen elkaar afweegt om vervolgens een conclusie te trekken. Hij nam razendsnelle besluiten, of hij verloor zich in urenlange monologen of hysterische woede-uitbarstingen waarin hij zichzelf «overtuigde» van de juistheid van een bepaald idee. Vlak voor de inval in Polen trok hij de aanvalsorder in omdat hij dacht dat Engeland hem de oorlog zou verklaren, terwijl Italië afzijdig zou blijven. Een paar dagen later was de situatie niet gewijzigd, maar besloot hij toch aan te vallen. Maar toen op 3 september Engeland en Frankrijk hem de oorlog verklaarden, leek hij volkomen verbaasd.

Tijdens de oorlog zou hij het contact met de werkelijkheid steeds verder verliezen, terwijl hij wel van tijd tot tijd ingreep. Dat ingrijpen gold echter voornamelijk de oorlogvoering. Daar bemoeide Hitler zich wel intensief mee, tot ergernis van zijn generaals. Het binnenlands bestuur interesseerde hem nagenoeg niet, zodat hier de verschillende machtselites elkaar naar hartelust konden bestrijden. Ook met de anti-joodse politiek bemoeide Hitler zich niet. Dit lag niet aan eventuele desinteresse van Hitler, maar het was eenvoudig niet nodig. Op dit terrein werden de gruwelijke consequenties van het proces van cumulatieve radicalisatie het duidelijkst zichtbaar. Door «dem Führer entgegen zu arbeiten», door te handelen in de geest van Hitler, konden allerlei instanties «scoren» en kon de uitsluiting van de joden uitmonden in genocide. Hitler hoefde bepaalde besluiten helemaal niet te nemen, zijn stilzwijgende toestemming achteraf was meestal voldoende. Toen in de herfst van 1939 onder verschillende autoriteiten onrust ontstond door de grootschalige moord op geestelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten, kon Hitler volstaan met een eenregelig me mootje. Bij de «Endlösung der Judenfrage» was zelfs dat niet nodig.

De structuralistische biografie die Kershaw heeft geschreven laat duidelijk zien hoe machtsmechanismen in het Derde Rijk werkten, en welke plaats Hitler innam. Verschillende critici verwijten Kershaw echter dat Hitler een «eendimensionale» figuur blijft, dat zijn persoonlijkheid nog steeds raadselachtig blijft. Maar dat is waarschijnlijk ook de essentie van Hitler: dat we hem eenvoudig niet kunnen begrijpen. Net zo min als we een seriemoordenaar of kinderverkrachter kunnen begrijpen. De eindeloos dralende, twijfelende en dan opeens een radicaal besluit nemende Hitler die Kershaw schildert, heeft nog gewoon menselijke trekjes. Maar zijn morbide hang naar oorlog — hij vond dat het Duitse volk elke vijftien jaar een oorlog moest meemaken — en zijn vernietigingsfantasieën, daar schiet het inlevingsvermogen van de meeste mensen gelukkig te kort.

Meestal gaat men ervan uit dat Hitlers doel de wereldheerschappij was. Maar wie Kershaws boek heeft gelezen, kan zich Hitler helemaal niet voorstellen als iemand die op zijn lauweren rust, die geniet van de overwinning. Hitler wilde de schande van de nederlaag van 1918 ongedaan maken. Niet door een totale overwinning, maar door strijdend ten onder te gaan.

Hitler was een bijzonder gecompliceerde en gestoorde persoonlijkheid die in een andere omgeving onmogelijk zoveel macht had kunnen vergaren en nooit had kunnen aanzetten tot dergelijke misdaden. Was hij dertig jaar eerder geboren in het met suffe kranten dichtgeplakte Braunau am Inn en had hij moeten leven in de verstikkende atmosfeer van de kakanische dubbelmonarchie, dan was Kershaw nu uitsluitend bekend als autoriteit op het gebied van het kloosterwezen in het middeleeuwse Yorkshire.