Profiel: Cees Veerman

Manager met plattelandshart

«Het laat me allemaal niet onberoerd», zegt demissionair landbouwminister Cees Veerman regelmatig op de televisie. Hij ligt nachten wakker van al die tientallen miljoenen legbatterijproductie-eenheden en hobbykippen en al het siergevogelte dat in recordtempo via de destructor is verwerkt tot tonnen afval. Wekenlang wordt Veerman dagelijks gebrieft door zijn crisisstaf over telkens weer een nieuwe uitbraak van de vogelpest in een gebied dat zich inmiddels vanuit de Gelderse Vallei naar het zuiden uitstrekt tot net over de grens met België.

Het neemt angstwekkende vormen aan: een dierenarts uit Den Bosch, die zich intensief met het ruimen heeft beziggehouden, is overleden aan een longontsteking die vrijwel zeker is veroorzaakt door het vogelpestvirus. Viroloog Ab Osterhaus sprak onlangs zijn diepe zorg uit over de virulentie van dit virus. Bij varkens zijn al antistoffen geconstateerd, die door recombinatie van het influenzavirus mogelijk kunnen leiden tot een nieuw griepvirus onder varkens. Als de verantwoordelijke man voor de crisis in de pluimveesector, intussen bijgenaamd Minister Vogelpest, de slaap wél kan vatten, lijdt hij misschien aan nachtmerries die bij het ontwaken niet ophouden, omdat ze berusten op de dagelijkse werkelijkheid: Nederland is in de greep van de zoveelste diepe crisis in de veehouderij en Veerman krijgt de vogelpest maar niet onder controle.

De ramp is niet te overzien. Het kost niet alleen handenvol geld, omdat elke gedode kip deels door de overheid (en Brussel) wordt vergoed; voor de lange termijn dringt zich een veel nijpender vraagstuk op. Door gekkekoeienziekte (BSE), varkenspest, mond- en klauwzeer (MKZ) en fenomenen als kistkalveren, hormoonvlees en dioxinekippen ligt andermaal de vraag op tafel hoe het anders moet met de geïndustrialiseerde wijze van fokken, voeden en kunstmatig opvoeren van opeengepakte dieren teneinde een zo concurrerend mogelijk (goedkoop) product te kunnen leveren aan de consument. Het is aan Veerman om eindelijk het mes écht te zetten in dit systeem van schaalvergroting, dat na de oorlog in gang werd gezet door zijn roemruchte voorganger Sicco Mansholt.

Het is een loodzware taak, waar Veerman volgens critici niet de aangewezen man voor is. Met zijn benoeming vorig jaar is na acht paarse jaren weer een CDA’er teruggekeerd op het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Dat alleen al staat garant voor een heropleving van de oude cultuur waarin boerenbelangen en Haagse politiek verstrengeld waren. De boerenlobby grijpt nu dus weer zijn kans, zeggen Veermans politieke tegenstanders regelmatig. Oude weeffouten op het departement steken opnieuw de kop op.

Bovendien hebben de boeren met Veerman een agrariër boven zich gekregen. En geen kleintje: met 180 hectare in de Hoeksche Waard en nog eens 450 hectare bieten en aardappels in de Franse Dordogne is hij een echte herenboer. Hoewel hij sinds zijn stap naar de politiek zijn belangen in zijn bedrijf C.P. Veerman Holding BV op papier heeft overgeheveld naar het administratiekantoor Cevemin (een afkorting van Cees Veerman Minister), waar zijn goede vrienden uit de omgeving de dienst uitmaken, en zijn zoon directeur is geworden van de holding, brengt hij ieder vrij uurtje graag rijdend op de trekker over zijn landerijen door.

De minister — die met zijn robuuste kop, zwarte bos haar en waterblauwe ogen uiterlijk lijkt op Heathcliff uit Wuthering Heights — houdt met heel zijn hart van het plattelandsleven. Hij is iemand van wie sommige collega’s in de Residentie beweren dat hij met te grote compassie voor de boeren politiek bedrijft. Hij zou te veel een belangenbehartiger zijn, wat er nu toe heeft geleid dat hij achter het razendsnel om zich heen grijpende vogelpestvirus aanhobbelt. Vanuit de Kamer klinkt harde kritiek: hij is te emotioneel betrokken en was daarom in het begin te afwachtend met het nemen van harde maatregelen.

«Hij past zijn strategie aan naar gelang waar het virus heen gaat», zegt PvdA-landbouwspecialist Evert Waalkens. «Hij laat zich leiden door de deskundigheid van wetenschappers, dan pas gaat hij over tot daden. Veerman bedrijft als een professor politiek.» VVD-landbouwspecialist, en zelf pluimveehouder, Gerrit-Jan Oplaat klaagt openlijk over zijn te slappe houding: «Als CDA-man is hij niet in staat hard in te grijpen.» Waalkens: «Onder het CDA worden bij een reorganisatie stappen richting milieu, natuur en diervriendelijkheid vertraagd. Ze worden geplaatst in een boemeltreintje.»

Inmiddels hebben zelfs de pluimveehouders gevraagd om een ruimingsbeleid van buiten naar binnen, in plaats van omgekeerd zoals tot nu toe is gebeurd. Zij bepleiten alle stallen leeg te maken en dan met een schone lei te beginnen.

Veermans houding ten aanzien van de boeren staat in groot contrast met die van zijn voorganger, D66’er Laurens-Jan Brinkhorst. Die kreeg op het hoogtepunt van de MKZ- crisis varkensstront naar zijn hoofd geslingerd van boze boeren, terwijl Veerman dezer dagen op zijn thuisadres een bloemstuk van landbouworganisaties ontving met een kaartje vol bemoedigende woorden. Brinkhorst trad de MKZ-crisis rücksichtslos tegemoet. «Ik zit hier niet om populair te worden», zei hij altijd, toen hij de hervormingen van de landbouw serieus wilde aanpakken.

Toch strookt de houding van Veerman niet met zijn reputatie als no-nonsense-bestuurder, zoals hij onder meer heeft laten zien toen hij de Landbouw Universiteit in Wageningen in korte tijd wist te hervormen en met de wijze waarop hij in 1996 de fusie van de Nederlandse veilingen tot The Greenery aanpakte. Ook heeft Veerman bij de kabinetsformatie duidelijk te kennen gegeven dat hij straks alleen beschikbaar is voor de functie «als hij alle ruimte krijgt om de intensieve veehouderij drastisch te hervormen».

Hij kan door de enorme kosten en de sentimenten bij het doden van zoveel dieren niet meer heen om het besef dat de grenzen van het toelaatbare binnen de veehouderij en de pluimveesector ver zijn overschreden. Net als zijn voorganger zegt hij al langer dat, als deze bedrijfstak wil overleven, er gekozen moet worden voor kwaliteit en niet voor kwantiteit.

Vóór zijn aantreden op het ministerie had Veerman zich als lid van de CDA-landbouwcommissie geprofileerd: als iemand met stevige hervormingsplannen. «Ik wil het respect voor de landbouwsector in de samenleving herstellen, en andersom, het respect van de landbouwsector voor de samenleving. De sector moet de wil hebben om een goede, maatschappelijk verantwoorde plek in de samenleving in te nemen», schrijft Veerman in een nota van het CDA. Hij hekelt het «verdingelijken» van flora en fauna en rekent af met extreme opvattingen over economische doelmatigheid en kortzichtig marktdenken zoals die in de afgelopen decennia zijn toegepast in de landbouw. Het gesleep met dieren over lange afstanden moet afgelopen zijn. Veerman pleit voor bereidheid in de samen leving om publieke middelen in te zetten voor meer alternatieve landbouwvormen als natuurbeherende landbouw, biologische landbouw en multifunctionele landbouw. Een «groene tax» voor producten die duurzaam worden voortgebracht zou volgens hem een van de oplossingen zijn.

Maar in de nota is tussen de regels door te lezen dat Veerman de traditionele CDA-achterban in de periferie graag de hand boven het hoofd houdt. Boeren die het goed doen, moeten worden beloond. Maar boeren die niet willen veranderen, wenst hij niet (zoals Brinkhorst wél wilde) te straffen. «Krimpen» van de landbouw is bij hem niet aan de orde. Volgens de minister moet er eerder een breuk komen in onze cultuur van consumeren en produceren. Hierin presenteert hij zich als een romantische CDA’er die spreekt over «de terugkeer van de oude boerenethiek van eerbied voor de natuur en de zorg voor wat haar is toevertrouwd, als de enige stabiele grondslag van een verantwoorde en veilige voedselproductie en bijgevolg consumptiegedrag». Veerman is voorstander van een soort ethisch reveil in de landbouw: betere omgang met plant en dier zoals die vroeger (dat wil zeggen lang voor de biologische revolutie) wel bestond. Hij neemt het op voor de eerlijke boer «die zich bedreigd en in de hoek gezet voelt». «Wij willen daarom als CDA naast de boerengezinnen staan en hen ondersteunen.»

Als Veerman aanblijft op Landbouw, is het dus maar de vraag wat er terecht zal komen van zijn goede voornemens. Onlangs beweerde hij weliswaar door de vogelpest «politiek wakker te zijn geschud», maar in het licht van zijn professionele carrière mag worden verwacht dat zijn sentimentele opvattingen over het boerenleven het wel moéten afleggen tegen de noodzaak van verregaande hervormingen.

De 54-jarige Zeeuw, die cum laude afstudeerde in de economie aan de Erasmus Universiteit en in 1983 promoveerde aan de Landbouw Universiteit Wageningen, staat bekend als een goede manager met een heldere visie. Jarenlang heeft hij zijn diverse hoogleraarschappen en wetenschappelijke activiteiten gecombineerd met hoge bestuursfuncties. Zo was hij in Wageningen tussen 1997 en 2001 verantwoordelijk voor een grootscheepse reorganisatie en modernisatie van de universiteit. In deze stad met een wereldreputatie op gebied van landbouw galmt zijn naam positief na als «een drastisch hervormer die het uitstekend heeft gedaan». Oud-rector magnificus Cees Karssen werkte in die tijd nauw met hem samen: «Veerman heeft voortreffelijk leiding gegeven aan een operatie die niet bepaald makkelijk was. Hij deed het niet te snel maar ook niet te langzaam, iemand met een kaarsrechte koers.»

De universiteit werd bestuurlijk samengevoegd met de Directie Landbouwkundig Onderzoek (DLO) — een directie die voorheen viel onder het ministerie van Landbouw — tot het gezond draaiende University Research Centrum. Ondertussen moest er ook worden bezuinigd. «Maar desondanks is onze naam internationaal goed gebleven en trekken de studentenaantallen sinds kort weer fors aan. Dat mag gerust knap worden genoemd, want reorganiseren en bezuinigen gaat altijd gepaard met veel pijn», aldus Karssen.

Een handige ondernemer, een kundig bestuurder en een overtuigd ideologisch christen, dat is ook een typering van Cees Veerman. Zelf zegt hij door drie mensen politiek te zijn geïnspireerd: door Ruud Lubbers, vanwege zijn no nonsense-houding; door de jonge antirevolutionair Groen van Prinsteren als het gaat om de beginselen, en door Sicco Mansholt om de energie en ambitie waarmee hij landbouwpolitiek bedreef.

Maar ook is duidelijk dat Veerman zijn vingers niet wil branden aan de heilige boeren. Daarmee lijkt hij voorbij te gaan aan het cynisme onder de veehouders zelf. Kippenhouders bouwen in twee maanden tijd honderd gram pluis om tot een kip van tweeënhalve kilo, die vervolgens wordt afgemaakt en verwerkt tot een hapklare brok voor de supermarkt. Zij malen niet om het vernietigen van tienduizenden stuks «vee». Veerman zou om te beginnen zijn nostalgische beeld van het platteland wat moeten bijstellen.

Dan is er nog het bureaucratische Brussel, dat als richtlijn heeft dat inenten duurder is dan ruimen. Daarover zegt Veerman nu dat dit zal moeten veranderen. Niet in de laatste plaats is de consument ook schuldig. Als Veerman echt werk gaat maken van andere productiemethoden zal hij de mentaliteit van de verwende kopers moeten beïnvloeden. Want als er dier- en milieuvriendelijk gemaakte producten in de winkels komen te liggen, dan mag er niet worden gezeurd dat de prijs veel hoger ligt, het vlees minder rood kleurt, de melk vettig smaakt en de kip «vlezig» is.