11 januari 1925 - 2 december 2013

Mance Post

Ze was de snelste bejaarde van de grachtengordel en bleef tot op hoge leeftijd illustraties maken bij kinderboeken. Olifanten klommen het mooist in bomen als zij ze tekende.

‘Het is geen nieuwe carrière, wel een nieuw avontuurtje’, grapte Mance Post bijna twee jaar geleden in de literaire salon van de Amsterdamse boekhandel Schimmelpennink. Op advies van haar redacteur bij Querido had ze – ver in de tachtig, nog nooit een computer gehad – een iPad aangeschaft, omdat illustreren op papier niet meer lukte. ‘Ik heb een afwijking aan mijn ogen die ik zelf ook niet snap’, zei ze. ‘Ik kan mijn pen op het papier niet meer volgen. Op het verlichte schermpje van de iPad kan ik met mijn vinger nog wel iets maken. Maar het is totaal anders dan wat ik vroeger deed. Misschien moet ik een pseudoniem nemen.’

Humor bleef Mance Post tot het einde toe houden, maar daaronder lag de frustratie over haar almaar verminderende gezichtsvermogen. Toch vond de illustratrice dat ze niet mocht mopperen, ze had immers net nog een boek uitgebracht, Een lied voor de maan. Van nieuw werk is het daarna niet meer gekomen. Afgelopen week stierf Post, bekend van de illustraties bij Guus Kuijers Madelief, Annie M.G. Schmidts Waaidorp en de dierenboeken van Toon Tellegen, op 88-jarige leeftijd. Haar ogen hadden haar inmiddels nog verder in de steek gelaten.

Hermance Berendina Post werd in 1925 geboren in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Omdat ‘Mansje’ aan chronische bronchitis leed, moest ze een groot deel van haar jeugd binnen doorbrengen. Haar vader was huisschilder, maar hield erg van tekenen en liet zijn kinderen hier ook mee experimenteren. ‘Er was altijd papier, er waren altijd potloden, maar het was niet zo dat de hele familie juichend om mij heen stond als ik weer een poppetje had getekend’, zei de illustratrice daar later over. ‘Goddank niet.’ Op haar zevende verhuisde het gezin naar Haarlemmermeer, waar Post tot haar 25ste woonde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam ze de tekenlessen op het Montessori Lyceum over van haar leraar Piet Klaasse, die moest onderduiken. Haar jeugdherinneringen tekende ze later op in haar eerste eigen boek: Ik woonde in een leunstoel.

Nadat ze acht jaar les had gegeven op haar oude middelbare school werd ze fulltime illustrator. Met knipsels in zwart-wit illustreerde ze in 1955 een kinderpoëziebundel van Han G. Hoekstra, maar net zo veel plezier had ze in het opvrolijken van schoolboeken vol Franse grammatica. Terug in Amsterdam trok ze van kamer naar kamer, omdat ze als ongetrouwde vrouw geen recht had op een zelfstandige woning. ‘Het was verdomd moeilijk om elke keer weer te zien dat ik onder dak kwam’, vertelde ze tijdens een interview in 2005, vlak na haar tachtigste verjaardag. ‘Het was handiger geweest als ik had gedacht: nou, doe Piet dan maar. Of Kees. Maar ik wilde niet zomaar met iemand trouwen.’

Op haar 37ste betrok ze een souterrain op de Prinsengracht en besloot ze dat het klaar was met al het onderhuren. Ze maakte van haar raam haar voordeur en woonde sindsdien ‘praktisch op straat’ – maar eindelijk op zichzelf. Het kolenhok toverde ze om tot keukentje en haar stoep bouwde ze vol met grote planten in potten, zodat het net leek of ze een echt voortuintje had. Jarenlang klauterde ze via een oud mahoniehouten scheepstrapje haar woning in, maar dat vonden mensen uit haar omgeving te gevaarlijk worden. Annie M.G. Schmidt stond soms met grote angstogen voor haar raam. ‘Ze durfde niet meer in het gat te springen’, zei Post daar later over. Daarom liet ze een degelijke, houten trap tegen de muur zetten.

Medium illustratie mance post

Met uitzicht op de benen van voorbijgangers tekende ze van achter haar bureau Madelief, het personage van kinderboekenschrijver Guus Kuijer dat met haar slordige staartjes en spannende avonturen de slaapkamers van vele kinderen binnenwandelde. Haar buurtkinderen – die haar volgens eigen zeggen vooral kenden als ‘dat halve omaatje’, omdat ze vaak alleen haar bovenlichaam konden zien – liet ze regelmatig model staan voor haar potloodtekeningen. Aan hetzelfde bureau kwamen jaren later de dieren van Toon Tellegen in linoleumsneden tot leven: de olifant die in bomen kon klimmen en de eekhoorn die zo graag brieven ontvangen wilde. Ook deze dieren verbeeldde ze het liefst zo realistisch mogelijk. ‘Toen ik een keer een liggende kameel nodig had, heb ik een neef gevraagd plaatjes voor mij te zoeken op internet’, zei ze in 2005. ‘Dat was makkelijker dan drie dagen in Artis te wachten totdat er eentje zou gaan liggen.’ Trouw aan één techniek bleef ze nooit, wat haar betreft kon het altijd weer anders.

Een tijd lang ging Post er prat op te behoren tot het ‘exclusieve gezelschap van penseellozen’: terwijl heel Nederland inmiddels bekend was met haar illustraties had zij nog nooit een prijs ontvangen voor haar werk. Dat veranderde op slag toen zij in 2006 de Zilveren Penseel kreeg voor de illustraties bij Midden in de nacht van Toon Tellegen, in 2007 gevolgd door de prestigieuze Max Velthuijs-prijs voor haar hele oeuvre. Ze was blij met deze erkenning – ze zat inmiddels al ruim vijftig jaar in het vak – maar vond ook dat er niet te hoogdravend over moest worden gedaan. Post deed gewoon haar ‘ambacht’ zoals ze dat zelf noemde.

In de afgelopen decennia groeide Post met haar kleine knotje, rake opmerkingen en wonderbaarlijke tuintje uit tot een fenomeen in de buurt. Met haar rollator, die ze ’s nachts met een dik kettingslot tegenover haar huis parkeerde, wandelde ze dagelijks over de gracht. ‘Als ik dat wagentje bij me heb, kan ik een flink tempo bereiken’, zei ze een paar jaar geleden nog. ‘Misschien ben ik wel de snelste bejaarde van de grachtengordel.’ Mensen vroegen wel eens of ze niet wilde verhuizen naar een bosrijke omgeving, weg uit het drukke centrum van Amsterdam. Maar daar wilde ze niets van weten. ‘Ik ben een ras-Amsterdammer. Als ik op tv naar een programma over het buitenland kijk, krijg ik al heimwee.’

Trouw aan één techniek bleef Mance Post nooit

Beeld: 1: Chantal Wouters, 2: Mance Post