Kunst: De broeders van Davos

Mangel aan traditie

Door zijn vriendschap met Jan Wiegers werd de Duitse expressionistische schilder Ernst Ludwig Kirchner begin twintigste eeuw de inspirator van de Groninger kunstenaarsvereniging De Ploeg. Kunst is leven, leven is kunst.

Medium kirchner 20  20sertigtal

Samen met directeur Jan Rudolph de Lorm van museum Singer Laren blader ik door de documenten voor de tentoonstelling Kirchner: Paradijs in de bergen. Afbeeldingen van de meeste schilderijen en houtsneden komen mij bekend voor. Maar ik wist niet dat er ook een fotograaf Kirchner is geweest. Hij fotografeerde weidse panorama’s en steile berghellingen. Ook vrienden en vriendinnen die op bezoek kwamen fotografeerde hij, evenals met de bergen vergroeide knoestige oudjes. Frappant zijn de vele opnamen van elegante, naakte dames onbekommerd dansend door de bossen of spelend bij een bergbeek. Soms zijn ze genomen tijdens het liefdesspel en een enkele keer richt een van hen zich uitdagend tot de fotograaf. Kennelijk betekende Körperkultur voor Ernst Ludwig Kirchner ook het bedrijven van de vrije liefde. Hoog in de bergen bij Frauenkirch Davos wilde de stadsmens Kirchner leven in harmonie met de natuur.

De Lorm vertelt ondertussen enthousiast over de keuze van de werken voor zijn tentoonstelling. Hij toont me een houtsnede die ik nooit eerder zag, een onwaarschijnlijk grote houtsnede met een merkwaardige voorstelling, kennelijk symbolisch, gepresenteerd in een expressionistische vormentaal (afb. 1). Het beeldvlak is symmetrisch gestructureerd door de enorme berg in het midden. Langs de beide hellingen stuiteren naakten omhoog in kennelijke extase. Hun profane processies ‘gipfeln’ bij een man op de top. Hij is gemakkelijk te herkennen, want het is Ernst Ludwig Kirchner zelf. Wat is dit voor optocht?

In de decennia rond 1900 waren er overal kunstenaarskolonies die samenleefden met de natuur, ver van de hectische wereld van de grote stad. Dat gebeurde bijvoorbeeld ook in het Gooi. Maar Frauenkirch Davos was van een andere orde, dat heeft Kirchner met zijn houtsnede laten zien. In de Alpen groepeerden de gelukszoekers zich rond dat ene genie op de top, die ene kunstenaar, de grootste van zijn tijd, ja van alle tijden. Het meest wonderlijke van zijn voorstelling is nog wel het centraal gelegen ronde, schematisch aangegeven bergmeer, of beter gezegd, symbool van een bergmeer. Daarin ziet de Übermensch op de top zichzelf weerspiegeld: Kirchner die zichzelf als Narcissus herkent. Zelfreflectie hadden zijn psychiaters hem in elk geval wel bijgebracht, maar zijn ‘Paradijs in de bergen’ blijft een narcistisch koninkrijk.

Bij Kirchner, bij deze topper in de kunst, kwam in het voorjaar van 1920 een kunstenaar uit Nederland wonen: Jan Wiegers uit Groningen. Hij behoorde niet tot de kunstenaars die naar Davos kwamen om het genie Kirchner te bewonderen, hij was naar Zwitserland gereisd om te genezen van een longziekte. Reis en verblijf werden gefinancierd door leden van kunstenaarsvereniging De Ploeg, waarvan Wiegers een prominent lid was. Al gauw mocht hij het sanatorium verlaten en vestigde hij zich met vrouw en kind in een huis vlak bij dat van Kirchner. Ze leerden elkaar kennen doordat ze dezelfde arts hadden. Tussen de kunstenaars ontstond een hechte vriendschap die grote gevolgen zou hebben voor de persoon en het werk van Jan Wiegers.

Door Wiegers’ verblijf in Davos maakten ook zijn kunstbroeders kennis met waar het om ging in de ‘moderne kunst’. Het was alsof de lont in het kruitvat was gestoken. Velen gingen schilderen op de manier van Duitse expressionisten. Sommigen keken vooral naar wat er in de moderne kunst in Frankrijk gebeurde en een enkeling ontdekte in het constructivisme de beeldtaal waarin hij zich wilde bekwamen. Het ging met een energie en een aplomb alsof ze die talen zelf hadden uitgevonden. Zelden hebben herbelevingen van moderne stromingen met zoveel intensiteit en kwaliteit vorm en kleur gekregen. Ook wanneer je braaf Drentse landschapjes bleef schilderen moest je je nu in Groningen verhouden tot de modernisten van De Ploeg.

Medium ernst 20ludwig 20kirchner 2c 20groot 20liefdespaar 20 echtpaar 20hembus  20 grosses 20liebespaar 20 ehepaar 20hembus   2c 201930 2c 20olieverf 20op 20doek 2c 20151 20x 20112 20cm 2c 20kirchner 20museum 20davos

Wanneer je portretfoto’s van Jan Wiegers naast foto’s van zijn vriend Kirchner legt, zie je dat het totaal verschillende mensen waren. Kirchner was in 1920 de versleten dandy, de grootstedeling die verteerd door drank, drugs en depressies zijn heil zocht bij de artsen en psychiaters in de frisse berglucht van Davos. Wiegers was de onbevangen jongen uit de provincie, die met een open blik de wereld in keek. Hoe gingen die mannen met elkaar om? Praatten ze alleen over schilderen? Over wasverf bijvoorbeeld, waarmee Kirchner zulke mooie, gladde kleurvlakken kon schilderen, een techniek die Wiegers overnam. Behandelden ze politieke onderwerpen? Waarschijnlijk niet. Deed Wiegers mee aan naaktlopen in de bergen en het bedrijven van vrije liefde? Allemaal vermoedens; hij maakte wel dezelfde houten beelden van extreem voluptueuze blote dames als die Kirchner op de achtergrond van zijn liefdesscènes plaatste.

Eén ding is zeker. Ondanks het feit dat Wiegers in Davos zijn expressionistische stijl heeft ontwikkeld zag Kirchner hem niet als zijn leerling. Hij protesteerde zelfs met een ingezonden brief aan de Davoser Zeitung van 29 oktober 1920 tegen het feit dat Wiegers in een eerdere aflevering van de krant een leerling van hem werd genoemd: ‘Hij is niet mijn leerling, hij is mijn vriend.’ Leerling of vriend, Wiegers werd in Davos een Nederlandse Kirchner, zonder epigoon te zijn. De mooiste documentatie daarvan vormen de portretten die beide kunstenaars van elkaar in hun atelier hebben geschilderd (afb. 2 en 3). Het portret van Wiegers bevindt zich in Groningen, dat van Kirchner in Davos. Het is een bijzondere prestatie van het Singer dat ze nu naast elkaar in het museum te zien zijn.

De overeenkomsten domineren. Beide schilders zien af van de suggestie van dieptewerking. Kirchner doet dat principiëler dan Wiegers. Bij de Nederlander is er nog altijd iets van een figuur op de voorgrond en een ruimte achter hem te zien. Kirchner bouwt echter een totale compositie van sterke kleurvlakken tot een streng systeem van horizontalen en verticalen op. Daardoor lijkt het schilderij op een tapijt van heftige kleurcontrasten. Het schilderij van Wiegers is veel directer. Dat zie je aan de manier waarop de verf is aangebracht, maar het is ook minder doordacht. Het is een onbevangen geschilderd portret met een spontane ordening van kleuren en motieven. Maar dat Wiegers daarbij veel aan Kirchner te danken heeft is onmiskenbaar. Wiegers-kenner Han Steenbruggen vertelt een frappante roddel die duidelijk maakt dat op Wiegers niet alleen de schilderstijl, maar ook de levensstijl van zijn nieuwe vriend grote indruk maakte. Eenmaal terug in Groningen hoorde Wiegers van een buitenechtelijke relatie van een van zijn mede-Ploegers. Waarop hij besloot om aan zijn portret van Kirchner een soort logo van een minnend paar toe te voegen. Alsof hij wilde zeggen: ‘Daar hoog in de bergen past dat beter dan hier in Groningen.’

Het is niet zo dat de kennismaking met Kirchners werk in Davos Wiegers pas de ogen opende voor de moderne kunst. Hij had al drie jaar door Duitsland gereisd, van 1911 tot 1914, waar hij in Düsseldorf aan de academie lessen volgde en daarna in Frankfurt en München werkte. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak moest hij naar Nederland terugkeren. We weten dat hij tijdens zijn Wanderjahre in 1912 de spectaculaire Sonderbund Ausstellung in Keulen bezocht, waar meer dan honderd Van Goghs hingen en 32 werken van Edvard Munch. Op zijn kunstbroeders in Groningen was hij door zulke ervaringen ‘een stapje vooruit’, vooral wat betreft zijn ‘vrijmoedige omvorming van de natuur’, zoals mede-Ploeg-lid Jan Jordens schreef.

Uit zijn werk blijkt dat hij op reis zijn ogen terdege de kost gaf in de wereld van de moderne kunst, maar dat hij uit de veelheid van indrukken nog geen duidelijke keuze maakte. Van Kirchners kunst is dan nog weinig te merken. Een mooi voorbeeld van zijn oriënterend bezig zijn is een linosnede uit 1919 van Blauwborgje (afb. 4), de boerderij waar de Ploeg-leden aanlegden wanneer ze op de fiets langs het Reitdiep noordwaarts togen om de schoonheid van het Hoge Land te ontdekken, een gebied dat voorheen iedereen louter als landbouwgrond zag.

Medium ernst 20ludwig 20kirchner 2c 20zelfportret 20 selbstportra cc 88t  2c 201923  28 2c 20glasnegatief 2c 2018 20x 2013 20cm 2c 20kirchner 20museum 20davos

Het zijn deze kunstenaars die de Groninger natuur voor ons esthetisch ontgonnen. Bij Wiegers is er in die linosnede ook volop sprake van wat Jordens ‘vrijmoedige omvorming van de natuur’ noemde, een extatische compositie van golvende lijnbewegingen zonder enig atmosferisch perspectief die nog niets te maken heeft met de scherpe, hoekige lineatuur waarmee Kirchner de natuur ‘omvormde’. Hier koos Wiegers kennelijk voor Van Gogh en vooral voor Munch. Hij had blijkbaar het langdurige en intensieve contact met Kirchner nodig om een vast uitgangspunt in de moderne kunst te vinden voor de ontwikkeling van zijn werk. Daarmee werd hij de inspirator van zijn mede-Ploegers en grondlegger van het Groninger expressionisme.

De vriendschap met Kirchner had voor Wiegers ook nog een andere betekenis, een die uitgaat boven de inspiratie die hij opdeed door de beeldtaal van zijn nieuwe vriend. In Kirchner ontmoette hij de moderne kunstenaar. Iemand die volledig geloofde in zichzelf en in de betekenis van zijn werk. Iemand die bovendien deel uitmaakte van een wijdvertakt netwerk van beeldend kunstenaars, befaamde dichters, filosofen, wereldberoemde architecten, hoogwaardige opdrachtgevers en machtige galeriehouders. Iemand die behoorde tot een culturele elite. Dat moet voor Jan Wiegers uit het Groninger Kommerzijl een openbaring zijn geweest. De jongens van De Ploeg die aan de kunstacademie Minerva waren opgeleid, hadden daar vooral een vak geleerd. Leven met de kunst was voor hen nog niet leven van de kunst. Zeker niet van de moderne kunst. In Groningen was met modernisme alleen geen droog brood te verdienen. Jan Wiegers verdiende zijn geld voordat hij naar Davos reisde als meubeldecorateur bij meubelfabriek Nederland van de firma Huizinga.

Hoog in de bergen werd hij de vriend van een kunstenaar die in 1918 zijn Geloofsbelijdenis van een schilder publiceerde. De laatste regels daarvan las ik als een welkom voor Jan Wiegers: ‘Du kannst alles tun. Es ist nichts verboten. (Nur für Affen wirkt es so.) Dieses sind die Herren und Wächter der Welt, und Männer und Frauen und Leben ist Spiel, und Spiel Leben, und kein Gesetz ausser dem Trieb des Geistes (…) Sie richten dich nicht nach Gesetzen. Du richtest dich selbst. Das heiszt: du entscheidest dich.’ Voor Kirchner zijn kunstenaars degenen die pas werkelijk leven; zij horen bij een ‘geistliche Wache der Welt (…) Sie sind einsam und doch alle zusammen’.

Stel je voor, je komt in 1920 naar de bergen om weer gezond te worden en daar ontmoet je iemand die je verwelkomt als een lid van die geistliche Wache der Welt. Je hoort nu tot de redders van de wereld, sie sind einsam und doch alle zusammen. Je krijgt de gelegenheid om dagelijks om te gaan met zo’n eenzame, die je dankzij jouw kunst opneemt in dit elitekorps. Als dat geen zelfvertrouwen geeft, wat dan wel?

Dat vertrouwen nam Wiegers mee naar huis en daar straalde het af op zijn mede-Ploegers, getuige het manifest dat de vereniging in 1927 uitgaf met de titel De Ploeg Groningen Holland. De tekst is van Johan Dijkstra, de typografische vormgeving van Hendrik Werkman. Het Duits, hoe onbeholpen ook, maakt duidelijk dat men zich wilde richten op een internationaal publiek: ‘ARBEITER/ waren die meisten von uns/ HANDWERKER/ zum Bewustsein erwacht./ INTELLECTUELLE/ zum HANDWERK getrieben./ Alte, schlümmernde Rasseneigenschaften/ wurden umdistillirt zu feurigeren Werten / BOHEMIENGEIST (FREIHEITSSINN), MODERNISMUS,/ INTERNATIONALISMUS, URPROVINZIALISMUS/ war die Basis unseres Denkens,/ gepaart mit ungebändigtem WAGEMUT/ und MANGEL AN TRADITION.’

Het is heftig, duidelijk en ook ontroerend. Zo graag wilden Groninger kunstenaars dus bij die geistliche Wache der Welt behoren, terwijl ze wisten dat zij daar straks thuis, terug van hun stamcafé Chez Dique, bij moeder de vrouw niet mee aan moesten komen. Maar Jan Wiegers was degene die vriendschap had gesloten met een van de Wächter; hij was weer eens ‘een stapje vooruit’.

Ook uit dit manifest van De Ploeg blijkt dat het gebruikelijke denken in ismen en in beïnvloeding door stijlrichtingen absoluut onvoldoende was om duidelijk te maken waar het echt om ging. Er stond veel meer op het spel dan ‘kunstigheden’; het ging erom dat die uitdrukking konden zijn van het leven zelf. Vandaar dat Kirchner in dezelfde bijdrage aan de Davoser Zeitung waarin hij meedeelde dat hij Jan Wiegers niet als leerling zag maar als vriend, óók liet weten: ‘Zowel hij als ik hebben in ons werk met de kunstmode van het zogenaamde “expressionisme” niets gemeen.’ En dat zei degene die te boek staat als de grondlegger van het expressionisme! Het is duidelijk, Kirchner liet met andere woorden weten: ‘Echte kunstenaars laten zich niet onschadelijk maken door kunsthistorische systeembouwers. Lees mijn geloofsbelijdenis maar.’ Je hoort het hem zeggen.

Eén ding staat vast: zonder zijn opvattingen over kunst en leven en zonder het grote gezag waarmee hij daarover sprak, zou de uitstraling van Kirchner niet zo ver, tot in Groningen, hebben kunnen reiken.


Kirchner: Paradijs in de bergen is tot 10 april te zien in Singer Laren

Beeld: (1) Ernst Ludwig Kirchner, Het Sertig-dal in de herfst (Sertigtal im Herbst), 1925-26, olieverf op doek, 136 x 200 cm, Kirchner Museum Davos; (2) Ernst Ludwig Kirchner, Grosses Liebespaar, 1930, olieverf op doek, 151 x 112 cm, Kirchner Museum Davos; (3) Ernst Ludwig Kirchner, Zelfportret (Selbstporträt), 1923-28, glasnegatief, 18 x 13 cm. Bron: Kirchner Museum Davos