Manieren van ontsnapping

Voor het oeuvre van Graham Greene geldt, net als voor zijn riskante reizen naar verre landen, dat het allemaal is voortgekomen uit een door avonturenromans gevoede droomwereld, uit de eenzame jeugd van een neuroticus.

Graham Greene
A Life in Letters
Samenstelling en redactie Richard Greene
Little, Brown, 446 blz., € 29,75

‘Waar ik naar verlang is een hoogst origineel huwelijk met jou, kameraadschap & kameraadschap alleen (…).’ Dat schreef Graham Greene in 1925 aan Vivien, de vrouw die twee jaar nadien zijn echtgenote zou worden. In dezelfde brief noemde hij de voorgestelde verbintenis een ‘kloosterlijk huwelijk’. De schrijver verzekerde Vivien niet te zullen mopperen als hem een kleiner deel van haar ‘kameraadschap’ zou toevallen dan haar moeder. Hij gaf haar bovendien te verstaan dat zij zou kunnen vasthouden aan haar ‘celibataire ideaal’. Ook hijzelf zou, met haar hulp, in een voornemen van kuisheid kunnen volharden. Meer dan dat, vijf weken later werd de vroom-katholieke Vivien door haar verliefde correspondent ingelicht over diens intentie zich tot haar geloof te laten bekeren (‘als ze me willen’). Dat laatste plan is, na een periode van instructie in de rooms-katholieke leerstellingen, gewetensvol uitgevoerd.

Hoe aandoenlijk allemaal. En hoe instructief om uit de bijgeleverde toelichting te vernemen dat, ook al schonk zijn vrouw hem twee kinderen, Greenes seksuele leven zich overwegend buitenechtelijk heeft afgespeeld. Er is sprake van ‘veel korte liaisons, soms met prostituees, en hij had verschillende langdurige verhoudingen’. Norman Sherry, Greenes biograaf, heeft het in een interview met The New York Times kernachtiger uitgedrukt: volgens hem bedreef de schrijver seks met ‘iedereen die hij tegenkwam’.

Boekuitgaven met de brieven van een bewonderd schrijver zijn vaak een aangenaam bezit. Met zo’n boek kun je je even koesteren in het besef, of de illusie, het hele leven van die schrijver in je hand te hebben. Wie weet biedt zo’n collectie, die tenslotte een heel leven omspant, je op de meest directe manier inzicht in wat de schrijver dreef. Allicht heeft hij of zij zich in deze egodocumenten op de meest persoonlijke wijze geuit. Blootgegeven eigenlijk.

Het moet gezegd dat de ruimhartige selectie uit Greenes vele brieven die A Life in Letters biedt (hij schreef er jaarlijks naar eigen schatting zo’n tweeduizend) niet tegemoet komt aan zulke verwachtingen. Daarvoor maken zijn epistels te vaak een indruk van plichtmatigheid. ‘Ik schrijf alleen brieven als ik brieven ontvang’, meldde hij als 68-jarige. Eerder al omschreef hij zijn eigen brieven als ‘altijd zo kort en saai’. Naast de zelfopgelegde taak om iedere dag van zijn leven een afgepast stukje roman op papier te krijgen, moet zijn correspondentie het karakter van extra klussen hebben gehad. Veel brieven hebben iets ontwijkends, bijna iets afwezigs. Het is alsof Greene, heel vaak op reis, liefst naar gevaarlijke streken, en met altijd wel een roman op stapel, als zoveel romanciers veeleer een waarnemer dan een deelnemer is geweest. Tegelijkertijd lijkt meer dan iets anders angst voor verveling hem te hebben voortgedreven. Zijn onvermogen tot bestendige relaties wijst in dezelfde richting.

Het tweede deel van zijn memoires draagt een titel die eigenlijk al Greenes uitingen typeert: Ways of Escape. Toen in de oorlog zijn huis was weggebombardeerd (zijn familie was geëvacueerd en ook hijzelf had zich niet thuis bevonden), toonde hij zich tegenover Malcolm Muggeridge bijna opgelucht. Anthony Powell vernam van hem: ‘Londen is buitengewoon plezierig deze dagen met alle open ruimten en het ietwat Mexicaanse effect van geruïneerde kerken.’ Even karakteristiek is Greenes relaas over zijn ervaring in Israël, dat hij bezocht vlak na de Zesdaagse Oorlog van 1967. Hij kwam toen met een reisgenoot als ook hun chauffeur terecht in het schootsveld van een vuurgevecht met mortieren en antitankgeschut, dat het trio overleefde door zich urenlang schuil te houden in een snikheet duinpannetje. Zijn beschrijving van het incident eindigt met de woorden: ‘Much cheered up.’

Met obsessieve ijver is Graham Greene op zoek gebleven naar ontberingen en gevaren: in Afrika, Latijns-Amerika, in Zuidoost-Azië. Richard Greene, samensteller van deze verzameling brieven (uit niets blijkt een familieconnectie), herhaalt in zijn alleszins behulpzame notities wat de romancier meermalen heeft laten weten: hij leed aan het ziektebeeld dat te boek staat als manisch-depressieve psychose. Na zijn debuut in 1929 (het droeg de suggestieve titel The Man Within) vervolmaakte hij in een lange reeks romans de kunst om een veelheid aan personages te creëren. Hij bracht dit in verband met zijn acceptatie van verscheidene personen in zijn borst: ‘Ik bestrijd hen niet, ik aanvaard hen.’ Elizabeth Bowen vernam van hem per brief over de ontmoeting met een boer, die zich buitengewoon tevreden toonde over twee knechten, allebei krankzinnig en zeer trouw. ‘Maar natúúrlijk waren ze trouw; ze waren de geconditioneerde schepsels van de brave new world.’ Geïntegreerd zijn betekende voor Greene: geconditioneerd zijn, dus krankzinnig. Ontrouw en rebellie dringen zich in zijn universum naar voren als levensvoorwaarden.

Deze zoon van een leraar annex schoolhoofd was toch niet in staat zich de codes eigen te maken die ‘old boys’ plegen te beleven, zoals een levenslange loyaliteit aan hun vroegere school. Voor Greene was het nog maar de vraag waarom iemand ‘zich meer loyaal zou voelen aan een school die betaald wordt om te onderwijzen dan aan een slager die betaald wordt om hem te voeden’. Schrijvers dienden in zijn ogen een totale onafhankelijkheid te bewaren; het zou zelfs tot hun taken behoren korrels zand in de machinerie van de staat te gooien. Loyaliteit was iets voor soldaten; schrijvers, de verdedigers van het individu, moesten deloyaal zijn.

In hetzelfde licht wenste Greene zijn verstandhouding met Kim Philby te zien. De spion voor de Sovjet-Unie, die naar dat land was gevlucht toen men hem op het spoor was, bleef levenslang een goede en gewaardeerde vriend, ook toen Greene zijn boeken niet langer in de Sovjet-Unie liet verschijnen, uit protest tegen de behandeling van dissidenten. ‘Ik heb nooit geloofd in het primaire belang van trouw aan je land’, liet hij een correspondente weten. ‘Trouw aan individuele mensen lijkt mij heel wat belangrijker.’ Dat was in 1990, één jaar voor zijn dood en na een leven propvol seksuele ontrouw.

Het is ook wel grappig Greenes reactie te lezen op een voorstel dat hem was gedaan door Catherine Walston, een vrouw die katholiek was geworden na het lezen van zijn boeken (hun jarenlange verhouding leidde in 1951 tot zijn roman The End of the Affair). Blijkbaar had Catherine voorgesteld aan hun affaire in het vervolg geen lichamelijke uitdrukking meer te geven. Greenes afwijzing van dit idee ging gepaard met een verwijzing naar Gods wil, die nu eenmaal onkenbaar is. Met de hier in het begin geciteerde brief levert het een fraai chiasma op.

De scribent die verantwoordelijk was voor een toneelbewerking van Greenes roman The Power and the Glory kreeg van de romancier deze aanwijzing: ‘Een religieus idee is dikwijls een paradoxaal idee en ik geloof niet dat men de paradox te veel moet gladstrijken.’ Met andere woorden, metafysica die wordt blootgesteld aan het onbarmhartige licht van de ratio verliest veel van haar kracht. In bijna al Greenes romans vind je sporen van de godsdienst waartoe hij zich heeft laten bekeren. Hun functie lijkt eruit te bestaan het soortelijk gewicht van de intriges te verhogen. In The End of the Affair, ogenschijnlijk een banale liefdesgeschiedenis, treedt Greenes god op als een deus ex machina: het gebed van een vrouw om bij een bombardement tijdens de Blitz haar minnaar te sparen, in ruil waarvoor ze belooft de overspelige relatie met hem te zullen beëindigen, wordt verhoord. Geen wonder dat Greenes collega Evelyn Waugh, net als hij een katholieke bekeerling, enthousiast was over dit werk van zijn vriend. In Waughs Brideshead Revisited, de meest rooms-katholieke roman van de moderne Engelse letteren, wordt de apotheose geleverd doordat iemand op zijn sterfbed berust in het ondergaan van de kerkelijke rituelen. Daarbij vergeleken heeft Greene het religieuze element in zijn kunst heel wat subtieler verpakt.

Bij het vorderen met de lectuur van A Life in Letters zie je hem trouwens behalve ouder ook steeds minder gelovig worden. In een brief uit 1989 aan een bevriende jezuïet noemt hij zichzelf hoogstens (‘op z’n ergst’) een ‘katholiek agnosticus’. Waarschijnlijk is Greene veel minder geïndoctrineerd door de godsdienst die hij koos als volwassen man dan door de ondervindingen uit zijn jongensjaren. Zoals hij in een essay over Charles Dickens schreef: ‘(…) de creatieve schrijver merkt zijn wereld voor eens en altijd op in de kindertijd en adolescentie’.

Een ander essay van Greene (The Lost Childhood) onthulde dat het de in zijn jeugd gelezen spannende verhalen van Rider Haggard waren geweest die hem later naar koloniale dienst in Afrika hadden gedreven. Zelfs bevatte dat stuk de suggestie dat hij zijn leven grotendeels had laten bepalen door de boeken die hij in zijn eerste veertien jaar verslond, meeslepende geschiedenissen die zich stuk voor stuk voordeden als ‘een kristal waarin het kind droomde dat hij zijn leven zag bewegen’. Uit een van zijn brieven (1980) blijkt dat hij Conan Doyle kon herlezen, maar niet Virginia Woolf of E.M. Forster: ‘maar ik ben dan ook geen letterkundige’.

Lezers van Greenes laatste roman, The Captain and the Enemy uit 1988, kunnen zich laten betoveren als door een kristal, dat alles weerspiegelt wat de schrijver een leven lang bezighield. Het boek bevatte de treurige realiteit van de buitenlandpagina’s, de gevolgen van Amerikaans imperialisme voorop, maar niet minder de gedroomde ontsnapping naar exotische en romantische kusten: ‘die wereld van Valparaiso waarover ik als kind had gedroomd (…), de aantrekkingskracht van het mysterieuze, onzekerheid, de afwezigheid van monotonie, het allerergste kenmerk van gezinsleven’. Het is een ironische gedachte, maar eigenlijk geldt voor het oeuvre van Graham Greene net als voor zijn riskante reizen naar verre landen, met inbegrip van de in zijn correspondentie aangestipte ontmoetingen met guerrillero’s en Latijns-Amerikaanse leiders als Salvador Allende en Fidel Castro, dat het allemaal is voortgekomen uit een door avonturenromans gevoede droomwereld, uit de eenzame jeugd van een neuroticus.