Essay Het land is moe

Manifest voor een nieuwe politiek

De westerse welvaartsstaat brokkelt verder af. Door de kritiekloze bewondering voor de onbegrensde vrije markt en de minachting voor de publieke sector nemen de verschillen tussen arm en rijk toe. Het wordt tijd om een nieuwe politieke taal te ontwikkelen.

Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop wij vandaag de dag leven. Dertig jaar lang hebben we de jacht op materieel eigenbelang als een deugd beschouwd; die jacht is tegenwoordig zelfs het laatste restant van ons gevoel voor een collectieve zaak. We weten wat dingen kosten, maar we hebben geen idee wat ze waard zijn. Van een rechterlijk oordeel of een juridische stap vragen we ons niet meer af of die terecht, eerlijk, rechtvaardig of juist is, en al helemaal niet of die zal bijdragen aan de totstandkoming van een betere maatschappij of een betere wereld. Hoe moeilijk de antwoorden soms ook konden zijn, ooit waren dat dé politieke vragen. We moeten opnieuw leren die vragen te stellen.
Het materialisme en het egoïsme die het hedendaagse leven kenmerken, zijn niet inherent aan de natuurlijke toestand van de mens. Veel van wat vandaag de dag ‘vanzelfsprekend’ lijkt - de obsessie voor het scheppen van rijkdom, de voorliefde voor privatiseringen en de particuliere sector, de groeiende ongelijkheid tussen rijk en arm - dateert van de jaren tachtig van de vorige eeuw. En dat geldt zeker voor de retoriek waarmee die kenmerken gepaard gaan: kritiekloze bewondering voor een onbegrensde vrije markt, minachting voor de publieke sector en het waandenkbeeld van de onbeperkte groei.
We kunnen niet op deze wijze blijven voortgaan. De kleine crisis van 2008 bracht in herinnering dat het ongebreidelde kapitalisme zijn eigen ergste vijand is. Vroeg of laat valt het aan zijn eigen excessen ten prooi en zal het zich voor redding tot de staat wenden, maar als we niets anders doen dan de scherven bijeenvegen en op de oude voet voortgaan, kunnen we de komende jaren nog veel grotere opschudding verwachten.
We blijken echter niet in staat om alternatieven te bedenken, en ook dat is nieuw. Tot zeer kort geleden voltrok het openbare leven in liberale samenlevingen zich in de schaduw van het debat tussen verdedigers van het 'kapitalisme’ en de criticasters ervan; die laatsten vielen meestal in de categorie van een of andere vorm van 'socialisme’. In de loop van de jaren zeventig verloor die discussie voor beide kanten veel van zijn betekenis, maar het onderscheid tussen 'links’ en 'rechts’ behield zijn nut, niet in het minst als kapstok om kritische beschouwingen over eigentijdse zaken aan op te hangen.
Aan de linkerkant sprak het marxisme vele generaties jongeren aan, al was het alleen maar omdat het een manier bood om afstand van de status-quo te nemen. Hetzelfde gold in grote lijnen voor het klassieke conservatisme: een goed onderbouwde afkeer van overhaaste veranderingen bood onderdak aan degenen die moeite hadden met het loslaten van gevestigde gebruiken. Vandaag de dag lukt het links noch rechts vaste grond onder de voeten te vinden.
Studenten hebben dertig jaar lang bij mij geklaagd dat ik makkelijk praten had: 'Jouw generatie had ideeën en idealen, jullie geloofden ergens in, jullie konden veranderingen teweegbrengen. Wij (de kinderen van de jaren tachtig en negentig) hebben niets.’ Die studenten hadden in veel opzichten gelijk, want het wás voor ons ook makkelijk, net zoals het in elk geval in dit opzicht ook makkelijk was voor de generaties die ons voorgingen. De laatste keer dat een groep jongeren vergelijkbare frustraties over de leegte van hun leven en de ontmoedigende doelloosheid van hun bestaan uitte, was in de jaren twintig van de twintigste eeuw; historici spreken niet voor niets over een 'verloren generatie’.
Dat jongeren vandaag de dag zoekende zijn, is niet het gevolg van een gebrek aan doelstellingen. Gesprekken met studenten of middelbare-schoolkinderen leveren een uitgebreide opsomming van zorgen op. De generatie die momenteel opgroeit is bijvoorbeeld buitengewoon bezorgd over de wereld die zij zullen erven. De angst daarover gaat echter gepaard met een algemeen gevoel van frustratie: 'we’ weten dat er iets mis is en er zijn veel dingen die we niet goed vinden, maar waar kunnen we in geloven? Wat moeten we doen?
Dat is een ironische omkering van instelling in vergelijking met vroeger tijden. In het tijdperk van de zelfverzekerde, radicale dogma’s waren jongeren immers allesbehalve onzeker. Was de kenmerkende toonzetting van de jaren zestig er niet een van een buitensporige zekerheid dat wij precies wisten hoe we de wereld konden verbeteren? Die toon van op niets gebaseerde arrogantie is ook een van de oorzaken van de reactionaire tegenstroom die erop volgde, en als links iets van zijn voorspoed wil heroveren is bescheidenheid op zijn plaats. Maar om een probleem op te lossen zal het toch echt benoemd moeten worden.

Veel Europese landen brengen al langere tijd iets wat op sociaal-democratie lijkt in de praktijk, maar ze zijn vergeten hoe ze hun beleid moeten bepleiten; hedendaagse sociaal-democraten zijn schuldbewust en in de verdediging gedrongen. Critici die stellen dat het Europese model te duur dan wel economisch inefficiënt is, krijgen onvoldoende weerwoord. Toch is de verzorgingsstaat onder degenen die er voordeel van hebben geliefder dan ooit: in Europa is nergens draagvlak voor de afschaffing van de openbare gezondheidszorg, beëindiging van gratis dan wel gesubsidieerd onderwijs of terugdringing van bemoeienis van de overheid in het openbaar vervoer en andere essentiële diensten.
Zeker, de verschillen zijn de afgelopen jaren aanzienlijk teruggedrongen, maar in de eerste jaren van deze eeuw heeft de 'Washington-consensus’ terrein gewonnen. Waar je ook ging, overal bepleitten economen dan wel 'deskundigen’ de voordelen van deregulering, een teruggetreden overheid en lage belastingen. Het leek erop dat alles wat de overheid kon, door particulieren beter kon worden gedaan.
De opkomst van deze in Washington ontwikkelde doctrine werd toegejuicht, door iedereen, van degenen die hadden geprofiteerd van het 'Ierse wonder’ (de explosieve groei van de Ierse economie) tot de ultrakapitalisten in het voorheen communistische deel van Europa. Zelfs 'oude Europeanen’ lieten zich meeslepen. Als bewijs van wat de Fransen het nieuwe 'pensée unique’ noemden golden bijvoorbeeld het vrijemarktproject van de EU - de zogenaamde 'strategie van Lissabon’ - en de enthousiaste privatiseringsplannen van de Franse en Duitse overheden.
Langzaam maar zeker wordt men tegenwoordig wakker. Om faillissementen van hele landen en de instorting van het bankwezen tegen te gaan hebben overheden en centrale banken opmerkelijke beleidswijzigingen moeten toepassen. Ze strooiden vrijelijk met overheidsgeld om de economische stabiliteit te herstellen en om technisch failliete bedrijven overeind te houden. Opmerkelijk veel aanhangers van de vrije markt, adepten van Milton Friedman en zijn collega’s uit Chicago, hebben het boetekleed aangetrokken en hun trouw aan de nalatenschap van John Maynard Keynes hernieuwd.
Dat is allemaal heel bevredigend, maar het is bepaald geen intellectuele revolutie. Integendeel, de reactie van de regering-Obama wekt de indruk dat de terugkeer naar het keynesiaanse model vooral een tactische terugtrekking is. Eenzelfde vaststelling kon worden gedaan ten aanzien van New Labour, dat zich als nooit tevoren verplichtte aan de particuliere sector in het algemeen en de financiële markten in Londen in het bijzonder. Een van de gevolgen van de huidige crisis is weliswaar geweest dat de liefde van de landen op het Europese vasteland voor het 'Anglo-Amerikaanse model’ flink is afgenomen, maar degenen die daar het meeste garen bij spinnen zijn dezelfde centrum-rechtse partijen die tot voor kort zo graag met Washington wedijverden.
Kort en goed: de praktische behoefte aan sterke staten en interventionistische overheden is boven elke twijfel verheven. Toch 'heroverweegt’ niemand de staat. De terughoudendheid om de publieke sector op basis van collectieve belangen en principes te beschermen, houdt stand. Het is opmerkelijk dat de sociaal-democraten het in de verkiezingen die sinds het begin van de financiële crisis in Europa zijn gehouden vrijwel zonder uitzondering slecht hebben gedaan. Ze bleken niet in het minst in staat een aansprekend antwoord op de ineenstorting van de markten te formuleren.
Als links weer serieus wil worden genomen, moet het zijn stem hervinden. Er is van alles om boos over te zijn, van de toenemende ongelijkheid in rijkdom en kansen, de onrechtvaardigheid tussen de klassen en kasten en de economische uitbuiting in binnen- en buitenland tot corruptie, geld en privileges waardoor de slagaderen van de democratie dichtslibben. Het is tegenwoordig niet langer voldoende de tekortkomingen van 'het systeem’ te benoemen en dan, als Pilatus, zonder belangstelling voor de gevolgen af te wachten. De onverantwoorde manier waarop de afgelopen tientallen jaren voor de show retoriek werd bedreven, heeft links geen goed gedaan.
We leven in een economisch, fysiek en politiek onzekere tijd. Onzekerheid kweekt angst, en angst - voor verandering, voor aftakeling, voor vreemdelingen en voor een onbekende wereld - ondermijnt het vertrouwen en de wederzijdse afhankelijkheid waar beschaafde samenlevingen op gebaseerd zijn.
Alle verandering ontregelt. We hebben kunnen zien dat het schrikbeeld van het terrorisme in staat is stabiele democratieën totaal in verwarring te brengen. Veranderingen in het klimaat zullen nog verstrekkender gevolgen hebben. Mannen en vrouwen zullen in toenemende mate op de staat aangewezen raken. Ze zullen van hun politieke leiders en volksvertegenwoordigers bescherming verlangen. In open samenlevingen zal de roep toenemen om de instroom van vreemdelingen te beperken en vrijheid op te offeren voor 'veiligheid’. De keus zal er niet langer een zijn tussen de staat en de markt, maar tussen twee soorten staten. Wij zijn het dus verplicht de rol van de overheid opnieuw te definiëren. Als wij dat niet doen, doen anderen dat wel.

Overal om ons heen zien we een individuele rijkdom die sinds de beginjaren van de twintigste eeuw niet meer vertoond was. De voorbije generatie gaf zich meer dan ooit over aan opvallende aankopen van overvloedige consumentenartikelen, zoals huizen, sieraden, auto’s, kleding en technische speeltjes. In de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en een handvol andere landen hebben financiële transacties de plaats ingenomen van de productie van goederen en diensten als bron van privé-kapitaal, waardoor het evenwicht zoek is tussen de waarde die wij toekennen aan verschillende soorten economische activiteiten. Er zijn behalve arme mensen ook altijd rijken geweest, maar in vergelijking met de rest van de mensheid zijn die rijken tegenwoordig rijker en openlijk spilzieker dan ooit. Privé-rijkdom is eenvoudig te begrijpen en te benoemen. Moeilijker is het blootleggen van de mate waarin het openbaar bezit in verval is.
Armoede is zelfs voor de armen een abstractie. De symptomen van de collectieve verarming zijn echter alom. De kapotte snelwegen, failliete steden, instortende bruggen, mislukte scholen, werkloosheid, onderbetaling en onverzekerden zijn stuk voor stuk vingerwijzingen in de richting van een collectief onvermogen. De tekortkomingen zijn zo endemisch dat we niet meer praten over wat eraan scheelt, laat staan over de mogelijkheden tot herstel. Maar er is natuurlijk iets ernstig mis. Terwijl de Verenigde Staten tientallen miljarden dollars in een tot mislukken gedoemde militaire campagne in Afghanistan steken, kibbelen wij zenuwachtig over de implicaties van hogere uitgaven door de overheid aan sociale voorzieningen en infrastructuur.
Om te begrijpen hoe diep we gezonken zijn, moeten we om te beginnen de omvang inzien van de veranderingen waardoor we overspoeld zijn. Van het eind van de negentiende eeuw tot de jaren zeventig werd de ongelijkheid in de ontwikkelde westerse samenlevingen gestaag teruggedrongen. Dankzij een progressief belastingsysteem, overheidssubsidie voor de armen, sociale voorzieningen en verzekeringen tegen plotselinge tegenslagen ontdeden de moderne democratieën arm en rijk van hun uitwassen.
Zeker, er bleven grote verschillen bestaan. De landen in Scandinavië bleven ten diepste egalitair, veel Zuid-Europese staten behielden een groot deel van hun diversiteit en in de Engelstalige landen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan en elders in het Britse Rijk bleef de weerspiegeling van de aloude klassenverschillen goed zichtbaar. Toch werden ze allemaal op hun eigen manier beïnvloed door de toenemende intolerantie ten aanzien van de onbegrensde ongelijkheid, wat leidde tot openbare voorzieningen ter compensatie van particulier onvermogen.
De afgelopen dertig jaar hebben we dat allemaal weggegooid. Natuurlijk, wie 'we’ zijn verschilt per land. De grootste extremen in privé-rijkdom en openbare onverschilligheid doen zich voor in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, de epicentra van het enthousiasme voor een gedereguleerd, op de markt gericht kapitalisme. Landen als Nieuw-Zeeland, Denemarken, Frankrijk en Brazilië hebben periodiek ook wel belangstelling getoond, maar nergens is de afgelopen dertig jaar zo consequent en standvastig gewerkt aan de ontmanteling van in de loop van tientallen jaren opgebouwde sociale wetgeving en economisch toezicht als in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
In 2005 viel 21,2 procent van het nationaal inkomen in de Verenigde Staten toe aan één procent van de bevolking. Ter illustratie: in 1968 verdiende de hoogste directeur van General Motors aan loon en emolumenten 66 keer zo veel als de gemiddelde arbeider van het bedrijf, terwijl de hoogste baas van Wal-Mart nu negenhonderd keer het salaris van zijn gemiddelde werknemer incasseert. Het bezit van de familie van de oprichters van Wal-Mart is onlangs geschat op negentig miljard dollar, wat overeenkomt met het gezamenlijke inkomen van de veertig procent - 120 miljoen mensen - die in de Verenigde Staten het minst verdient.
Ook in Groot-Brittannië is de ongelijkheid in inkomen, rijkdom, gezondheidszorg, onderwijs en kansen groter dan ooit sinds de jaren twintig van de vorige eeuw. Groot-Brittannië telt meer arme kinderen dan enig ander land in de Europese Unie. Sinds 1973 is de ongelijkheid in verdiensten behalve in de Verenigde Staten nergens zo sterk gestegen als in Groot-Brittannië. Van het nieuwe werk dat tussen 1977 en 2007 in Groot-Brittannië is ontwikkeld, behoort het merendeel tot de heel goed dan wel de heel slecht betaalde banen.
De gevolgen zijn duidelijk. De maatschappelijke mobiliteit is tussen de verschillende generaties volledig ingestort. In tegenstelling tot hun ouders en grootouders hebben de kinderen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten tegenwoordig slechts een minimale kans om zich te verbeteren ten opzichte van de omstandigheden waarin ze werden geboren. De armen blijven arm. Deze economische achterstelling van een enorme meerderheid vertaalt zich in slechte gezondheid en gemiste onderwijskansen, en in toenemende mate ook in de bekende symptomen van depressie, zoals alcoholisme, zwaarlijvigheid, goklust en kleine criminaliteit. Werklozen en mensen die onder hun niveau moeten werken raken hun verworven vaardigheden kwijt en worden een chronisch overbodige belasting voor de economie. Dat leidt vaak tot spanningen en stress, om nog maar te zwijgen van ziekte en voortijdig overlijden.
Zelfs binnenlands speelt de ongelijkheid een essentiële rol in de manier waarop de mensen hun leven leiden. Zo is in de Verenigde Staten de kans op een lang en gezond leven nauw verweven met het inkomen. Inwoners van welgestelde wijken worden gemiddeld ouder en doen dat gemiddeld in een betere gezondheid. Jonge vrouwen in arme staten lopen een grotere kans al in hun tienerjaren zwanger te worden - en hun kinderen hebben minder kans de geboorte te overleven - dan hun leeftijdgenoten in rijkere staten. Kinderen van armen hebben een grotere kans voortijdig met school te stoppen, halen lagere cijfers en krijgen na hun school werk dat minder voldoening en een lager salaris oplevert.
Ongelijkheid is dus niet alleen als verschijnsel onaantrekkelijk, het houdt ook direct verband met ziekelijke maatschappelijke problemen waar we nooit een oplossing voor zullen vinden als we niet de achterliggende oorzaken onderzoeken. Er zijn redenen waarom babysterfte, levensverwachting, misdaad, overbevolking van de gevangenissen, geestesziektes, werkloosheid, zwaarlijvigheid, ondervoeding, tienerzwangerschappen, illegaal drugsgebruik, economische onzekerheid, persoonlijke schulden en spanningen zich in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zo veel nadrukkelijker voordoen dan op het Europese vasteland.
Hoe breder de kloof tussen de rijke toplaag en de arme massa is, hoe groter de sociale problemen worden. Die stelling blijkt voor zowel rijke als arme landen te gelden. Het gaat er niet om hoe welvarend een land is, het gaat om de mate van ongelijkheid die er heerst. In Zweden en Finland, die tot de welvarendste landen ter wereld behoren, is de kloof tussen de rijkste en armste ingezetenen heel klein, en beide landen staan steevast hoog in de lijsten die het meetbare welzijn in een land weerspiegelen. In dat soort metingen eindigen de Verenigde Staten ondanks hun enorme verzamelde rijkdom altijd laag. De Verenigde Staten geven kolossale bedragen uit aan de gezondheidszorg, maar de gemiddelde levensduur is er lager dan in Bosnië en maar net hoger dan in Albanië.
Ongelijkheid werkt ondermijnend. Het verpest een maatschappij van binnenuit. Het duurt wel even voordat de invloed van materiële verschillen zichtbaar wordt, maar na verloop van tijd ontstaat er een wedstrijd om status en goederen, ervaren bepaalde mensen een toenemend gevoel van superioriteit (of inferioriteit) op basis van hun bezit, verharden de vooroordelen ten aanzien van degenen die laag op de maatschappelijke ladder staan, neemt de criminaliteit toe en openbaren zich steeds sterker excessen van sociale achterstanden. Het erfgoed van het ongebreideld toenemen van de rijkdom is ronduit wrang.

Gedurende de vele decennia van 'gelijkschakeling’ werd de gedachte dat dergelijke verbeteringen bestendig waren steeds meer gemeengoed. Terugdringing van de ongelijkheid werkt zelfbevestigend: hoe gelijker we worden, des te gelijker denken we te kunnen worden. Aan de andere kant heeft een dertig jaar lange toename van de ongelijkheid met name de Engelsen en Amerikanen ervan overtuigd dat die gang van zaken de natuurlijke loop der dingen is en dat er weinig aan te doen valt.
Voorzover het om verlichting van sociale onvolkomenheden gaat, is ons uitgangspunt dat economische 'groei’ voldoende is: als er maar wordt gezorgd dat er steeds meer te verdelen is, zal de verspreiding van de welvaart en privileges zich langs natuurlijke weg voltrekken. Helaas wijst alles erop dat het tegendeel het geval is. In moeilijke tijden zijn mensen geneigd een herverdeling van de welvaart als mogelijk en noodzakelijk te aanvaarden, maar een kenmerk van een periode van voorspoed is dat de economische groei een kleine elite begunstigt, en dat dat ten koste gaat van de minder bedeelde massa.
Overal doet zich de opmerkelijke aanvechting voor om buitengewone rijkdom te bewonderen en er roem aan toe te kennen. Dat is geen nieuw verschijnsel. In de achttiende eeuw registreerde Adam Smith, de grondlegger van de klassieke economie, onder zijn tijdgenoten een vergelijkbare aanvechting: 'De grote meerderheid van de mensheid bestaat uit bewonderaars en aanbidders en, nog opmerkelijker, zij zijn vooral belangeloze bewonderaars en aanbidders van roem en rijkdom.’ Smith zag de kritiekloze bewieroking van rijkdom om de rijkdom als een voor een moderne commerciële economie potentieel destructief kenmerk, dat in de loop van de tijd ondermijnend kon inwerken op de eigenschappen die het kapitalisme volgens hem nodig had om zich staande te houden en te kunnen bloeien: 'De neiging om rijke en machtige mensen te bewonderen en zelfs welhaast te aanbidden en mensen van arme dan wel gewone komaf zo niet te verachten dan toch wel te negeren (…) is de belangrijkste en meest universele oorzaak van de corruptie van ons morele besef.’
Ons morele besef is inderdaad gecorrumpeerd. We zijn ongevoelig geworden voor de prijs van mensen in aantoonbaar rationeel sociaal beleid, vooral wanneer ons wordt voorgehouden dat zo'n houding de algemene welvaart en dus impliciet ons eigen belang ten goede komt. Een voorbeeld daarvan is de in 1996 door de regering-Clinton ingevoerde Personal Responsibility and Work Opportunity Act (wet persoonlijke verantwoordelijkheid en werkgelegenheid; een opmerkelijk orwelliaanse naam), die erop gericht was de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen terug te dringen. Dat doel zou bereikt worden door mensen die niet op zoek gingen naar (en bij succes het accepteren van) betaald werk hun uitkering af te nemen. Maar werkgevers konden daardoor potentiële werknemers tegen elk salaris elke vorm van werk aanbieden, want ongeacht hoe onaangenaam het werk of de omstandigheden ook waren, weigeren kon men niet; hierdoor daalden niet alleen de uitgaven aan uitkeringen, maar ook de lonen en de kosten voor bedrijven.
Bovendien werd het gebruikmaken van een sociale voorziening, ongeacht of het om kinderbijslag, voedselbonnen of een werkloosheidsuitkering ging, een stigma, een teken van persoonlijk falen, het bewijs dat de persoon in kwestie op een of andere manier door de mand was gevallen. In de Verenigde Staten van vandaag, waar de werkloosheid toeneemt, draagt de man of vrouw zonder baan het brandmerk van een niet helemaal volwaardig lid van de maatschappij. En zelfs in het sociaal-democratische Noorwegen kregen plaatselijke overheden dankzij de wet op de uitkeringen van 1991 het recht aan iedereen die een uitkering aanvroeg de eis te stellen dat ze vrijwel elk werk dat ze aangeboden kregen moesten aanvaarden.
Tegenwoordig zijn we weer helemaal terug bij de inzichten van onze negentiende-eeuwse voorouders. We geloven weer exclusief in prikkels, 'inzet’ en beloning - en daarbij in straffen voor tekortkomingen. Bill Clinton en Margaret Thatcher konden precies uitleggen dat het dom was om de welvaart voor iedereen bereikbaar te maken. Waarom zouden werknemers nog werken als ze niet wanhopig waren? Waarom zou iemand nog naar betaald werk op zoek gaan als de staat mensen betaalt om niets te doen? We zijn teruggekeerd bij de harde, kille wereld van de economische ratio van de Verlichting, die nooit beter is verwoord dan in The Fable of the Bees, een essay van Bernard Mandeville uit 1732 over politieke economie. Arbeiders, zo vond Mandeville, 'hebben geen andere reden om dienstbaar te zijn dan hun behoeften, en het is wijs om die te verlichten, maar dom om ze weg te nemen’. Tony Blair had het niet mooier kunnen zeggen.
In weerwil van de in de Anglo-Amerikaanse politieke wereld weer breed gedragen opvattingen vindt bijna niemand het fijn om aalmoezen te krijgen, ongeacht of dat gaat om kleding, schoenen, eten, huursubsidie of schoolspullen voor de kinderen. Dat is namelijk vernederend. Een van de centrale drijfveren voor de hervormingen van het sociale beleid die de twintigste-eeuwse vooruitgang kenmerkten, betrof herstel van de trots en het zelfrespect van de achtergestelden in de maatschappij. Vandaag de dag hebben wij hun wederom de rug toegekeerd.

Waarom kost het ons zo veel moeite ons een ander soort maatschappij zelfs maar in te beelden? Waarom is het voor ons te hoog gegrepen een ander stelsel van afspraken samen te stellen waar iedereen baat bij heeft? Zijn we ertoe veroordeeld voor altijd heen en weer geslingerd te worden tussen een slecht functionerende vrije markt en de veelbesproken verschrikkingen van 'socialisme’?
Ons onvermogen betreft het discours: we weten gewoon niet meer hoe we over dit soort dingen moeten praten. Wanneer we ons de afgelopen dertig jaar afvroegen of we een beleid, voorstel of initiatief ondersteunden, beperkten we ons tot een kosten-batenanalyse, waarmee we terugvielen op economie in de smalste zin van het woord. Die benadering kwam niet voort uit een menselijk instinct, maar die hebben we onszelf aangeleerd.
Dat is geen nieuw verschijnsel. In 1905 hield de toen nog jonge William Beveridge, die met zijn in 1942 verschenen rapport het fundament voor de Britse verzorgingsstaat legde, in Oxford een lezing waarin hij zich afvroeg waarom de politieke filosofie in het openbare debat werd overschaduwd door de klassieke economie. Die vraag van Beveridge is vandaag de dag weer helemaal actueel. Het is echter niet zo dat er een verband is tussen dit verlies aan politiek denken en het werk van de grote klassieke economen zelf.
De conventionele economische redeneringen van tegenwoordig, die besmet zouden moeten zijn maar door hun onvermogen om de ineenstorting van de banken te voorzien in het geheel niet getroffen blijken, duiden het gedrag van de mens in 'rationele keuzes’. Het uitgangspunt is dat wij allemaal economische eenheden zijn. We jagen op eigenbelang, dat als het maximaliseren van economisch voordeel wordt omschreven, en er is nauwelijks aandacht voor onbeduidende criteria als altruïsme, zelfopoffering, smaak, culturele gewoontes of een collectief doel. Als wij maar voldoende correcte informatie krijgen over de 'markten’ - hetzij echte, hetzij instituties waar in aandelen en opties wordt gehandeld - zullen we de beste keuzes maken voor de eigen en de gemeenschappelijke vooruitgang.
Het gaat mij er hier niet om of deze uitgangspunten kloppen of niet. Tegenwoordig kan niemand met droge ogen volhouden dat de zogenaamde efficiënte markthypothese zich heeft bewezen. Een oudere generatie vrijemarkteconomen mocht er graag op wijzen dat de socialistische planeconomie tekortschiet omdat die het soort ideale kennis (van zowel heden als toekomst) vereist waar gewone stervelingen niet over beschikken. Daar hadden ze gelijk in. Nu blijkt echter dat voor markttheoretici precies hetzelfde geldt: zij weten lang niet alles, en als gevolg daarvan weten ze eigenlijk niets.
Maar op welke manier moeten we dan wél praten over hoe we onze maatschappijen willen inrichten? Om te beginnen kunnen we niet doorgaan met het in een moreel vacuüm evalueren van onze wereld en de keuzes die wij maken. Zelfs als we zeker zouden weten dat een voldoende geïnformeerd, zelfbewust en rationeel iemand altijd voor zijn eigenbelang kiest, moeten we ons blijven afvragen wat dat eigenbelang precies is. Dat kan niet worden opgemaakt uit zijn economische gedrag, want dan zou het een cirkelredenering worden. We moeten ons afvragen welke behoeftes mannen en vrouwen hebben en onder welke omstandigheden ze op die behoeftes kunnen worden aangesproken.

Vertaling Wybrand Scheffer
Dit is een bewerking van een hoofdstuk uit Ill Fares the Land: A Treatise on Our Present Discontents van Tony Judt. De Nederlandse vertaling (Het land is moe: verhandeling over onze ontevredenheid) verschijnt later deze maand bij Contact.