Het morele equivalent van kunst

Mannen aan het werk

Met zijn portretten verhief de Amerikaanse fotograaf Lewis W. Hine het individu uit de grijze massa. Zijn werk is een ode aan menselijke waardigheid.

‘Lieve zonen’. Zo begint iedere brief die een oude vrouw op Sicilië aan haar naar Amerika geëmigreerde kinderen stuurt in het verhaal De andere zoon van de Italiaanse schrijver Luigi Pirandello (1867-1936). Veertien jaar eerder zijn de twee jongens vertrokken. Ze hadden haar op het hart gedrukt te zullen terugkeren, maar braken die belofte toen ze fortuin maakten. Op de foto Climbing into America (1905) van Lewis Hine staan precies twee van zulke jonge mannen. Hun nationaliteit wordt niet vermeld, maar gezien de grote hoeveelheden Italianen op de andere foto’s uit dezelfde periode is er een gerede kans dat ook zij uit Italië zijn afgereisd naar the land of plenty. Ik stel me voor dat de twee mannen die op Ellis Island, de andere oever, op de eerste treden van een trap staan de verloren zonen zijn. Op het punt om het leed van hun moeder achter zich te laten en te ontdekken of het lot hun gunstiger is gezind. De jongste van de twee staat met één voet op de trap en balanceert op de rand van volwassenheid. Zijn snor lijkt ouder dan hijzelf. In zijn hand klemt hij enkele papieren, zijn papieren ongetwijfeld. Boven aan de trap, onzichtbaar voor de kijker, staat een tafel van waarachter artsen de fysieke gesteldheid van de immigranten controleren. Wie buiten adem bovenkomt, of moeite heeft zijn bagage te dragen, loopt het risico zonder pardon te worden teruggestuurd. Misschien zijn het wel helemaal geen Italianen op de foto. Er arriveerden in die tijd wel meer mensen op Ellis Island. Een deel daarvan vertrok uit Rotterdam, en op een steenworp afstand van het hoofdkwartier van de Holland-Amerika Lijn toont het Nederlands Fotomuseum nu een overzicht van het werk van Lewis Wickes Hine (1874-1940).

Hine groeit op in een stadje met de prettige naam Oshkosh, in Wisconsin. Zijn vader sterft omstreeks de tijd dat Hine van school gaat. Hine heeft vervolgens verschillende baantjes en studeert parttime aan de universiteit. Als veel­belovende jongeman uit de lagere middenklasse wordt Hine opgepikt door Frank Manny, een professor aan Oshkosh State Normal School, een progressieve lerarenopleiding. Manny stimuleert Hine om in Chicago pedagogie te studeren. Wanneer Manny eenmaal directeur is van de vooruitstrevende Ethical Culture School in New York neemt hij Hine in dienst en spoort hij hem aan zichzelf de basisbeginselen van de fotografie bij te brengen. In eerste instantie slechts om het werk van de school te documenteren, maar het duurt niet lang voordat Hine zijn leerlingen begint in te wijden in de fotografie, en hij er zelf op uit trekt om te fotograferen. Zijn eerste tochten leiden hem naar Ellis Island. Aangezien Hine met een logge camera en glasplaten werkt, en het op Ellis Island een nogal duistere bedoening is, zijn de foto’s onvermijdelijk geënsceneerd. Maar door taalbarrières en de hectiek op het eiland lijkt het onwaarschijnlijk dat Hine meer kon doen dan mensen duidelijk maken dat ze even stil moesten staan en in de camera moesten kijken. Toch zijn de meeste foto’s sereen. Het zijn portretten van ­individuen, even weggehaald uit de grijze massa die vaak aan de randen van het beeld of in de achtergrond wel zichtbaar blijft.

Niet lang nadat Felix Adler, de stichter van de Ethical Culture School, het National Child Labor Committee (nclc) heeft opgericht, treedt Hine in dienst als officiële fotograaf. Hij trekt namens de organisatie door het land om kinderarbeid te documenteren. Vijftigduizend mijl legt hij af in de eerste drie jaar. Van Oklahoma naar Chicago en van New York naar Georgia en Mississippi, even gejaagd als Jack Kerouac maar met het oog voor de minder bedeelden van John Steinbeck. Over diens The Grapes of Wrath schreef The Guardian ooit: ‘Een verschrikkelijk en verontwaardigd boek; maar niet zonder passages van lyrische schoonheid, en de uiteindelijke indruk is die van menselijke waardigheid onder de meest wanhopige omstandigheden.’ Vooral dat laatste zou ook een beschrijving van Hine’s foto’s kunnen zijn.

Kinderarbeid is in veel staten verboden en de wijdverbreidheid ervan is niet alom bekend. Hine fotografeert newsgirls en newsboys, kinderen die in yarn mills werken of steenkool breken, katoenplukkers en garnalenrapers. De foto’s worden door het nclc gebruikt voor posters, pamfletten en brochures. Af en toe zijn de kinderen netjes gekleed – als kleine volwassen arbeiders – maar vaker vuil en met ogen waaruit meer levenservaring spreekt dan je ze gunt. Alleen de newsies wekken soms de indruk een leven te leiden waarin het avontuur van ’s nachts op straat zijn opweegt tegen de beproevingen, maar ook zij zien er vaak vermoeid en koud uit.

Al gauw fotografeert Hine, altijd in opdracht, overal aan de zelfkant van de maatschappij. Armoedige interieurs van kledingstellers, Europese fabrieksarbeiders in Pittsburgh, straattaferelen in New York en, in opdracht van het Rode Kruis, Oost- en Zuid-Europeanen die ontheemd zijn door de Eerste Wereldoorlog. Hij beschouwt zichzelf niet in de eerste plaats als fotograaf, laat staan als kunstenaar. Hine is een verzamelaar van bewijs en zegt over zijn methode: ‘Als ik het verhaal in woorden kon vertellen, zou ik geen camera meezeulen.’ Hoewel zijn foto’s worden gebruikt om misstanden aan de kaak te stellen – en hij de reformistische agenda van zijn opdrachtgevers onderschrijft en duidelijk gelooft in de kracht van fotografie om verandering teweeg te brengen – is hij nergens een openbaar aanklager. Zijn toon is beheerst, rechttoe rechtaan. Hij is opgeleid als onderwijzer en blijft dat wanneer hij de camera ter hand neemt.

Beaumont Newhall, auteur van het eerste overzichtswerk over de geschiedenis van de fotografie, categoriseert Hine als een van de pioniers van de documentaire fotografie, maar klaagt tegen Ansel Adams (misschien wel de grootste Amerikaanse fotograaf van de twintigste eeuw) steen en been over de kwaliteit van Hine’s afdrukken: ‘Zijn techniek is, in één woord (sic), heel slecht; het succes van zijn foto’s ligt in de ongewone manier waarop ze het onderwerp interpreteren.’ Hine fotografeert zoals gezegd voor pamfletten en posters en is zich bewust van de gebrekkige kwaliteit van dat soort drukwerk. Toch is het wat overdreven te stellen dat zijn techniek armzalig was. Hij heeft een scherp oog voor compositie. Maar Hine’s foto’s zijn in de eerste plaats morele uitingen, geen esthetische. Het maakt hem een goede fotograaf zoals Leni Riefenstahl een slechte filmmaker was. Als Triumph des Willens de verheerlijking van een massapsychose was, dan zijn Hine’s foto’s duizenden kleine odes aan de wilskracht en levenslust van individuele mensen. De foto Happy Street Boy in Pennsylvania Mill Town (1910) toont een vuil jongetje, hij mist twee voortanden maar grijnst alsof de tooth fairy de vorige nacht is langsgekomen. Het is de individuele imperfectie die het geheel menselijk maakt.

In een begeleidend essay beschrijft de curator, Alison Nordström van het George Eastman House, de beheerder van Hine’s nalatenschap, hoe de fotograaf in de jaren dertig meer en meer moeite heeft in zijn levensonderhoud te voorzien. De fotografische school die hij pionierde, de betrokken documentaire fotografie, is na de Russische Revolutie van 1917 langzaam veranderd. De liberaal-progressieve idealen van Hine raken bij links Amerika uit de gratie en worden ingewisseld voor constructivistische en modernistische ideeën. Hine probeert zichzelf opnieuw uit te vinden en zoekt toenadering tot industriëlen die zijn progressieve ideeën delen. Zijn belangrijkste werk uit deze periode is tegelijkertijd het enige dat hij bij leven in boekvorm publiceert: Men at Work. Het is een lofdicht op Amerikaanse arbeiders en de mensen die het Empire State Building bouwen in het bijzonder. Ook hier geen verheerlijking van een amorf geheel als ‘de arbeidersklasse’, maar een ode aan individuele mensen die met hun zweet betalen voor het comfort van anderen.

In de inleiding schrijft Hine: ‘Dit is een boek over Mannen die Werken; mannen gezegend met moed, kunde, durf en fantasie. Steden bouwen zichzelf niet, machines kunnen geen machines maken (…) We noemen dit de Machine Age. Maar hoe meer machines we gebruiken, hoe meer echte mannen we nodig hebben om ze te maken en te besturen.’ Niet in het boekje terug te vinden, maar wel op de tentoonstelling te zien is de foto Steelworker Standing on a Beam, Touching the Tip of the Chrysler Building (ca. 1931). Een in een overall gestoken man op gympen boven op het Empire State Building poseert met een strak gezicht en leunend op een kabel voor Hine. Als je de titel niet hebt gelezen, duurt het even voordat je ziet dat Hine met het perspectief speelt en de man met zijn vinger de punt van het kleinere Chrysler-gebouw lijkt te raken. Dat past mooi bij de fantasie die Hine de mannen toeschrijft, maar het effect is vooral dat je een individu ziet, en geen symbool.

Men at Work ontleent zijn motto aan een speech van de pragmatische filosoof William James, waarin hij betoogde dat economieën in vredestijd niet alleen gebaseerd kunnen zijn op het voorzien in de behoefte aan plezier. Hij stelde dat krijgshaftige waarden als gehoorzaamheid en opofferingsgezindheid altijd de basis moeten vormen. Het lijkt een vreemde keus van Hine, overtuigd als hij is van de waarde van het individu. Maar de speech was getiteld The Moral Equivalent of War, en dat komt gevaarlijk dicht bij de beste omschrijving van het werk van Lewis Hine: het morele equivalent van kunst.

Lewis Hine, Fotograferen voor verandering, 15 september t/m 6 januari, Nederlands Foto­museum, Rotterdam. nederlandsfotomuseum.nl