Mannen die van elkaar houden

E.L. DOCTOROW
HOMER & LANGLEY
Random House, 208 blz., € 22,99

In 1947 forceert de politie van New York een raam van een vervallen brownstone tegenover Central Park, na een tip over een vermeend lijk in het pand. Agenten treffen een ondoordringbare chaos aan van plafondhoge krantenstapels, vuilniszakken, dozen, boeken, een oud röntgenapparaat, veertien piano’s, resten van een Ford T – alles bij elkaar 103 ton aan halfvergane spullen en afval. Deze excessieve uitdragerij is het resultaat van de obsessieve verzamelwoede van de twee vrijgezelle broers Collyer, Homer (1881-1947) en Langley (1885-1947). Ze vinden Homer het eerst, hij blijkt recentelijk te zijn overleden. Maar de stank die voorbijgangers op Fifth Avenue ruiken komt van Langley, die, weken eerder fataal bedolven onder zijn eigen puin, is aangevreten door ratten. Omdat Langley zijn blinde en verlamde broer niet meer zijn eten kon brengen is Homer verhongerd.
De nieuwe roman van E.L. Doctorow (1931) Homer & Langley gaat over deze gebroeders Collyer, die bij leven al een bron waren van verwondering en vermaak. In de jaren dertig en veertig beschrijven journalisten de Collyers als excentrieke kluizenaars die ruziën met banken en nutsbedrijven en geheime schatten verborgen houden in hun grote huis. De broers zouden uitgroeien tot archetypen van waanzinnige hoarders en hun levensverhaal werd stof voor romans, waaronder My Brother’s Keeper (1954) van Marcia Davenport, toneelstukken en non-fictiewerken. Net als in zijn eerdere The Book of Daniel (1971, over Julius en Ethel Rosenberg) en The March (2005, over Generaal William Sherman) is Doctorow minder geïnteresseerd in de letterlijke levensloop van zijn historische personages. Hij heeft de namen van de Collyers behouden, en hun adres, maar verder speelt hij met chronologieën en gebeurtenissen en zo hoort het. De journalistieke en academische pretentie van feitelijkheid mag een schrijver niet besmetten. Homer en Langley zijn voor Doctorow geen wereldvreemde schertsfiguren, maar levendige mannen met een eigen logica geworteld in onvoorwaardelijke broederliefde. Hij praat voor de broers en geeft hun daarmee hun verhaal terug. Fictie als weg naar de werkelijkheid.
Verteller is jongere broer Homer (Doctorow heeft de broederlijke rangorde omgedraaid), een begenadigd pianist. Vanaf zijn adolescentie is hij blind, een conditie die zijn overige zintuigen stimuleert, maar hem noodgedwongen aan zijn directe omgeving kluistert. Broer Langley is soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog en komt uit Europa terug met kapotte stembanden en een flinke existentiële bagage. De broers zijn van rijken en goeden huize: hun vader is een succesvol gynaecoloog, moeder is de typische stadsadellijke dame in bontjas. Wanneer beide ouders kort na elkaar sterven aan de Spaanse griep hebben Homer en Langley het rijk, een monumentaal pand met uitzicht op Central Park, min of meer voor zichzelf. ‘This house is our inviolate realm.’
Aanvankelijk doen de broers de gebruikelijke jongemannendingen: ze bezoeken clandestiene kroegen (het zijn de jaren van de Drooglegging) en bordelen. Langley is dan al begonnen met het verzamelen van kranten en andere zaken en hun kamers worden voor de blinde Homer steeds minder overzichtelijk en begaanbaar. Fascinerend is Langley’s ‘Theory of Replacements’, die wezenlijke verandering op aarde in twijfel trekt: het individu bestaat niet, elke tijd brengt weer dezelfde menstypen voort. Hij koopt elke krant die hij kan vinden, omdat hij genoeg data wil verzamelen om een exemplaar te kunnen samenstellen met het definitieve, eeuwig ware nieuws. Homer is toegeeflijk en verklaart de grillen van Langley vanuit diens desillusie na de oorlog. Soms weten buitenstaanders door te dringen in het bolwerk van de broers, zoals een pianostudente waar ze prompt allebei verliefd op worden, maar hun verlangen naar autarkie dat hen tegenover de autoriteiten zet, versterkt hun isolatie. ‘Our every act of opposition and assertion of our self-reliance, every instance of our creativity and resolute expression of our principles was in service of our ruination.’
En tegelijk vertelt Doctorow terloops over het Amerika van de twintigste eeuw. De Eerste Wereldoorlog, de crisis van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog, Korea, de hippies, Vietnam, Alabama, Kent State, de moorden op de Kennedy’s en King – de geschiedenis prikt gericht door de steeds dichtere deuren en luiken van de Collyers. Soms is Doctorow te netjes met zijn verlangen historische voorvallen een plek te geven in zijn roman, maar meestal werkt zijn vernuftige dosering van de buitenwereld in de binnenwereld van de broers.
Even succesvol is Homers vertelstem in de vorm van memoires, getikt op een braille-typemachine en gericht aan Jacqueline (‘my muse’), een Franse schrijfster die hij ooit voor zijn deur heeft ontmoet. Doctorow gaat niet overboard met overvloedige beschrijvingen van de sensaties van een blinde, maar hij concentreert zich meer op de verheviging van herinnering die de duisternis met zich meebrengt. Natuurlijk klinkt Homer in zijn eerste werk onmiddellijk als een schrijver à la E.L. Doctorow, maar de superieure stijl overstijgt eenvoudig dit intrinsieke bezwaar. In prachtige, ritmische zinnen en met een opvallend barmhartig gevoel voor humor verschijnen deze twee mannen die van elkaar houden en op hun eigen manier voor elkaar zorgen. Hun verwording is alleen aan hun eigen beoordeling onderworpen en daardoor volstrekt overtuigend. Homer & Langley is hun definitieve boek.
En dan nog deze zin: ‘There is music in words, and it can be heard you know, by thinking.’ Wat een schitterende gedachte en hoe ongelooflijk waar.