Arjen Duinker

Mannen en vrouwen

De goedgemutste man ging vervolgens naar een café waar mannen en vrouwen pils aan het drinken waren. Hij hing zijn jas aan de kapstok en zette zijn bril op. Het geschreeuw van de mannen en vrouwen was plotseling veel opvallender dan het feit dat ze pils dronken. «Hebben jullie wel gezien dat Joop van den Ende heel erg lijkt op Wim de Bie die Joop van den Ende imiteert?» schreeuwde een man met een leeg glas in zijn hand. Iedereen lag dubbel. De goedgemutste man vond het ook een leuke grap. «Mooi gezien», wilde hij zeggen, maar iemand anders was alweer aan het schreeuwen. «Het is trouwens bewezen dat appels helemaal niet afstammen van een dinosaurus!» Het gegil was nu bijna onherkenbaar.

De goedgemutste man ging zitten naast een vrouw die voor rede vatbaar leek. «Ik kom onderzoek doen», zei hij tegen haar, «ik wil graag weten hoe het gesteld is met de boekenkennis. Of mensen fragmenten herkennen en kunnen zeggen van welke schrijver ze zijn. En uit welk boek ze komen. Maar het meest interessant vind ik de vraag of mensen kunnen aangeven waar die boeken over gaan.» De vrouw boog zich een beetje naar hem toe en schreeuw de: «Wij zijn hier voor onze lol!»

«Maar ik vind het ook leuk, hoor!» riep de goedgemutste man terug. «Ik ben alleen bezig met een onderzoek. Ik kom net uit het winkelcentrum, daar heb ik vragen gesteld aan mensen die ijsjes liepen te eten!» «Nou succes ermee!» schreeuwde de vrouw. «Ik wil de volgende mop voor geen goud missen, misschien kun je het proberen bij die kleine daar, die met die achterlijke kop, die is zelf schrijver!»

Er barstte weer een of ander algemeen gekrijs los. «Mag ik een pilsje?» vroeg de goedgemutste man op weg naar de schrijver. «Ik versta je niet», schreeuwde het meisje achter de bar, «maar je wilt zeker een pilsje?» «Wij eerst», schreeuwde een man met een zonnebril op zijn voorhoofd, «twaalf pils! En waar blijven die bitterballen!» De goedgemutste man knikte de schrijver vriendelijk toe. «U hebt helemaal niet zo’n achterlijke kop van dichtbij», zei hij, «ik wil u iets vragen. De regel: de wand daartegenover was bedekt met kaartenbakken — kunt u me zeggen door welke schrijver die regel ooit is geschreven, uit welk boek die regel komt en waar dat boek over gaat? Dat laatste is het belangrijkste.» «Wat kan ik voor je doen, jongen?» schreeuwde de schrijver. «Een pilsje», schreeuwde het meisje achter de bar, «geniet er maar van!»

De goedgemutste man aarzelde even, hij wist niet of hij meteen moest betalen. «U bent toch schrijver?» schreeuwde hij. «Dat zei die mevrouw tenminste!» Achter en naast hem stond iedereen te brullen van het lachen. «Na die regel van daarnet», schreeuwde hij, «gaat het verder met: Ik haalde het boekje Akk-Amp te voorschijn!» Hij dronk zijn glas in één teug leeg. De schrijver draaide zich om en riep: «We gaan nog niet naar huis, want moeder is niet thuis!» «Ik word gek van al die pret!» schreeuwde een vrouw met een colbertje aan. De goedgemutste man zag dat een paar nieuwe mensen arriveerden. «Kijk», schreeuwde hij in het oor van de schrijver, «die komen regelrecht uit het boek dat ik bedoel. U weet vast wel welk boek het is! Ik onderzoek of mensen weten waar boeken over gaan!»