Mannen onder elkaar

Aleksandar Tisma, schrijver van keelsnoerende romans over de Tweede Wereldoorlog, leeft opnieuw te midden van het oorlogsgeweld. In zijn boeken gaat het vaak over de precaire relatie tussen beul en slachtoffer. Wie is wie in de Balkanoorlog? ‘Dit is een incestueuze oorlog. De ene Petrovic moordt de andere uit.’
NOVI SAD - ‘Hoeveel Serviers heeft u in de Donau gegooid?’ ‘Spion van Tudjman!’ ‘Jodenzwijn!’ ‘Verrader!’
Snel gaan de stemmen crescendo en nog sneller breidt de kring van opgewonden schreeuwers zich uit rond de schrijver Aleksandar Tisma op deze woensdagmorgen op de markt van Novi Sad, op tachtig kilometer van Belgrado, de hoofdstad van Klein- Joegoslavie. Tisma, half jood maar ook half Servier, blijft er lange tijd rustig onder. Tegen mij zegt hij: ‘Wie niet onvoorwaardelijk voor hen is, is een tegenstander. Deze mensen kennen geen nuance.’

Hij argumenteert over de historische melange van volkeren in de Vojvodina - Serviers, Kroaten, Slovenen, Hongaren -, maar het mag niet baten. Iemand gebaart dat ze zijn keel zouden moeten opensnijden. ‘Ik geloof dat we maar beter kunnen weggaan’, zegt Tisma.
'Ach’, zegt hij, terwijl een paar abrikozen langs zijn hoofd suizen, 'dit soort taferelen zie je hier dagelijks.’
Maar onderweg naar zijn kantoor in de plaatselijke cultuuracademie is hij toch opvallend stil. Het ging ook allemaal zo snel. Iemand had hem herkend van een interview op de Franse televisie. 'Deze man is een handlanger van de Kroaten’, riep hij. Tisma kreeg de eeuwige vraag toegeworpen: 'Waar was u tijdens de Tweede Wereldoorlog? In Boedapest? Bij de Hongaren? De Hongaren hadden toch de kant van Hitler gekozen, nietwaar? Collaborateur!’ Tisma legde uit, weerlegde… Toen had ook de groentehandelaar zich in het gesprek gemengd. Even tevoren had hij nog honderd Deutschmark gewisseld voor mij - zwart, drie keer meer dinars dan volgens de officiele koers. Eerst richtte hij zich tot mij: 'Een pot nat, dat Westen. Amerikanen, Duitsers, Fransen… Zonder de hulp van de Amerikanen hadden die honden van Tudjman niets kunnen doen, niets. Maar nu…’ Twee weken geleden was hij weggevlucht uit de Krajina. Zijn huis was afgebrand, ook dat van zijn vrouw, en het huis van zijn moeder. En nu was hij gedwongen om hier in Novi Sad met elf mensen op veertig vierkante meter te leven.
'Ja’, komt Tisma ertussen, 'dat is erg. Maar mag ik u iets vragen?’ Het mag. 'Wanneer bent u in de Krajina gaan wonen?’ De groentehandelaar roept er zijn broer bij. Hij herhaalt de vraag van Tisma. Verontwaardiging. Commotie. En plots staat er een meute van vijftien mensen. Tisma: 'Alleen die ene man kende mij, alle anderen weten niet eens wie ik ben.’
Aleksandar Tisma, zeventig jaar, is de auteur van een reeks beklijvende boeken: Het gebruik van de mens, De school der goddeloosheid, Argwaan en vertrouwen, De kapo. Het decor van die romans is Joegoslavie, de tijd is (bijna) altijd de Tweede Wereldoorlog. Tisma schrijft over het slechtste in de mens: over geweld, verkrachting, foltering.
In De kapo, zijn meest recente boek, dat dit jaar bij Meulenhoff in vertaling verscheen, gaat de hoofdfiguur Vilko Lamian op zoek naar het meisje dat hij, de collaborateur, tijdens de oorlog graag en vaak heeft verkracht. De school der goddeloosheid is een oneindig kil expose over een gevangene die wordt doodgemarteld. 'Hij (Dulics, de beul) luisterde naar Ostjins gereutel alsof het liefdeszuchten waren. Hij koelde pas af na de bevrediging, door het vocht op zijn dij. Ostjins blauwe oog onder hem was verstard, reeds lang dood. Hij trok de trechter uit diens mond; hij was bedekt met kleverig bloed, donkerder rood dan normaal, tot het handvat.’
Wanneer ik met 'Akademik’ Tisma eindelijk in zijn typisch Oosteuropees ogende kantoor zit, vraag ik hem waar hij dat vandaan heeft. Hij wijst naar zijn hoofd. 'Ik heb nooit gemarteld, ik ben ook nooit gefolterd, alles zit in mijn hoofd.’
Dulics is een Servier?
'Het had ook een Kroaat kunnen zijn.’
Hoeveel Dulicsen zijn er aan het werk geweest in Bosnie-Herzegovina?
Tisma schudt het hoofd. Nee, zo eenvoudig ligt het niet in Joegoslavie.
Maar wat heeft u nu eigenlijk gezegd op de Franse televisie?
'Ik denk dat het over die ene zin gaat: dat de Serviers vaak primitieve en oorlogszuchtige mensen zijn, zeker de Serviers uit de bergstreken. Ik weet waarover ik het heb. Mijn eigen vader kwam daar vandaan.’
In 1993 is Tisma uitgeweken naar Frankrijk. Op uitnodiging van een bevriende literaire criticus heeft hij eerst in Parijs ge woond, later in Bordeaux. 'Ik wilde weg. Ik wilde niet weer leven in de waanzin van een oorlog waarin elke dag je laatste kan zijn. Ik had dat allemaal al eens meegemaakt.’
Terug in de tijd. De datum: 21, 22 en 23 januari 1942. De feiten: veertienhonderd joden en Serviers worden gefusilleerd in Novi Sad.
Tisma: 'Overal lagen lijken. Op straat, op de voetbalvelden, in de Donau. Het was het werk van de Hongaarse politie. Het jaar voordien had Hongarije de kant gekozen van nazi-Duitsland. Joegoslavie wilde van geen pact weten. “Bolje rat, nego pakt”, zo werd gezegd op een volksbijeenkomst: “Liever oorlog dan een pact.” Dat beviel mij niet zo. Ik was zeventien jaar, ik wilde lezen, ik wilde schrijven, ik had een meisje… Maar het werd oorlog en de Hongaren zwaaiden hier de plak. Af en toe werden hier wel eens mensen doodgeschoten, omdat ze gesmokkeld hadden, of omdat ze valse papieren hadden, maar verder hielden de Hongaren, die toch een zekere democratische traditie hadden, het behoorlijk rustig. Maar de Generaliteit was niet tevreden, die vond dat de Hongaarse politie veel te week was. En toen kwam die pogrom.’
Heeft u angst gehad? U bent toch joods?
'Ja, natuurlijk ben ik bang geweest. Maar ik heb geluk gehad. In de annex van ons huis woonde een kapper, Torok. Hij was een Hongaar. En een alcoholicus. Elke ochtend gorgelde hij met wijn, maar in plaats van de wijn uit te spuwen, slikte hij die door. Als hij ook maar een onvertogen woord over ons zou hebben gezegd, zou de Hongaarse politie ons hebben geliquideerd. Maar hij heeft die mannen wijn gegeven, en brood. Ze hebben mijn moeder en mij met rust gelaten.
Mijn moeder was zeer dapper. Zij ging nooit in de schuilkelder als er bommen vielen. Ze was ook niet bang om eten te brengen naar joden die opgesloten zaten in het souterrain van een fabriek. Op een dag werd ze op de markt aangehouden met onder haar mantel een paar broden. De agent gebood haar mee te komen, maar mijn moeder, hoewel niet zo jong meer, rukte zich los en zette het op een lopen. Die agent kon niet schieten, want er was veel te veel volk op de markt. Zelf ben ik helemaal niet dapper. Ik ben een angsthaas, net als mijn vader.’
Bent u altijd een angsthaas gebleven?
'Ja, ja.’ Hij lacht. Dan, heel ernstig: 'Schauen Sie, ik heb altijd alles gedaan om in leven te blijven.’
Is overleven een leven?
'Het is een half leven. Maar het is meer dan niets.’
Toch is het dat gevoelen van maar een half leven te hebben dat hem heeft doen besluiten vroegtijdig uit Frankrijk weg te gaan. 'Na de Tweede Wereldoorlog wilde ik naar Frankrijk emigreren, maar ik kreeg geen paspoort. Toen ik in 1955 mijn reispas kreeg, vond ik het te laat om het plan uit te voeren: ik was getrouwd, ik had een baan. Nu ben ik veel te oud om elders een nieuw leven te beginnen. Daarom lukte het in Frankrijk niet.’
De oorlog is nog altijd niet gedaan. Misschien breidt het conflict zich nog verder uit als de Kroatische president Tudjman inderdaad Oost-Slavonie gaat innemen.
'Schauen Sie, ik heb de Tweede Wereldoorlog overleefd, het fascisme. Ik heb het communisme meegemaakt, ik heb het overleefd. Ik zal ook deze crisis wel doorstaan. Ik ben als een kameleon, ik pas mij wel aan.’
Tisma maakt de balans op: 'Ik geloof dat communisme nog erger is dan fascisme. Het fascisme is een hatelijke, moordende zaak, maar het spreekt zich openlijk uit over zijn doelstellingen: we willen de joden vernietigen en alle Slaven tot knechten maken. Je kunt daar voor of daar tegen zijn, maar je weet tenminste hoe het ervoor staat. Dat is bij het communisme niet het geval. Het communisme is de volledige ontkenning van het denken. Het communisme is de cultuur van de leugen. Het probleem is niet eens de leugen zelf, het probleem is dat er zoveel mensen zijn die die leugens geloven. Het individu komt daardoor onder grote druk te staan. Het communisme maakt van het individu een idioot.’
TISMA HEEFT zijn hele leven in Novi Sad gewoond, de hoofdstad van de autonome provincie Vojvodina tot de Servische president Milosevic in 1991 over die autonomie anders besliste. Met zijn 200.000 mensen is Novi Sad een klein provincienest, maar net als in de hele Vojvodina is de bevolking van het stadje een melange van vele volkeren.
'De spanning neemt toe, maar je kunt hier nog altijd zeggen wat je denkt’, zegt Tisma ’s avonds op een terras aan het centrale plein in de stad. Dan schiet hem weer het voorval van die ochtend te binnen. 'Als je er de abrikozen bij neemt, natuurlijk.’
Hij vertelt over hoe anders het Joegoslavie anno 1995 is. Het appartement waar hij woont werd hem door de staat geschonken, het is nu zijn eigendom. Maar de lift functioneert niet en het is niet duidelijk wie ervoor moet zorgen dat er een reparateur komt. En waar moet die reparateur uberhaupt gevonden worden? Ook het communisme van Tito heeft het prive-initiatief sterk gefnuikt. Tisma is niet eens onverdeeld blij met het bezit van zijn onroerend goed. 'Ik moet nu de kosten voor gas en elektra betalen. Dat loopt flink op. En ik heb maar een pensioentje van 150 mark, wat niet eens slecht is, want het gemiddelde is vijftig mark.’ Daar komt nog bij dat de oorlog de prijzen van de levensmiddelen sterk heeft doen stijgen.
'Het is aan allerlei details dat je weet dat hier iets niet klopt. Ziet u dat cafe daar?’ vraagt Tisma als we tegen middernacht afscheid nemen. Hij wijst naar een wat smoezelig uithangbord: Cafe Athen. 'Tot aan het begin van de oorlog was dit het vrij bekende koffiehuis… Zagreb.’
DE TREIN VAN Novi Sad naar Belgrado zit propvol. Veel kaartende mensen. En vooral veel drinkende mensen. Slivovitsj is Joegoslavies hoop in bange dagen.
Tisma begint een uiteenzetting: 'Dit is een incestueuze oorlog. Veel Joegoslaven heten Petrovic. Die naam zegt niets over iemands roots. De ene Petrovic is een Servier, de andere een Kroaat, en er zijn ook Slovenen met die familienaam. Niet alleen de naam is dezelfde, vaak hebben ze dezelfde fysionomie, ze spreken, met kleine varianten, dezelfde taal. En toch moordt nu de ene Petrovic de andere uit. Toch trekt nu de ene Petrovic als soldaat naar het gebied waar hij tot voor kort op vakantie ging en soms een buitenverblijf had. Maar die herinnering is nu ver weg, want wat hem drijft is de haat. Ik geloof heel sterk dat een groot deel van die haat voortkomt uit het herkennen van zichzelf in de ander. Ze haten zichzelf in de ander, denk ik wel eens. Ze zijn er zich ook van bewust hoezeer ze zelf medeplichtig zijn aan deze stommiteit, een stommiteit die is begonnen met de verkiezingen. Toen hebben ze en masse gestemd op nationalistische partijen. Die nationalistische partijen hebben hun overwinning aangegrepen om de bevolking aan te zetten om de wapens op te nemen. Elke partij beweert de absolute waarheid en het absolute gelijk aan zijn kant te hebben. Het is de complete teloorgang van het vermogen tot relativering. Het is een ziekte, een geestesziekte, het is waanzin.
Schauen Sie, ik heb onlangs in Hamburg een voordracht gehouden over het geweld in de twintigste eeuw. Ik heb geen andere verklaring dan dat al dit oorlogsgeweld in harmonie is met het geweld in de natuur. De natuur is toch een en al geweld: de aarde beeft, het water ontziet niets en niemand, de leeuw zet zijn tanden in het mindere dier. Ook de mens is onderdeel van de natuur, maar hij is een geval apart. De mens volstaat niet met pure gewelddadigheid, nee, hij voegt er raffinement aan toe, een raffinement dat de dieren volstrekt vreemd is. Waar zit ’m dan dat raffinement in, dat de oorzaak is van zo veel lijden? In de chromosomen. In de chromosomen van de man. Wellicht is mannelijkheid sowieso iets agressiefs, en een ziekte. Vrouwen lijden daar niet aan. Ja, net als de man doodt ook de vrouw een mens die haar kwelt, maar de vrouw gaat niet over tot het georganiseerde doden, dat toch het doel is van de oorlog. Ik zeg dit zonder enige wetenschappelijke pretentie. Ik zeg dit als iemand die gezien heeft en weet.’
EENMAAL IN BELGRADO, uitkijkend over de rivier de Sava, komt Tisma andermaal terug op de oorlogszucht der Serviers. In de Eerste Wereldoorlog hebben de Serviers een zevende van hun volksgenoten verloren, in de Tweede Wereldoorlog een tiende, en nu beginnen de overlijdensstatistieken opnieuw pieken te vertonen. 'Ik wil niet beweren dat de zucht naar geweld begonnen is met Adam en Eva, maar de Serviers hebben toch een sterke oorlogszucht, vergeleken met de andere volkeren.’
Er varen plezierboten over de Sava, maar ook vrachtschepen. 'Gevuld met brandstof’, gokt Tisma. Brandstof is een probleem in het land van Milosevic. De officiele pompen zijn weliswaar bemand en open, maar er is benzine noch diesel te krij gen. Overal langs de weg staan geimproviseerde tankstations met vijf, hooguit tien jerrycans brandstof, tien liter elk. De prijs: tweeeneenhalve mark per liter. 'Veel mensen zijn nu in de bloei van hun leven. Ze maken zichzelf wijs dat ze nu businessman zijn. Om de andere dag rijden ze naar Hongarije, slaan daar brandstof in, passeren de grens, stemmen de douaniers en de grenspolitie mild, parkeren hun auto langs de weg… en open die shop.’
De rijkdom is van korte duur, meent Tisma. 'We zullen allemaal arm zijn. We zullen allemaal te maken krijgen met de problemen die we onszelf hebben aangedaan: de vernielde huizen, de daklozen, de werkloosheid, de invaliden. Zelfs als er vrede komt, zal daar een zware hypotheek op rusten. Het is als een zweer: eerst moet de pus eruit, maar daarmee is de wond nog niet genezen. Het zal nog minstens vijftig jaar duren eer dit stuk van de Balkan er weer bovenop is.’
En het zal heel, heel moeizaam gaan. Om maar iets te noemen: de gemengde huwelijken. Tisma kent de cijfers: twee miljoen gemengde huwelijken, tien miljoen mensen afkomstig van twee volkeren. 'Al die miljoenen mensen verliezen door deze oorlog hun identiteit. Waar moeten zij naartoe? Wat moet er met hen gebeuren? Ze horen nergens thuis.’
Bedachtzaam: 'Sehen Sie, ik weet hoe zwak de mens is, ik weet hoeveel stommiteiten ik begaan heb, hoezeer en hoe vaak ik onder invloed van anderen heb gehandeld, hoe ik in hysterische situaties hysterisch ben geworden. En ben ik beter dan al die anderen? Nein, o nein. We hebben allemaal de intentie om een verzetsheld te worden, maar aan het einde van de rit blijken we te zijn geeindigd als een verrader, als een beul. Zo is het hier al eeuwen gegaan, zo zal het nog wel even doorgaan. Dit land is een etterbuil, een kruitvat.’