Mannen van weinig woorden

Noem ze de blueszangers van onze literatuur: jongens uit achterstandsbuurten en gebroken gezinnen. Ze hebben tatoeages, een hang naar ruige vechtsporten, en bovenal een gouden hart. Van die trend is Alex Boogers de voorhoede.

Medium alex boogers def

Als er één schrijver van nu is die aanspraak mag maken op het predikaat ‘volksschrijver’, dan is het Alex Boogers wel. Niet omdat hij de cultstatus of oplagecijfers heeft van Reve, Cremer of Wolkers, integendeel, maar omdat zijn romans steevast gesitueerd zijn in een volks milieu van het soort dat zijn collega’s niet zo van binnenuit kennen.

Ook in zijn nieuwe roman, zijn achtste alweer, herkennen we de arbeidersbuurten van Rotterdam en haar randgemeenten. Er is Harvey, die ze op school ‘die stomme neger’ noemen, die een alcoholistische vader heeft, vaak klappen krijgt, en eigenlijk heel slim is en van boeken houdt. Er is Jacob, een oude zeeman die zich in de polder heeft teruggetrokken om vogels te spotten nadat zijn vrouw overleed in een verzorgingstehuis. En bovenal is er Amy, Harvey’s buurmeisje, die graag tekent, kunstenaar wil worden en een vriendschappelijke band krijgt met Jacob, die ze steeds opzoekt in de polder. Want naar school gaat ze niet meer. Ze zit in de knoop en is daarvoor in behandeling bij dokter Bertrand, die haar aanraadt het dagboek te schrijven dat wij uiteindelijk lezen.

Niet dat ze veel fiducie heeft in die man, die ‘vast uit een bekakt milieu’ komt, ‘met gestudeerde ouders, een grote boekenkast in de woonkamer, en aan tafel gesprekken over economie en politiek’. Nee: ‘Wat weet hij van eerlijkheid? Wat weet hij van echte levens en echte pijn en echte worstelingen?’ Boogers weet daar in elk geval wel alles van. Zijn biografische coördinaten – zoon van een schoonmaakster en een monteur uit Vlaardingen, gebroken probleemgezin, achterstandsbuurten, kickbokstrainer – komen bij interviews en besprekingen onvermijdelijk ter sprake, omdat ze in literaire kringen kennelijk zo zeldzaam zijn.

Maar is dat nog wel zo? Inmiddels kun je voorzichtig spreken van een trend van dit soort literaire buitenbeentjes. Ik denk aan Henk van Straten, Jan van Mersbergen, Auke Hulst, Walter van den Berg… dat soort mannen. Of jongens eigenlijk. Hoe verschillend ze ook zijn, in grote lijnen delen ze dit verhaal: ze zijn opgegroeid in achterstandswijken of plattelandsdorpjes, hadden een jeugd van gebroken gezinnen, ontsporingen, vulden hun cv’s met baantjes voor ongeschoolden, en ooit zijn ze gegrepen door (vooral de Amerikaanse) literatuur, waarna ze alles op alles zetten voor ‘het schrijven’, tegen de klippen op, en daar uiteindelijk succesvol in werden, waarbij succes niet zozeer voor klinkklare verkoopcijfers hoeft te staan maar ook artistiek succes en literaire erkenning kan betekenen.

Ook de uiterlijke overeenkomsten zijn meer dan bijkomstig. Ze beoefenen ruige sporten, hebben tatoeages of spelen in gitaarbandjes. Tekenend zijn al de baantjes die ze vermelden in interviews of hun bio’tjes op Wikipedia: stratenmaker, opperman in de bouw, proefdierverzorger, postbode (Van Mersbergen), horecamedewerker en floormanager van een poppodium (Van Straten), fietskoerier, schoonmaker, conciërge (Van den Berg). Zelfs Tommy Wieringa, die de gebruikelijke keurige academische achtergrond heeft, rept graag van zijn verleden als ‘aanstekerverkoper en spoorweglokettist’.

Het beantwoordt aan een bepaald type romantiek: de schooier die overdag allerlei baantjes heeft en ’s nachts ploetert aan zijn Great American Novel. Want de idolen van al die dorpsjongens en verschoppelingen zijn vooral Amerikaans: Ernest Hemingway, James Salter, Charles Bukowski, John Fante, James Baldwin, John Williams.

Ook stilistisch is hier een verwantschap: geen mooischrijverij, geen stilistische virtuositeit, maar een directheid, een rauwheid, die je volks zou kunnen noemen. Mannen van weinig woorden. De blueszangers van onze literatuur. Ironie zul je hier evenmin aantreffen als geraffineerd gegoochel met fictie en werkelijkheid. Geen diepere lagen, intertekstuele verwijzingen of experimentele vormen. We hebben hier te maken met een andere literaire familie dan de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom en hoewel die meer aansluit bij mijn voorkeuren zie ik wel dat Boogers dit goed doet.

‘De lucht was grijs. Laaghangende bewolking. Het was niet zo koud als ze dacht. Het zou kunnen gaan regenen. Niet sneeuwen.’ Effectief schrijven is het, helder, precies, en met zo’n driekwart aan dialoog leest het soepel weg. Slechts een hoogst enkele keer stuit je op een complexere constructie of een metafoor die meteen zo raak is dat die je bijblijft: ‘De roep van de scholeksters klonk als een geheime morsecode.’

Boogers is iemand van ritmische, quasi-improviserende zinnen, zoals de jazzmuziek die in dit boek een belangrijke rol speelt: ‘Je weet pas wat een buurt kan doen als je er echt woont, en als je er niet woont, dan denk je snel dat iedereen overdrijft, of dat zulke wijken niet bestaan in Nederland, maar iedereen die er woont weet precies hoe het is, en daarom zeggen de jongens op straat vaak: “Je weet toch.” En iedereen weet het. Iedereen in de buurt.’

‘Ik ben een mens. Ik heb een stem. Ik heb een gezicht, en Amy zag het. Ze zág het. Ze hoorde het. Ze aanvaardde mij’

Zo wisselen de drie verhaalstemmen elkaar improviserend af. Hier en daar zijn er vette emoties, of is er grof geweld, en dan volgt er weer een kalmte die nooit helemaal pijnloos is. Boogers weet zijn lezers voortdurend te raken.

Juist hierin zit iets wat ik lastig vind aan dit type literatuur. Vaak gaat het om gevoelige zielen die in een wrede omgeving zijn geboren. Bij Schuld van Walter van den Berg is dat bijvoorbeeld een schrijver te midden van de autochtone, in snackbars hangende, euroshopper-bier drinkende onderklasse van Amsterdam Nieuw-West. Hier is het Amy die dweept met schilders als Frida Kahlo: ‘Die eenzame, gekke, idiote, dwaze, grillige weg. Ik hou daarvan, als je precies doet wat je moet doen, ongeacht de obstakels.’ ‘Alleen maar maken en raken’, jubelt ze elders.

En tegen het einde krijgt Harvey een gepassioneerde monoloog, nadat hij zowaar een stapel papier heeft volgeschreven: ‘Ik was meer dan de zwarte voor wie witte ouders hun dochters waarschuwden. (…) Ik was meer. Ik ben een mens. Ik heb een stem. Ik heb een gezicht, en Amy zag het. Ze zág het. Ze hoorde het. Ze aanvaardde mij. (…) Ik schreef mezelf naar onafhankelijkheid.’

Impliciet is dit ook ‘het verhaal’ van de auteur van dit soort fictie: ook hij heeft zich een weg omhoog geworsteld en is nu kunstenaar, bij de gratie van het publiek dat hem die rol gunt. Er zit – en ik realiseer me dat het raar is zoiets te zeggen over een boek dat zo overloopt van onrecht en geweld – een feel good-element in.

Al die onbegrepen zielen hebben het morele gelijk aan hun kant. Louter omdat zij hun hart volgden, gevoelig bleven tegen de klippen op, enzovoort. Nooit zal een van die underdog-personages eens de slechterik zijn, een echte morele misstap begaan, zichzelf voor dilemma’s plaatsen, zijn hand overspelen. Ze hebben hun spreekwoordelijk gouden hart op de juiste plaats en wij kunnen alleen maar medelijden hebben omdat het lot ze in zo’n onbarmhartige wereld wierp.

Het is niet mogelijk over de moraal van dit boek heen te lezen. Zo beweert Jacob: ‘Ik geloofde dat het hierom ging: hoeveel mensen we ook tegenkomen, en tegen wie we ook op botsen, de hele weg in het leven lijkt bedoeld om uiteindelijk in het gezicht te kijken van die ene vreemde andere, en daar iets voor te betekenen. Zoals Fatima dat deed. Hoeveel mensen proberen echt iets voor iemand anders te betekenen, iemand die ze niet kennen?’

De feel good van het verhaal is dat het de lezer bevestigt in zijn morele wereldbeeld. De gemiddelde lezer zal op voorhand al instemmen met de premissen – racisme is fout, uitsluiting en groepsdruk zijn fout, je hart volgen is goed – en naderhand zal die lezer zich er alleen maar in gesterkt voelen. Zelfs al slagen die gevoelige verschoppelingen er niet of nauwelijks in om aan hun ellende te ontsnappen.

Ja, Jacob heeft z’n doodzieke vrouw ‘toegedekt’ maar dat was uit liefde, en het dorp wantrouwt hem ten onrechte als degene die zijn eigen vrouw zou hebben omgebracht. Zou het niet een dieper drama opleveren als Jacob ergens óók een egoïstische zak was geweest die zichzelf van de ballast van die zorg om haar wilde verlossen? De zakken, dat zijn de anderen.

Zo komt bij geen van de personages die we van binnenuit leren kennen de gedachte op dat het lyrische gedweep van Amy pubergezwets is. Dat ze misschien beter naar school kan gaan, in plaats van de getourmenteerde kunstenaar uit te hangen in het bos. Goed, die psycholoog plaatst vraagtekens, maar die man is van meet af aan al als een elitaire karikatuur in de hoek gezet. O, en haar boze stiefvader wil natuurlijk niet dat ze naar de kunstacademie gaat. De rest stimuleert haar: ‘Voel je het Amy? Kijk naar de penseelstreekjes (…) je móet het voelen!’

Dat gebod tot voelen begon mij steeds meer te benauwen, net als die al te rechtschapen personages. De rollen zijn overzichtelijk verdeeld tussen goedhartige strevers tegenover harteloze obstakels. Er komt van alles naar boven aan pijn en ellende, er zijn een hoop misverstanden, gevechten, gedachten en gesprekken, maar aan het einde van de rit is geen van de hoofdfiguren of hun wereldbeeld fundamenteel veranderd. Ondanks al het geweld schuurt het dus niet op het niveau waarop je wilt dat literatuur schuurt.

‘De grijze wereld moet voor het gemak steeds meer zwart-wit worden’, is het verwijt dat Amy aan haar dokter Bertrand maakt. Gaandeweg kreeg ik steeds meer het gevoel dat ze dat ook kon zeggen tegen haar schepper.