Peter Post over opvoeden en mannenvriendschap

‘Mannen zijn ook gevoelig’

Psychiater en psychotherapeut Peter Post had in het begin van zijn huwelijk grote moeite om niet van de sokken gelopen te worden. Maar hij veroverde zijn plek in het huishouden en nam zorgtaken over van zijn vrouw.

‘Mijn vader heeft een belangrijke stap gezet naar de middenklasse, zowel maatschappelijk als in zijn privé-leven, dat was een emancipatieproces’, vertelt psychiater en psychotherapeut Peter Post (52). ‘Hij kon goed leren, en hij heeft – met steun van de overheid – eerst een opleiding gevolgd tot belastinginspecteur en is later rechter geworden. Hij kwam uit een gereformeerd milieu en moest zich daar eerst van losmaken om de band met de kerk in een later stadium weer te kunnen herstellen, maar nu vanuit zijn eigen emotionele behoeften. Van moeders zijde had mijn grootvader de stap naar de middenklasse al gemaakt, die werd na een lange weg uiteindelijk accountant. Maar toch is mijn oma na haar huwelijk prompt gestopt met werken.

In het begin van de vorige eeuw is er ook een ingrijpende emancipatiegolf geweest natuurlijk, maar daarna heeft dat proces, waarschijnlijk door de oorlog, lange tijd stilgestaan. Voor mijn moeder golden die conventies ook nog, zij het in mindere mate. Zij heeft rechten gestudeerd en voelde zich altijd erg betrokken bij de vrouwenemancipatie, ze is bijvoorbeeld actief geweest binnen de actiegroep Man Vrouw Maatschappij, maar ook zij stopte met werken toen ze een kind kreeg. Ze heeft later wel een eigen loopbaan als docent opgebouwd, maar ze gaf niet fulltime les.

Mijn ouders hadden de taken zowel binnen- als buitenshuis verdeeld op een manier die paste in die tijd. Ook emotioneel en opvoedkundig. Mijn vader steunde en stimuleerde haar ontwikkeling van harte, maar binnen het gezin was hij toch degene die zich wat afstandelijker opstelde, terwijl mijn moeder gevoelsmatig wat toegankelijker was. Die emotionele afstandelijkheid was een kenmerk van veel mannen van zijn generatie. Mannen vonden het moeilijker om met baby’s en kleine kinderen om te gaan. Ze hadden daar minder ervaring mee en waarschijnlijk mochten ze het ook niet altijd van de vrouwen in hun naaste omgeving. Dat behoorde niet tot hun takenpakket. Ik heb de indruk dat de meeste mannen van mijn leeftijd daar aanzienlijk minder moeite mee hebben.’

inmiddels ben je zelf vader van twee dochters, doe jij het anders?

‘Ik denk het wel ja. De oudste, Roxanne, is negentien en Minou is tien. Ik was 33 toen ons eerste kind geboren werd en ik had een vage kinderwens, die er voornamelijk op neerkwam dat ik het voorlopig nog wel even wilde uitstellen. Waarschijnlijk ben ik in een aantal opzichten tamelijk laat volwassen geworden, zo ook in dit opzicht, maar tegenspartelen hielp niet, want ik ben met een buitengewoon sterke, voortvarende vrouw getrouwd, en zij heeft ervoor gezorgd dat ik me erbij neerlegde dat dit het juiste moment was. Met veel liefde overigens. Maar zij sloeg op dat moment de trom. Ik heb – vooral in het begin van ons huwelijk – moeite genoeg gehad om niet van de sokken gelopen te worden.

Toen mijn dochter eenmaal geboren was, gebeurde er iets waar ik in het geheel niet op had gerekend: ik was meteen dusdanig verkocht dat ik de eerste week alleen maar bij mijn vrouw en de baby in het kraambed heb gelegen. Ik was stapelverliefd op dat schatje! Zelfs zo dat ik een beetje met haar aan de haal ben gegaan in de eerste jaren. Ik vind het altijd nog heel knap en genereus van mijn vrouw dat ze me dat heeft kunnen gunnen, zonder daar jaloers of onzeker van te worden. Mijn vrouw zei altijd: ach, dat komt nog wel. En dat klopte ook. Op een ­gegeven moment begon mijn dochter zich uit eigen beweging wat meer op haar moeder te richten.

Aanvankelijk moest ik natuurlijk leren hoe het is om een kind te hebben. Ik was me daar toen niet zo van bewust, maar als ik op die perio­de terugkijk realiseer ik me dat het me volstrekt ontbrak aan training en voorbereiding. Ik wílde het overigens wel heel graag leren, want het feit dat ik een kind had bleek een emancipatorische snaar bij me te raken. Ik wilde thuis volledig meedraaien. Als er nu jongens bij ons over de vloer komen om een avondje op de jongste te passen, valt me op dat ze allesbehalve onhandig zijn met kinderen. Dat zal ook wel iets te maken hebben met deze rare, elitaire biotoop in Amsterdam-Zuid waar wij wonen. Die jongens zijn kennelijk opgevoed met het idee dat jongens en meisjes niet zo drastisch van elkaar verschillen, als het op verzorgend gedrag aankomt. Maar voor mij was het nieuw.

Toen de tweede werd geboren heeft mijn vrouw me gemotiveerd om mijn baan in een psychotherapeutische dagbehandeling op te zeggen en een psychiatrische praktijk aan huis te beginnen, zodat ik nu elke dag vanaf drie uur ’s middags klaar zit om de kinderen op te vangen. Dat was een prima idee, daar heb ik geen moment spijt van gehad. Ik heb de telefoonnummers van alle moeders op school bijvoorbeeld. Ik kook vaak en regel het schema van de kinderen als ze moeten sporten en dergelijke. Marlou, mijn vrouw, heeft een verantwoordelijke baan van vijf dagen in de week, en dat combineert ze heel vaardig, heel geëmancipeerd en heel vitaal met de rol die ze speelt in het gezin. Ik heb daar alle respect voor. Maar het betekende wel dat zich – zeker in het begin – een vrij heftige emancipatiestrijd tussen ons heeft afgespeeld, omdat ik moest knokken voor mijn eigen plek en mijn eigen manier om het huishouden te runnen. Die plek heb ik naar mijn gevoel echt moeten veroveren. Dan kwam ze bijvoorbeeld thuis, gooide haar jas en haar tas ergens neer, pakte een houten lepel en begon meteen in de pannen te roeren. Wat mij het gevoel bezorgde dat ze de regie van me overnam, alsof dat volkomen vanzelf sprak. Aanvankelijk was ik op zulke momenten nogal overdonderd, maar na verloop van tijd ben ik daartegen in verzet gekomen. Toen durfde ik tegen mijn vrouw te zeggen: hoho, ontspan je, ga eens even rustig zitten, schenk een borrel in of zoiets, en voeg je een beetje in de sfeer die wij hier met zijn drieën al hebben opgebouwd.’

maar voor die alternatieve, zorgzame vaderrol heb je dus niet te rade kunnen gaan bij mannen die een voorbeeldfunctie vervulden?

‘Nou, ja en nee. Ik heb bijvoorbeeld veel geleerd van de homowereld. Ik heb een zwager die homoseksueel is, en toen Roxanne een jaar of drie was raakte ik opeens gefascineerd door het uitgaansleven in die kringen. Niet in ­seksuele zin, maar omdat die homomannen een bron van inspiratie voor me vormden – door de eigenzinnige manier waarop ze hun eigen koers bepaalden en allerlei brave conventies aan hun laars lapten. Jaren later, toen Minou, mijn jongste dochter, geboren was, merkte ik dat het vaderschap me stukken soepeler afging met de tweede, omdat ik meer ervaring en meer zelfvertrouwen had gekregen. Op de school van de kinderen zag ik natuurlijk wel dat er ook vrouwen waren – en een enkele man – die een nieuwe invulling probeerden te geven aan het ouderschap. Als je een baan met de zorg voor kinderen wilt combineren moet je zoveel diverse ­vaardigheden leren beheersen dat je je ogen en oren niet wijd genoeg open kunt houden om iets op te pikken van de manier waarop anderen het doen.

Maar uiteindelijk heb ik toch het meest van mijn vrouw geleerd, soms door haar te kopiëren, soms door erover te praten, maar soms ook door strijd. Dat hoort erbij, denk ik. Wat dat betreft mag ik me gelukkig prijzen met een vrouw die tevens een heel goede moeder is en die het geduld heeft opgebracht om mij te helpen groeien. Waar ik ook veel van heb geleerd is mijn vriendenclub, allemaal jongens die ik al twintig jaar of langer ken, en met wie ik van alles heb meegemaakt. Wij spreken elkaar heel direct aan op kwetsbaarheden, maar ook op onhebbelijkheden, en meer in het algemeen op de keuzen die we in het leven maken. En dan kan het er soms wel eens zo tumultueus aan toegaan dat een van de vijf leden van dat clubje om die reden tien jaar geleden is afgehaakt. Die vriend trok het niet meer. Dat was een grote schok voor de rest, daar hebben we het zeker nog een jaar of drie over gehad. Het bleek moeilijk te verwerken dat die intieme band zomaar kon worden opgezegd, alsof het een echtscheiding betrof. Ja, die zwaarte had het echt voor ons. We zien hem allemaal nog regelmatig, maar hij doet niet meer mee aan onze maandelijkse etentjes en onze gezamenlijke vakanties.

Wij gaan de levensvragen die er werkelijk toe doen nooit uit de weg. Een paar jaar na het vertrek van degene die eruit stapte is een andere vriend voorzichtig toegetreden. We hadden hem al eens eerder gevraagd, maar toen was hij er blijkbaar nog niet in geïnteresseerd. Deze keer lukte het wel. Wat ik dapper vind, want het lijkt me best een grote stap om je bij zo’n hecht verbonden groepje aan te sluiten.’

dat klinkt alsof het een formele ‘club’ is, met ballotageprocedures en al.

‘Nee hoor, absoluut niet! Ons groepje van vijf is ontstaan omdat wij toevallig een stel jongens waren die in onze studententijd veel met elkaar deden. Aanvankelijk natuurlijk nogal vrijblijvend. Dat is pas veranderd toen twee van de vijf gingen trouwen, en we de dag daarvoor met zijn vijven bij een waarzegger zijn geweest die ons van alles heeft verteld over het verloop van de rest van ons leven, gebaseerd op onze geboortedata. Daar hebben we het toen de hele verdere dag over gehad, om erachter te komen wat dat voor ieder persoonlijk betekende, en vervolgens zijn we nog snoeihard gaan karten, waarbij we elkaar uiteraard van de baan probeerden te rijden, in een uitgelaten stemming. En tot slot van dat feest zijn we bij iemand gaan koken en daar hebben we wel tot zes uur in de morgen zitten praten, over allerlei intieme dingen die we nog nooit eerder tegen een ander hadden uit­gesproken.

Dat was een doorbraak! En die sessie heeft zich toen een keer of tien herhaald. Daarna werd het al gauw een speciale band, die we allemaal buitengewoon serieus namen. We hadden toen ook nog geen kinderen, dus we konden er de tijd voor nemen. We gingen bijvoorbeeld naar het North Sea Jazz Festival en dan lagen we daar alle vijf op een rijtje, languit, op onze buik, zonder dat we er erg in hadden dat de rijen voor ons en achter ons allang verdwenen waren, omdat we zo druk bezig waren met kletsen dat we nergens anders oog voor hadden.

Overigens delen we de groep soms met de vrouwen en de kinderen. Ik heb de indruk dat onze vrouwen die vriendenclub ook erg waarderen. Ik denk, en voor mijn vrouw geldt het zeker, dat ze de groep als een belangrijk steunpunt en klankbord in ons leven zien, en indirect dus ook voor hen.

Nee, mijn vrouw is nooit jaloers geweest. Elk jaar eten we met elkaar in december en dan zijn onze vrouwen er ook bij: dat zijn gedenkwaardige kerstdiners. Soms doen we dan bijvoorbeeld een rondje waarbij alle deelnemers de mooiste maar ook de moeilijkste momenten van het afgelopen jaar aanstippen. Zo eerlijk mogelijk, zonder terughouding. Dat kan wel eens confronterend zijn, maar op die manier kunnen de vrouwen even iets proeven van het onderlinge vertrouwen dat wij hebben opgebouwd. En ons en passant misschien ook een beetje controleren, knipoog?’

heb jij het gevoel dat de maatschappij er beter van is geworden dat de mannen van jouw ­generatie hun ‘gevoelige’ kant hebben leren ­ontwikkelen? Of is die winst puur individueel?

‘Dat weet ik niet zeker. Voor mij is het pure winst, maar we zijn er nooit expliciet op uit geweest om de maatschappij te hervormen of om een voorbeeld te stellen aan anderen. Die eerste tijd, toen we onszelf net hadden leren openstellen voor elkaar, leidde dat wel eens tot een ware uitbarsting van… ja, van wat eigenlijk? Herkenning, lotsverbondenheid, male bonding?’

En wat is dat dan precies, male bonding?

‘Tja, hoe moet je dat omschrijven? Het is een gevoel van vriendschap waarin acceptatie een grote rol speelt. Onderlinge steun en aanmoediging. Maar elkaar ook rechtstreeks kunnen aanspreken. Het groepsgevoel: samen op jacht, met hetzelfde doel. Wat soms met zich meebrengt dat je minder rekening houdt met elkaar dan met anderen, omdat het “toch wel goed zit”. Al kun je je daar wel eens lelijk in vergissen. Maar ook dat is interessant, want daar leer je wat van, met name over jezelf.

De mens is nu eenmaal een diersoort die geboren wordt met een balk in het eigen oog: je hebt de blik van anderen nodig om je van die blinde vlek bewust te worden. Dat geldt zowel voor mannen als voor vrouwen.’

Hebben we het nu over een uniek verschijnsel, of hebben meer mannen van jouw leeftijd de waarde van de mannenvriendschap ontdekt als middel om hun eigen identiteit gestalte te geven?

‘Ik ken er eigenlijk geen voorbeelden van in mijn omgeving. Maar ik denk dat zulke gevoelens van vriendschap zich door de eeuwen heen wel op die manier zullen hebben ontwikkeld. Ik heb eens een boekje gekregen, van een van de ­vrienden, met teksten van Cicero over vriendschap, heel herkenbaar. En neem Michel ­Montaigne, die in de zestiende eeuw een lofrede schreef over zijn boezemvriend ­Etienne de la Boétie, die hij als zijn hoog­geachte en uit­verkoren medepassagier in het leven beschouwde.

We leven in een tijd van grote welvaart, duizelingwekkende mogelijkheden om met elkaar te communiceren en toenemende individualisering. Ik vermoed dat dat de ruimte heeft gecreëerd om te reflecteren op je eigen ambities, ideeën, gevoelens en ervaringen. Volgens mij zijn er altijd elitaire groepen geweest die zich de luxe konden permitteren om dat persoonlijke domein te verkennen. Tegenwoordig is dat voor veel grotere groepen weggelegd dan in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Niet alleen vrouwen hebben die ruimte vervolgens ontdekt en genomen, zoals we gezien hebben in de jaren zestig en zeventig, maar ook mannen zijn er sterker en zelfstandiger door geworden.

Mannen onderscheiden zich volgens mij wel van vrouwen door het feit ze geprogrammeerd zijn – waarschijnlijk ook genetisch – om maatschappelijke prestaties te leveren en dat ook van hun kinderen te eisen. Terwijl de vrouwen en moeders meer geneigd zijn om de kinderen emotioneel in bescherming te nemen. Mannen spelen wat dat betreft dus een iets andere rol in het gezin dan vrouwen, en dat zal ook wel altijd zo blijven. Wat niet wegneemt dat mannen ook gevoelige wezens zijn en dat graag tot uiting laten komen, als ze de kans krijgen.

Meisjes houden zich van jongs af aan meer bezig met relaties, met de gevoelswereld van anderen en zichzelf. En met mooi zijn natuurlijk. Allemaal dingen die mannen later ook belangrijk gaan vinden, als het op de keuze van een vrouw aankomt. Jongens wordt geleerd om zich te specialiseren in één ding, die dromen ervan om spits te worden in het Nederlands elftal, of ze willen dokter worden, net als hun vader. Het soort maatschappelijk succes dat vrouwen later ook gaan meewegen, als ze een partner voor het leven kiezen. Of de man van hun keuze tevens bereid en in staat is om zich aan de kinderen te wijden is veel minder zichtbaar, dus dat zal die man dan nog moeten bewijzen. Bijvoorbeeld door zijn charme in de strijd te gooien.’

Als je nu terugkijkt op je leven, en ook op je psychotherapeutische praktijk, heb je dan het gevoel dat je een voortrekkersrol hebt gespeeld?

‘Dat weet ik niet. Het enige wat ik daarover kan zeggen is dat de verhoogde sensibiliteit van mannen onder elkaar wel een thema is geweest dat gedurende mijn hele leven een belangrijke rol heeft gespeeld. Ik kan het iedereen dan ook van harte aanbevelen. Je staat een stuk sterker in het leven als je iets van jezelf durft te tonen en dat met anderen kunt delen.’