23 november 1922 - 15 januari 2012

Manuel Fraga Iribarne

De ambitieuze Galiciër Manuel Fraga was onder Franco minister van Toerisme en zorgde ervoor dat de Spaanse toeristenindustrie uitgroeide tot een van de grootste ter wereld. Fraga was dol op macht, en zo wendbaar als een klapdeur.

‘HISPANIA ES DIFERENTE’ was in de jaren zestig de slogan van de snel groeiende Spaanse toeristenindustrie. Spanje was in die tijd beslist anders, in elk geval anders dan de meeste West-Europese staten waar de bevolking het sinds 1945 weer voor het zeggen had. Zelfs de westelijke helft van Duitsland was omgebouwd tot een functionele democratie. Spanje had in die tijd een imagoprobleem. De inmiddels bejaarde generalissimo Francisco Franco regeerde over een ronduit achterlijk land dat berooid was achtergebleven na het verlies van zijn Latijns-Amerikaanse koloniën en de burgeroorlog van de jaren dertig. Na de oorlog was het in een politiek en cultureel isolement terechtgekomen, wat voornamelijk was te danken aan Franco, die dat isolement toejuichte.
De man die meer dan enig ander heeft gedaan om het imago van het franquisme op te poetsen was Manuel Fraga, een ambitieuze Galiciër die na zijn studie rechten en economie in 1945 meteen in dienst trad van het regime. Hij vervulde talloze functies in de bureaucratie, het landsbestuur en de diplomatie. Fraga’s grootste succes was zijn campagne om Spanje op te stuwen in de vaart der toeristenfolders. Als minister van Toerisme tussen 1962 en 1969 bedacht hij hoogstpersoonlijk de bovengenoemde slogan, die deze week weer in alle herdenkingsartikelen te lezen was. Fraga schrapte de omslachtige visaprocedures, stroomlijnde het vergunningenstelsel en faciliteerde de bouw van de onafzienbare rijen prefabhotels die we tegenwoordig met de Spaanse costas associëren. De Spaanse toeristenindustrie groeide uit tot een van de grootste ter wereld, jaarlijks goed voor vijf tot tien procent van het nationaal inkomen.
Fraga was wendbaar als een klapdeur en bleef als een van de weinige bestuurders na Franco’s dood in 1975 actief in de politiek. Hij wierp zich op als minister van Binnenlandse Zaken in de overgangsregering en schreef als bewijs van goed gedrag mee aan de nieuwe democratische grondwet. Hij richtte een nieuwe partij op, de conservatieve Partido Popular (PP), en trachtte daarin zo veel mogelijk vriendjes uit het oude regime binnen te sluizen. Als minister benoemde hij de gevluchte leider van een Argentijns doodseskader tot zijn veiligheidschef. Zijn beleid was buitengewoon lomp en werd gekarakteriseerd door een andere slogan: '¡La calle es mía!’ ('De straat is van mij!’). Het beviel hem niet dat een deel van het Spaanse volk zijn herwonnen vrijheid met demonstraties vierde; democratie of niet, orde moest er zijn.
Dat hij onder het oude regime ook minister van Informatie was geweest, legde hem intussen geen windeieren. Hij kende de eigenaren van alle grote media én hij kende hun politiedossiers. De PP ging een verbond aan met de Spaanse boulevardpers en commerciële pulpzenders dat tot vandaag standhoudt. In die omgeving werd de latere premier Aznar publicitair klaargestoomd voor zijn rol. Het liefst was Fraga zelf premier geworden, maar daarvoor was hij onder Franco niet machtig en na Franco’s dood niet geloofwaardig genoeg. Hij nam genoegen met het presidentschap van de regio Galicië waar hij ook al 'iedereen kende’. Hij regeerde er als een despoot, waarbij hij gebruik maakte van het oude patronagesysteem uit de Franco-tijd. Galicië bloeide net als de rest van Spanje op. Er werden veel wegen, bruggen en andere infrastructurele verbeteringen aangelegd, maar net als in de rest van Spanje gebeurde dat voornamelijk met Europees geld, dat voor een deel in bevriende zakken verdween.
De officiële reacties op zijn dood laten zien dat de verwerking van het franquistische verleden in Spanje nog altijd moeizaam vordert. De PP noemde zijn stichter eerbiedig 'één van de grote figuren van de vorige eeuw’. De Socialisten lieten het bij een beleefdheidsfrase die herinnerde aan Fraga’s bijdrage aan de democratische grondwet van 1978. Met Fraga stierf 'de laatste grote figuur van de Franco-dictatuur’, schrijft het dagblad Diario16, dat niet zo'n last heeft van strategische vergeetachtigheid.
Fraga had een aandeel in sommige van de grootste excessen van de Franco-tijd, bijvoorbeeld in de executie van communistenleider Julián Grimau die in 1962 was gearresteerd. Grimau werd gemarteld en met zijn hoofd naar voren uit een raam op de tweede verdieping van het politiebureau gegooid, hetgeen hem bijna fataal werd. Vervolgens werd hij door een militair tribunaal ter dood veroordeeld wegens zijn aandeel in de burgeroorlog van 25 jaar geleden. De regering moest de uitvoering van het vonnis bekrachtigen. In een tien uur durende kabinetsvergadering verzette de minister van Buitenlandse Zaken zich zwakjes tegen uitvoering van het vonnis, maar ging tenslotte overstag. Fraga stak zonder enig bezwaar zijn hand op.
Vragen over dit politieke verleden ontliep hij altijd zo veel mogelijk. Wanneer hij die toch kreeg voorgelegd, meende hij eenvoudig alle verantwoordelijkheid te kunnen ontlopen. In 2001 werd hem tijdens een perslunch de vraag gesteld of hij spijt had van zijn aandeel in de dictatuur. 'Je kunt het historisch tijdperk waarin je leeft nu eenmaal niet uitkiezen’, was zijn antwoord. Het is de typische uitvlucht van de overlever: de dictatuur was vooral zijn eigen probleem geweest, niet dat van de slachtoffers. Hij had er het beste van gemaakt en was daar niet weinig trots op.
Terwijl Franco’s politieke tegenstanders naar het buitenland waren gevlucht vanwaar ze slechts wanorde in hun vaderland stichtten, had hij, Manuel Fraga, zijn plicht voor Spanje gedaan. En voor zichzelf natuurlijk. Fraga was een machtspoliticus in hart en nieren. Hij ademde macht en hij genoot ervan als ondergeschikten tijdens zijn notoire woedeaanvallen ineenkrompen. Het beste bewijs is misschien wel dat hij overleed kort nadat hij zijn laatste politieke functies had neergelegd. Als doodsoorzaak werd - hoe symbolisch - 'zuurstoftekort’ opgegeven.