Manuscriptus

Meer dan 120 auteurs komen begin volgende maand naar Manuscripta, de grote manifestatie waarmee het boekenseizoen opent. 120. Ik moest een beetje nerveus grinniken toen ik dat getal hoorde. 120. Dat zijn drie schoolreis­bussen, vol met schrijvers en even zoveel boeken die ergens in de komende maanden verschijnen.

Ik ben er ook bij, als een van die 120. De ­voornaamste rol die Manuscripta voor ­schrijvers kan vervullen, is dat het ze geneest van de ­overmoed die onlosmakelijk met hun vak is ­verkleefd. Je moet over een fabelachtige ­overmoed beschikken om je jarenlang op te sluiten in je ­zelfgeschreven taalkathedraal, en dan, aan het eind van de zomer, zonder nog een drukproef gezien te hebben, kom je die kathedraal ‘vertegenwoor­digen’.

Ergens op het terrein van de Westergas­fabriek in Amsterdam, ergens op die immense huishoudbeurs voor de boekenbranche, loop je rond met die ­kathedraal in maquettevorm onder je arm, en dan zie je ineens al die 119 anderen met hun kathedraalmaquettes rondlopen. Ze lezen eruit voor op bolderkarren die over het terrein rijden. Ze praten erover op geïmproviseerde podia tussen de marktkramen van de uitgeverijen, vol opgestapelde dummy’s, posters, voorpublicatieboekjes, flyers, tasjes, agenda’s, koffiemokken en boeken­leggers. Ze worden kortom met hun neus op de feiten gedrukt.

Daarbij hoort ook dat ze hun potentiële lezers te zien krijgen. De lezer, die rare, wat onbestemde figuur waar je je nooit helemaal een voorstelling van kon maken maar die toch een beslissende laatste schakel is in de bouw van je kathedraaltje. Zonder gelezen te zijn bestaat het boek alleen op de manier waarop een kind bestaat in een volgespoten condoom: in potentie. Jouw woorden moeten als de bliksem de breinen gaan bevruchten van al die mensen die hier rondscharrelen. Bij een eerdere editie waren het er zo’n zesduizend. Dat betekent dat er voor elke schrijver ­theoretisch gezien vijftig vruchtbare breinen ­afreizen: één buslading p.p. Maar dat is slechts theorie. In werkelijkheid willen al die loopse breinen zich allemaal door dezelfde twee of drie super­sterren laten volspuiten, en mag de rest zich in het beste geval behelpen met de afdankertjes, de verwarde dames die per ongeluk de verkeerde route hebben gevolgd, menend in de Zuiveringshal uit te komen, maar ineens in de Machinekamer zijn beland.

Dan moet je toeslaan. Die moet je hebben. Die moet jij op jouw beurt weer met hun neus op de feiten drukken en je moet stug, verbeten en vooral zonder mededogen die mooie kathedraal van je over ze heen storten. Want als je er eenmaal een paar bevrucht hebt, als je een paar van die breinen te grazen hebt genomen, dan kan er een massale conceptie volgen via het raadselachtige principe van de mond-op-mondreclame.

Dat klinkt allemaal nogal smerig en dat is het ook. Toch is er geen uitweg. Je schrijft boeken in de eenzaamheid van een werkkamer, die in de eenzaamheid van een andere, onbekende kamer hun voltooiing moeten beleven. Maar daartussen liggen onvermijdelijke fysieke uitwisselingen – geld­transacties en jezelf live tonen aan het ‘publiek’, dat net als bij de reguliere huishoudbeurs hoofdzakelijk vrouw is.

Over vrouwen gesproken: waarom is er trouwens gekozen voor de vrouwelijke vorm van het adjectief, manuscripta? Heel eenvoudig: om dezelfde reden waarom we Lätta en Linera op ons brood smeren, we Rivella en Activia ­drinken, we Vitalinea naar binnen lepelen en ons gat ­afvegen met Popla. Wat op -a rijmt deugt nu eenmaal. Altijd. Het heeft het aureool van natuur en gezondheid, lentezon, alpenweides en hagelwit ondergoed. We laten nog liever een verstandskies trekken dan Rivellus te moeten drinken of aan repen Milkus te knabbelen.

Toch is de associatie met die lenteachtige frivole a-merknamen misleidend. Literatuur past namelijk eerder bij de duisternis dan bij het licht. Anders dan de sporttoernooien, die grotendeels in het voorjaar en de zomer tot uitbarsting komen, concentreert het literaire bedrijf zich op de duistere helft van de kalender, als de -ber weer in de maand zit.

Sinterklaas en Kerst, luidt de officiële verklaring, maar die klinkt me te plat. Ook in Sinterklaasarme streken als Frankrijk is de literaire rentrée een herfstevenement. Als we eerlijk zijn, zouden we het evenement moeten omdopen tot het robuuste MANUSCRIPTUS, en die huisstijl van azuurblauw plus regenboog moeten vervangen door meer funeraire tinten.

Ik zou het geweldig vinden, maar ik ben ook niet blind voor commerciële belangen.

Zoals veel grotere evenementen heeft ook Manuscripta voor mij iets dubbels: ik wil er niet zijn, maar wil er ook niet níet zijn. Je moet er toch niet aan denken hiervoor níet gevraagd te worden, níet tot die 120 uitverkoren beloftes van het nieuwe seizoen te behoren. En omdat ik er net iets liever niet níet ben dan dat ik er niet ben, zal ik er zijn. Soms is alles kinderlijk eenvoudig.