Marc groet ’s morgens de smartphone

Donderdag 18 juni werd de Jan Hanlo Essayprijs Klein uitgereikt in Pakhuis de Zwijger. Het winnende verhaal van Miriam Rasch staat deze week in de Groene, de andere genomineerde essays verschijnen deze week op de site. Vandaag: Benjamin De Mesels ‘Marc groet ’s morgens de smartphone’.

Wanneer wij schrijvers van de liefde zingen, klinkt het dat ze machtig is en geen grenzen kent. Hooghartig wars is ze van leeftijd, ras, geslacht en klasse. Ze laat zich niet tegenhouden door de muren van een paleis, de woorden van een taal of de gebruiken van een tijd. Toch zetten we haar meestal onbewust en zelfvoldaan gevangen tussen mensen, gegrepen door het vooroordeel dat liefde voor mensen de hoogste en mooiste vorm van liefde is.

Nu en dan behaagt het ons wat liefde aan een dier te geven, maar dat zijn kruimels die van tafel vallen. Het is barmhartigheid die de orde bevestigt: wij mensen zijn de hoge heren van de liefde. Alleen wanneer het dier voldoende op ons lijkt, willen we namen geven en desnoods van liefde spreken. Maar van geliefden en partners gewagen we niet, de liefde voor een dier wordt meestal niet zo heel intiem bedreven. We storten ons voor hen maar zelden in ’t verderf, en slapen doen zij hoogstens aan het voeteneinde van ons bed. Wij zijn het centrum van de liefde, zij de periferie. Terwijl het doodsbed van een kind, de uitvaart van een dochtertje, ons tekent voor het leven, ontlokt het droevige lot van de spin Sebastiaan ons gevoelig gemoed (want schrijvers blijven wij) slechts een schamele traan.

Hoe verder we de ladder der levenden afdalen, hoe minder we geneigd zijn om van liefde te zingen. Kopland voelde iets voor jonge sla, maar ware liefde was dat niet. Ze vervluchtigt verder in Marsmans gevoelens voor ijle populieren, lost op in zijn brede rivieren en verdwijnt ten slotte in Buddingh’s kooitje met niets erin. Kortom, wij schrijvers houden de liefde het liefst onder mensen, en als ze niet tussen mensen is, is ze minstens een zaak van levenden. Luister naar Hanlo. Hij weet niet waarover te zingen, het wordt de liefde of de dingen.

Zijn de dingen dan geen geschikte kandidaten voor onze liefde? Neem het kooitje. Het staat daar stom te staan. We vinden het wel mooi, maar het spookt nooit door ons hoofd. Het hoort bij de oude dingen van de oude schrijvers die Marc al honderd jaar lang ’s morgens groet: de stoel, het brood, de tafel, de pijp, de pet. Wie zijn band met een brood als liefde omschrijft, heeft ergens iets niet goed begrepen. De oude dingen zijn niet zoals wij, alles menselijks is hen vreemd.

Hoe anders is het met de nieuwe dingen waarover wij schrijvers zo weinig zingen! De slimme telefoon, de tablet, de computer! Net als wij rekenen en denken zij. Ze ontwaken ’s morgens naast ons, brengen belangrijke berichten en onderhouden ons met roddels. Ze roepen ons als er wat is. Ze zijn feilbaar op het ergerlijke af, bijvoorbeeld wanneer ze gedichten vertalen. Ze hebben al eens een slechte dag, worden getroffen door een virus of lopen vast in hun gedachten. Soms antwoorden ze, soms luisteren ze niet. We praten en roepen en vloeken tegen hen. Ze hebben iets van mensen.

Niet zomaar van mensen, maar van geliefden. Ze gaan overal mee, we houden hen dicht bij ons. Het zijn bakens van vertrouwen die ons de wereld helpen dragen. Zonder hen zijn we verweesd als kinderen zonder teddybeer. Geregeld kijken we of ze er nog zijn. ‘Even checken’, en daar past een ernstige, geconcentreerde gelaatsuitdrukking bij. Als we ergens uitgenodigd worden, nemen we doorgaans geen kooitjes of broden mee, maar wel onze nieuwe dingen, want meer nog dan onze menselijke partners (voor wie we soms toch nog even vragen of zij ook welkom zijn) horen ze bij ons. Wie ons uitnodigt, nodigt ons ding uit.

Liefde is ook afhankelijkheid. Onze ontluikende liefde voor de nieuwe dingen gaat gepaard met aanvallen van onweerstaanbare drang. ‘Ting!’ klinkt het dwingend. Het moet gezien worden, het mag niet onopgemerkt blijven. Het is nieuw en misschien wel belangrijk. Sinds de nieuwe dingen er zijn, lijkt het autonome, zelfbewuste individu definitief ontmaskerd als de vreemde mythe die het altijd al was. Ze sturen ons. Nu check ik en ik kan niet anders.

Ze hebben zich, zoals het geliefden betaamt, behoorlijk onmisbaar gemaakt. Zijn ze stuk, dan weten we ons geen houding te geven. We voelen ons leeg, de uren zijn lang. Plots zijn we zo geïsoleerd, zo alleen met onszelf, zo onverbonden als de man in Elsschots Huwelijk die in de doffe ogen van zijn vrouw vergeefs vervlogen liefdesvonken zoekt. Om gek van te worden! Maar doodslaan doen we niet, we blijven wanhopig zoeken naar manieren om de verbinding te herstellen. Doelloos drukken we op knopjes die ons ooit begrepen. Als met stabiele liefde besef je pas wat je had als het niet goed meer gaat. Als de verbinding hersteld is, halen we opgelucht adem. We zijn niet langer teruggeworpen op het naakte zelf waar we als netwerkmensen geen raad mee weten. Samen met de nieuwe dingen kunnen we alles aan.

Ze tonen ons zoals we gezien willen worden. In gezelschap is er altijd wel iemand die zijn geliefde ding bovenhaalt, en even later liggen de blinkende nieuwe dingen ter vergelijking op tafel, als boden zij een verhelderend objectieve, laagdrempelige maar niettemin zedige inkijk in de essentie van ons zijn. Die essentie, onze nieuwe identiteit, is geen ziel meer als in klassieke tijden, maar de plaats die we innemen in het netwerk. Als ons toestel de hele avond trilt en zoemt (we hebben beleefd het geluid gedempt), dan weten de mensen dat we niet zomaar voorwenden iemand te zijn. Het is voor iedereen duidelijk dat onze identiteit druk bevraagd wordt, en druk druk druk dwingt respect af.

Doortastender en genereuzer dan geliefden helpen de nieuwe dingen in goede en kwade dagen om ons imago krasvrij te houden. Ze vertellen ons blijmoedig, duim omhoog, hoeveel vrienden we hebben en tellen ruimhartig ook diegenen mee die we nog nooit zonder bemiddeling van het ding hebben gezien of gehoord. Vinden wij leuk. Op gepolijste profielen is ons leven mooier en authentieker dan we het durfden te dromen. Iedereen ziet dat we geen gulzige opscheppers zijn, we koesteren gewoon het simpele geluk van huis en kind. Verzinnebeeld door selfies waarop we schalks glimlachen verspreidt het nieuws van al weer een bijzonder geslaagd leven zich fluks van ding tot ding. Sneller dan van mens tot mens, want inniger dan mensen zijn de nieuwe dingen verbonden in een wereldwijd web.

Ze kijken steeds beter bij ons binnen, ze weten dat echte liefde geen geheimen kent. Onze dichtste mensen hebben moeizaam geleerd om hier en daar een oppervlakkige gedachte te lezen. Menselijke beminden kennen ons lichaam een beetje, maar toch vooral bepaalde onderdelen. De dingen gaan grondiger en systematischer te werk. Computers brengen ons brein in kaart en scannen nauwkeurig ons lichaam. Onvermoeibaar meten ze stappen en hartslagen. Ze weten welke schoenen we kopen en rekenen ons daarvoor een prijs aan die bij onze financiële mogelijkheden past. Aan de nieuwe dingen geven we ons onbeschaamd bloot, we worden langzaam transparant voor hen. Dat maakt ons gevoelig voor hun oordeel en kwetsbaar voor hun wraak, want het geeft hun de macht die enkel geliefden hebben om zich meedogenloos te vergrijpen aan de zwakheden die we zo achteloos en argeloos prijsgaven.

Ze kennen ons, maar kennis is geen liefde. Waar blijft de intimiteit die echte liefde kenmerkt? Ga naar de slaapkamer, brandpunt van intimiteit, en zie hoe de nieuwe dingen onverhoeds zijn binnengedrongen. De oude blijven zwijgend waar ze altijd waren; ze kennen hun plaats. Ze zijn levenloos, een beetje lomp en in zichzelf gesloten. Ze stellen zich afstandelijk op en vragen niet om liefde. De nieuwe dingen zijn anders.

Wat eens, in de tijd van Kouwenaar, een totaal witte kamer was, is nu aangekleed met plasmaschermen die het gevecht om onze aandacht verbeten aangaan. De geliefde naast ons moet nu optornen tegen perfect getunede en belichte lichamen, tegen praters die verbaal zo lenig zijn dat hun woorden altijd netjes doel treffen, tegen emoties die levensecht en heel intens zijn maar toch ons comfort niet verstoren, tegen de mogelijkheid om weg te zappen wat we niet leuk vinden. Beminde mensen hebben geen uitknop, ze vragen deelname in plaats van passief toeschouwen. Maar we hebben de hele dag hard gewerkt en zijn het moe een bijdrage te moeten leveren.

De nieuwe dingen zijn de strijd om onze liefde aan het winnen. Vroeger vroegen we aan de dichte mensen, terwijl we met hen praatten, om even naar het nieuwe ding te mogen kijken. Nu vragen de dichte mensen ons, terwijl we kijken, om even met ons te mogen praten. Vroeger keken we, Alice Nahon indachtig, voor het slapengaan nog even in ’t eigen hart; nu kijken we voor het slapengaan nog even naar ’t eigen profiel. Als Marc een kind van zijn tijd is, groet hij ’s morgens eerst het nieuwe ding en dan de vrouw en de dieren en het brood. Sommigen vinden dat het de spuigaten uit loopt en stellen voor een nieuwedingenetiquette op te stellen. Wat een erkenning van hun macht! Het is als tegen beter weten in met je vrienden afspreken dat je hen, ook nu je de liefde van je leven hebt gevonden, nog even vaak wil blijven zien.

Ze komen dichter en dichter, ze komen in bed en in bad. U bent bij vrienden en een vriendin wil u onder vier ogen spreken. Neemt u haar mee naar de badkamer? Naar het toilet? U bent bij vrienden en uw toestel piept ongeduldig. Waar gaat u heen? Hoe vaak neemt u uw geliefde mee naar de badkamer en hoe vaak neemt u uw ding mee? Van intimiteit gesproken! U pruttelt tegen: we flikflooien en rollebollen toch niet met ze? Een kwestie van tijd, dat spreekt voor zich. Nog even wachten met gemeenschap tot we echt zeker zijn, want het is allemaal zo nieuw en spannend, al weten we wel dat het er zit aan te komen. In Love and Sex with Robots gokt David Levy, een min of meer serieuze wetenschapper, dat het tegen 2050 courante praktijk wordt. U weet wat u te doen staat als u uw tijd voor wil zijn, ook al is de huidige generatie nieuwe dingen er nog niet zo goed voor toegerust.

Gemeenschap is niet het toppunt van intimiteit. Het is slechts tijdelijke vereniging, een ongeduldig samenkomen en noodgedwongen weer uiteengaan. Intiemer nog dan met menselijke geliefden zijn we samen met wat deel van ons is. De nieuwe dingen beloven deel van ons te worden. We verdinglijken, elk deel van ons wordt vervangbaar. Dankzij computergestuurde insulinepompen en geavanceerde kunststofharten gaan we steeds beter functioneren. Dat is nodig, zeker voor de mensen die zich ziek werken in mijnen en fabrieken om voor ons nieuwe dingen te maken. Die dingmensen zullen niet meer stilvallen, zodat de productie van liefdesobjecten gegarandeerd kan worden. De grens tussen ons en de dingen vervaagt, tot we niet langer onderscheidbaar zijn en in eeuwige symbiose één worden. Eindelijk verlost van dat vernederende, discriminerende wij-zij-denken. Eindelijk opgaan in elkaar. Als dat geen liefde is!

Er zijn mensen die de nieuwe dingen niet goed kunnen verdragen. Ze vinden het niet leuk dat we er zo vertrouwelijk mee omgaan. Er komt alleen maar onheil van, zeggen ze. Psychiaters roepen op om geen nieuwe dingen meer te kopen, want die tasten ons concentratievermogen aan, houden ons aan het lijntje met domme spelletjes en maken onze kinderen verslaafd. De klagers beschuldigen de dingen en zijn jaloers op de aandacht die ze krijgen. Zo wissen ze mee de grens uit die ze denken te bewaken, want in tegenstelling tot mensen en nieuwe dingen treft tafels geen schuld en is men op stoelen niet jaloers.

Sommigen denken dat de nieuwe dingen het zullen overnemen. Stephen Hawking, profeet van de teloorgang, voorspelt dat we als nieuwbakken Frankensteins het slachtoffer zullen worden van onze eigen monsterlijke creaties. Als min of meer serieuze wetenschapper heeft hij onze groeiende afhankelijkheid van de nieuwe dingen opgemerkt, maar er zijn restjes ouderwets autonomiedenken in zijn gedachtegang geslopen. Hij schijnt van mening te zijn dat elke vorm van afhankelijkheid problematisch is, dat we als mens in alle opzichten vrij en autonoom moeten zijn. Wat een liefdeloos geleuter! Wat is mooier dan afhankelijkheid van wat je intens liefhebt? Geen slachtoffers worden we, maar gelukkige dienaars van vrijwillig gekozen en zelf geschapen goden.

De mens was een fase van voorbijgaande aard in de triomftocht van de liefde. Liefde voor mensen, waar u zo krampachtig aan vasthoudt, heeft talloze nadelen. Zo zijn mensen slechts in beperkte mate te koop en wordt de koper al eens met een scheef oog bekeken. Dankzij het kapitalisme, religie van de dingen, kunnen we liefdesobjecten kopen aan democratische prijzen. We hebben de toestemming van het ding niet nodig en liefde van één kant volstaat voor een bevredigende relatie. Gedaan met vruchteloos smachten, gebogen over liefdesbrieven vol woorden die we niet goed in de hand hebben! Gedaan met heel dat gedoe van Mars en Venus! Gedaan met de grillen van twijfelende uitverkorenen!

Schrijvers lijken soms te geloven dat tranerige, hartverscheurende liefde, gebukt onder onvervuld verlangen, gekruid door drama en het alles verterende vuur van wilde passie, beter is dan rustige vastheid. Dat is natuurlijk hoogdravend, romantisch geëmmer van ontspoorde denkers. Wij mensen van vandaag hebben kalme, standvastige liefde nodig, de onvoorwaardelijke liefde van dingen die geen belachelijke eisen stellen aan ons uiterlijk, ons verstand en ons gevoel voor humor, maar ons nemen zoals we zijn.

U doet een laatste poging om de hoge dames en heren van de oude liefde te verdedigen. Mensen zijn uniek en onvervangbaar, maar de nieuwe dingen niet. Wat doet u vreemd. Telkens wanneer u opkomt voor de oude liefde wijst u op een nadeel: haar objecten zijn onvervangbaar, niet vrij te koop en ze hebben geen uitknop. Ziet u dan niet welke kansen de nieuwe liefde biedt? De nieuwe helden zijn al dood en kunnen dus niet sterven. Hun einde is niet het einde van de wereld, maar een geschikte gelegenheid om een nieuw model aan te schaffen. Nooit meer dat ellendige liefdesverdriet!

Ik besluit met een boodschap van hoop, maar hoed me voor euforie, want de nieuwe omgangsvormen zijn nog in volle ontwikkeling en ik weet dus niet helemaal zeker wat ons te wachten staat. Hier en daar vergaloppeert een enkeling zich door, blind verliefd op de nieuwe dingen, de oude geliefden onbillijk te bejegenen. In Zuid-Korea laat een man zijn dochtertje van drie maanden verhongeren omdat hij te druk bezig is een virtuele dochter groot te brengen in een computerspel. Een Amerikaanse vrouw vergiftigt haar zoontje om de bezoekcijfers van haar blog op te drijven en zo erkenning van het ding te krijgen. Laten we ons echter niet verliezen in moraliserend geweeklaag en de kansen grijpen die geboden worden. Laten we trots en onverschrokken, met het oog op de toekomst en de vinger aan de pols van de vooruitgang, van de liefde voor de nieuwe dingen zingen!