17 juli 1917 – 12 juni 2012

Margarete Mitscherlich-Nielsen

Met haar echtgenoot, net als zij psychoanalyticus, schreef ze over het naoorlogse onvermogen van de Duitsers om te rouwen. Dat boek zou door de studentenbeweging worden aangegrepen om de oorlogsgeneratie monddood te verklaren. Haar leven lang bleef ze nieuwsgierig, en feministisch.

‘Wat wordt er toch veel gezanikt in Duitsland’, verzuchtte de 87-jarige Margarete Mitscherlich in 2004 in een interview. ‘Vooral de ouderen zijn traag geworden; onze politici, maar ook de grote woordvoerders van de buitenparlementaire oppositie. Het ontbreekt ons aan een intellectuele elite. Dat is namelijk een missie. Zegt u dat maar gerust voort.’

Mitscherlich zelf heeft tientallen jaren tot die elite behoord. En uitgesproken is de Frankfurter psychoanalytica ook altijd geweest. Ze had daarin natuurlijk wel veel oefening omdat haar beroep vereist dat je onomwonden over intieme kwesties kunt spreken en er tegelijk intellectueel afstand van kunt nemen. Ze sprak openlijk over haar ouderlijk huis, huwelijk en seksuele ervaringen, over het sterfbed van haar man in 1982, over haar politieke opvattingen en op het laatst van haar leven over haar ouderdomskwalen. En dat zonder te zaniken.

Margarete Nielsen werd in de Deense vlek Graasten geboren. Haar Deense vader was arts, haar Duitse moeder schooldirecteur. Maar erg moderne opvattingen hadden ze niet. ‘Mijn liefdesleven is lang bepaald door hun christelijke moraal. Over seks werd niet gesproken en mijn ouders waren geschokt wanneer ik mezelf op bepaalde manieren aanraakte. Veel meisjes werd de seksualiteit destijds regelrecht tegen gemaakt.’ Margarete was echter een dwars kind, een tomboy met kort haar en een broek, die zich naar eigen zeggen niets liet opdringen tegen haar wil. Achteraf gezien kun je zeggen dat haar eigen missie al in Graasten begon.

Toch ging ze op aandringen van haar pro-Duitse moeder in 1932 naar school in Duitsland. Toen kon ze nog vrijelijk de spot drijven met meisjes die lid waren van de Bund Deutscher Mädel. Toen ze Duitse taal en literatuur ging studeren, verging haar het lachen. De germanistiek was ideologisch zo verziekt dat ze besloot over te stappen op medicijnen. ‘Ik dacht dat de nazi’s het menselijk lichaam tenminste níet bruin konden maken – wat niet wegneemt dat ze het wel hebben geprobeerd.’

In 1947 leerde ze Alexander Mitscherlich kennen. Hij was arts en psychoanalyticus, getrouwd en vader van drie kinderen, maar zijn huwelijkstrouw en haar Deense piëtisme smolten als sneeuw voor de zon: ‘Een smakelijke, aangename, slimme man. Hij bewoog in mijn richting en ik wist: als ik nu niet omkijk, wordt het niks. En ik heb omgekeken. Iets in mij nam een besluit, en hup, daar lagen we in bed. Dat was mijn redding, mijn bevrijding uit de gevangenschap, uit de schuldgevoelens van mijn jeugd.’

In 1949 werd zoon Matthias geboren, zes jaar daarna trouwde het paar. Matthias werd echter ondergebracht bij Margarete’s moeder omdat beide ouders volledig opgingen in hun werk. Margarete kreeg daarvoor later veel kritiek, maar ze bestreed die vanuit haar beroepservaring en met een argument dat haar wel­beschouwd toen al tot feministe stempelde: ‘Een kind kan pas gelukkig zijn als zijn moeder het ook is.’

De nazi’s hadden de psychoanalyse als ‘joodse wetenschap’ uitgebannen, maar Alexander werd in 1959 directeur van het heropgerichte Sigmund Freud-Institut in Frankfurt aan de Main dat tot aan hun dood hun beider ‘thuis’ zou worden. Hier schreven ze samen het boek dat hen wereldberoemd en onder Duitse studenten enige tijd ongekend populair maakte: Die ­Unfähigkeit zu trauern (1967). Het greep terug op een ervaring van Alexander, maar werd grotendeels door Margarete geschreven.

Alexander had na de oorlog van de Duitse artsenverenigingen de opdracht aangenomen om hun collectieve schuld aan de nazigruwelen te weerleggen. Zijn eindrapport was echter vernietigend voor de medische stand en verdween diep in een la. Dat gedrag was kenmerkend voor het naoorlogse onvermogen van de Duitsers om te rouwen, schreef het echtpaar. Rouw om de slachtoffers die je land maakt is waarschijnlijk van elk volk te veel gevraagd, maar rouwen om je persoonlijke vergissingen, lafheid, verraad en misdaden is een vereiste om met jezelf in het reine te komen en een zinvol leven te leiden.

De studentenbeweging greep hun boek aan om de oorlogsgeneratie monddood te verklaren, maar de ideologische starheid van de opstandige studenten stond de Mitscherlichs al evenzeer tegen. Margarete doorzag al gauw dat de mannelijke leden het beste van twee werelden opeisten: de meisjes en vrouwen in de beweging moesten wel als vanouds koffie zetten, maar ze moesten ook seksueel voor iedereen ter beschikking staan. In Die friedfertige Frau (1985) analyseerde ze de paradox dat het aangeleerde verzoenende gedrag van vrouwen weliswaar een zegen voor de wereld zou kunnen zijn, maar dat het de vrouwen zelf in een toestand van onderwerping hield. Dat haar stelling, zoals zoveel van haar slimme en genuanceerde opvattingen, vaak verkeerd werd uitgelegd verwonderde haar al lang niet meer.

Voordat ze de laatste jaren achter het looprekje moest en niet meer kon autorijden, ging Mitscherlich jaarlijks op vakantie bij het Lago Maggiore. Het typeert haar onbedwingbare intellectuele nieuwsgierigheid dat ze dan altijd lifters meenam op voorwaarde dat ze haar onderweg over zichzelf en hun leven vertelden. Tot haar dood hield ze enkele patiënten aan, las dagelijks twee kranten en e-mailde dat het een lieve lust was. Feministe Alice Schwarzer bezocht haar nog vorige maand en kookte voor haar – asperges, want Margarete had de schurft aan koken, maar niet aan het goede leven.

‘Een kind kan pas gelukkig zijn als zijn moeder het ook is’