18 februari 1916 - 7 februari 2011

Maria Altmann

Ze streed verbeten tegen de Oostenrijkse staat om geroofde schilderijen van Klimt terug te krijgen. De werken waren, met een ‘Heil Hitler!’-briefje, in een museum beland waar ze echt niet hoorden.

‘ZE VERTRAGEN, vertragen, vertragen, in de hoop dat ik dood zal gaan’, zei Maria Altmann in 2001. 'Maar ik zal ze het plezier doen in leven te blijven.’ 'Ze’, dat waren de Oostenrijkse autoriteiten die er alles aan deden om haar eis te frustreren om vijf schilderijen van Gustav Klimt, die sinds 1938 in Slot Belvedere in Wenen hingen, terug te krijgen. Maria Altmann bleef inderdaad nog lang genoeg leven - ze overleed vorige week op 94-jarige leeftijd -, de schilderijen werden van Oostenrijk naar de Verenigde Staten overgevlogen en daar voor recordbedragen geveild. Het topstuk, Klimts gouden portret van Adele Bloch Bauer, werd in 2006 voor 135 miljoen dollar gekocht door cosmeticabaron Ronald S. Lauder, die het liefdevol omdoopte tot de 'Oostenrijkse Mona Lisa’.

Daarmee was de zaak van Maria Altmann tegen de Oostenrijkse staat de beroemdste van de rechtszaken die in het begin van deze eeuw speelden om door de nazi’s gestolen kunst bij hun rechtmatige - meestal joodse - eigenaars terug te brengen. Denk ook aan de zaak rond de collectie van de joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, die na de oorlog door de Nederlandse overheid als 'vijandelijk vermogen’ in beslag werd genomen, terwijl het in feite om roofkunst ging. Na ettelijke vruchteloze pogingen van de erfgenamen verklaarde Nederland zich pas in 2006 akkoord en gaf de schilderijen terug aan de Amerikaanse schoondochter van Goudstikker.

Delicaat waren ze veelal, deze restitutiezaken van geroofde kunst. Zeker rond cultuur-historisch belangrijke werken die decennialang in toonaangevende musea hingen, was het gevoel ontstaan dat die eigenlijk tot het nationale erfgoed behoorden. Zulke werken afstaan - het voelde een beetje als zelf beroofd worden. Al te makkelijk werd daarbij vergeten dat de oorspronkelijke eigenaars en hun nazaten onrecht was aangedaan, zoals ook de geschiedenis van Maria Altmann laat zien.

Maria Altmann werd in 1916 in Wenen geboren als Maria Viktoria Bloch-Bauer, als jongste van de vijf kinderen van Therese Bauer en Gustav Bloch. Haar moeders zus Adele trouwde met Gustavs broer Ferdinand, die het bewind voerde over de grootste suikerfabriek van Oostenrijk. Maria was nog een kind toen haar gevierde tante Adele haar eigen salon hield in haar huis aan de Elizabethstrasse, dat gevuld was met schilderijen, weelderige tapijten, elegant meubilair en een collectie van delicaat porselein. Als zelfverklaard socialiste en atheïste was Adele een van de zeldzame vrouwen in de mannelijke wereld van kunst en ideeën.

De familie Bloch-Bauer liet zich portretteren door de vooraanstaande schilders van hun tijd. Adele was pas getrouwd toen Klimt het gouden portret van haar maakte - geïnspireerd op de Byzantijnse mozaïeken in Ravenna en voorzien van Egyptische motieven en erotische symbolen was het een van de toonaangevende schilderijen van de Weense Jugendstil. Toen het portret in 1907 werd onthuld was het een sensatie en Adele werd op slag een beroemdheid. In 1912 maakte Klimt nog een tweede, melancholieker portret van haar.

In 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk en liet meteen een begerig oog vallen op de rijkdommen van de familie Bloch-Bauer. Fritz Altmann, de operazanger met wie Maria inmiddels was getrouwd, werd door de nazi’s als gijzelaar in Dachau vastgezet, opdat het in veiligheid gebrachte familiekapitaal geconfisqueerd kon worden. De kostbaarheden werden geroofd - een diamanten halssnoer en oorbellen van Adele kwamen in handen van Göring. Het Oostenrijkse museum pikte de Klimts in, die werden bezorgd met een 'Heil Hitler!’-briefje. 'Ze zeggen nu dat Oostenrijk slachtoffer was van de nazi’s’, zou Maria Altmann later schamper zeggen. 'Geloof me, er waren geen slachtoffers. De vrouwen gooiden bloemen, de kerkklokken galmden. Ze verwelkomden ze met open armen.’

Maria Altmann en haar man kregen, toen hij terug was uit Dachau, huisarrest. Met een smoesje wisten ze de bewaking om de tuin te leiden, vlogen naar Duitsland en werden ’s nachts te voet over de Duits-Nederlandse grens gesmokkeld. Uiteindelijk belandden ze in Amerika. Meer dan vijftig jaar later onthulde de onderzoeksjournalist Hubertus Czernin dat de Oostenrijkse overheid de herkomst van de oorlogskunst in haar bezit probeerde te verdoezelen. Vanwege de publicitaire druk besloot de Oostenrijkse regering de archieven te openen en daar vond Czernin dat Ferdinand Bloch-Bauer de Klimts niet aan het museum geschonken had. Daarbij draaide het om het verzoek van Adele Bloch-Bauer - er was schielijk aan voorbijgegaan dat het inderdaad niet meer was dan dat, de taal ervan was bijna nederig: 'Ik verzoek mijn echtgenoot vriendelijk…’ En Ferdinand liet de schilderijen in zijn testament aan zijn familie na. Toch hingen de schilderijen in Slot Belvedere, met daarnaast het bordje: 'Adele Bloch-Bauer 1907, geschonken door Adele en Ferdinand Bloch-Bauer’.

Maria Altmann nam een advocaat in de arm - E. Randol Schoenberg, ironisch genoeg de kleinzoon van de Oostenrijkse componist Schönberg. Wat volgde was een rechtszaak die zeven jaar duurde, tot het Amerikaanse Supreme Court voerde en leidde tot een Oostenrijkse arbitragecommissie, die bepaalde dat de schilderijen aan Maria Altmann toebehoorden. Het door Lauder gekochte portret hangt nu al een aantal jaren in zijn Neue Galerie in New York; de andere schilderijen zijn in het bezit van privé-verzamelaars en helaas niet meer te zien.

Misschien moet de kunstminnaar zich laten troosten door de woorden van Alma Mahler, ooit minnares van Gustav Klimt, die de latere schilderijen botweg kitsch noemde: 'Klimts schilderijen, die hij op een grootse manier begon, bedekte hij met glimmende troep, en zijn artistieke visie verdronk in gouden mozaïeken en ornamenten.’