8 september 1919 – 6 mei 2014

Maria Lassnig

De kunstwereld heeft de Older Women Artists ontdekt. Maria Lassnig is een van hen. Zestig jaar lang liep ze voor de troepen uit, maar nooit behoorde ze tot de avant-garde.

Körperbewusstseinsmalerei, zo omschreef Maria Lassnig haar kunstenaarspraktijk. Ruim zestig jaar schilderde de Oostenrijkse kunstenaar het lichaam als een botsing van de uiterlijke realiteit met het ‘gevoel’ van binnenuit. Het naakte lichaam staat op haar doeken als een kleurenveld vol openingen en knelpunten, lichaamsdelen verwikkeld in een buiteling van emoties en ledematen. ‘Die Kunst (…) wächst aus der geplatzten Seifenblase, aus dem ausgedörrten Herzen, aus dem spionierenden Kleinhirn’, noteert Lassnig in 1943 in haar dagboek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog studeert Lassnig aan de kunstacademie in Wenen, waar ze wordt getraind in de opgelegde, academische schilderkunst. Na de oorlog vertrekt ze met Arnulf Rainer op studiereis naar Parijs, waar ze kennismaakt met André Breton en zijn surrealisme. Yves Klein spreekt zijn bewondering uit voor de abstracte doeken die Lassnig nu maakt. Dan blijft het lange tijd stil.

Met het overlijden van Maria Lassnig is de grande dame van de Oostenrijkse schilderkunst heengegaan, kopten de internationale media. Zo worden belangrijke kunstenaars dan genoemd, wanneer van het vrouwelijk geslacht. Louise Bourgeois was er een, en een grand old lady bovendien. Deze kunstenaars zijn ten tijde van het abstract expressionisme door het kunstcircuit over het hoofd gezien, buitengesloten, om jaren later door datzelfde mechanisme alsnog in het zadel te worden gehesen. Decennialang werkten ze aan oeuvres van zeer hoge kwaliteit, die nu als blikken vol nieuwe kunst, vers én gerijpt, van de plank worden gehaald en gretig worden opgelepeld. De populariteit loopt met overzichtstentoonstellingen in MoMA en Tate parallel aan de honger naar jong talent; alleen al in de stal van Lassnigs topgalerie Hauser Wirth bevinden zich Louise Bourgeois, Ida Applebroog en Joan Mitchell. The Financial Times doopte het verschijnsel ‘The Rise of the OWAs’, de Older Women Artists.

Op de aankomende Biënnale van Venetië zullen de Verenigde Staten vertegenwoordigd worden door Joan Jonas (1936), een pionier uit de jaren zestig waarin vrouwen met video- en performancekunst de aandacht op zich vestigden. In Oostenrijk ontstond het Wiener Aktionismus, met Hermann Nitsch die aan zijn rituele slachtpartijen werkte, op zoek naar een hogere beleving van het lichaam. Lassnig verbond het lichaam met haar kunst door vanaf nu alleen nog figuratief te werken, in kleuren die flets afsteken bij de bloedrode Nitsch. ‘Als ich in meiner Malerei müde wurde, die Natur analysierend darzustellen, suchte ich nach einer Realität, die mehr in meinem Besitz wäre als die Außenwelt und fand als solche das von mir bewohnte körpergehäuse, die realste Realität am deutlichsten vor’, schrijft ze in 1970.

Het fysiologische gevoel van zitten en liggen, de aanraking van een arm op een stoelleuning vertaalde Lassnig liggend, zittend of staand en vaak met gesloten ogen naar het doek. Farbenfresser is de titel van een schilderij waarop twee gezichten hun monden opengesperd naar de hemel richten, als vissen of jonge vogels reikend naar de tubes verf in de lucht, die hen voeden.

Voelde Lassnig een lichaamsdeel niet, dan werd het ook niet geschilderd. Dan zijn er bijvoorbeeld wel tanden te zien maar geen ogen, morbide vormen die verwant lijken aan het werk van Francis Bacon, maar in hun fragmentatie vooral kwetsbaar aandoen. In Selbstporträt als Einäugige loert een helderblauw oog vanuit een compacte, opgevouwen compositie van een lichaam naar de toeschouwer.

‘Een avant-gardist die laat ontdekt wordt, is geen avant-gardist’

In 1968 verhuist Lassnig naar New York, waar de plastic verpakkingen van voedselwaar de kunstenaar fascineren. Ze schildert het lichaam gewikkeld in plastic, benauwende zelfportretten waarin de verstikking lijkt te worstelen met de preservering voor de toekomst.

Na een periode van experiment met videokunst verhuist Lassnig terug naar Wenen, om in 1980 als eerste vrouw aan een Duitstalige universiteit tot hoogleraar in de schilderkunst benoemd te worden. Vanaf dat moment groeit de erkenning voor haar werk. Lassnig vertegenwoordigt samen met Valie Export Oostenrijk op de Biënnale van Venetië en exposeert op Documenta 7, samengesteld door Rudi Fuchs. ‘Deze schilderijen zijn verontrustende vertellingen’, schrijft Fuchs in een tentoonstellingscatalogus voor Galerie Ulysses in 1988, ‘een mogelijk opkomende sentimentaliteit wordt ingetoomd door een vreemde en ongebruikelijke toepassing van de kleur, die als een dunne laag ijs alle emoties bedekt.’ In 1994 maakt Lassnig deel uit van Fuchs’ eerste grote expositie als directeur van het Stedelijk Museum.

Recente schilderijen bestempelde Lassnig als ‘drastisch’. Du, oder Ich? (2005) heet het naakt dat in haar ene hand een pistool tegen haar hoofd en in haar andere hand een pistool op de toeschouwer gericht houdt. Het oude lijf is mager, kaal en geplooid, omringd door een gloed van blauw dat ook de wijd opengesperde ogen vult. Op de plek van de oren bevinden zich twee inhammen. Luisteren deed Lassnig blijkbaar niet toen ze dit schilderde.

De laatste jaren waren er grote tentoonstellingen waarin Lassnig is omschreven als ‘de perfecte kunstenaar in het tijdperk van het selfie’ en op de Biënnale in 2013 kreeg zij de Gouden Leeuw voor haar gehele oeuvre uitgereikt. Toch was terugkijken op een lang leven met late aandacht pijnlijk voor de kunstenaar. Naar eigen zeggen was zij na de oorlog de eerste om een zwarte lijn op een wit doek te zetten. Maar ja: ‘Een avant-gardist die laat ontdekt wordt, is geen avant-gardist’, verklaarde ze.

Op 94-jarige leeftijd kreeg Lassnig haar belangrijkste museale solotentoonstelling in Amerika, die tot 26 mei in MoMA PS1 te zien is.


Beeld: Wenen 2002 (Bettina Flitner/Laif/HH).