Mario soares

Hij is ongeveer de tegenpool van die met schandalen omgeven andere sociaal- democratische dinosaurier Papandreou. Mario Soares, de Portugese vader des vaderlands, is de braafste en vrolijkste Europese politicus van deze eeuw.
KAN ZO IEMAND als Mario Soares eigenlijk wel bestaan? Nu hij over een maand aftreedt als president van Portugal, is hij nog altijd verreweg de populairste politicus in zijn land. Hij was gemakkelijk voor een derde termijn van vijf jaar herkozen, maar de grondwet verbiedt dat en hij haakt daar ook niet naar. Hij heeft aangekondigd dat hij uit de politiek gaat en wil zich, met zijn 71 jaar, op een andere manier nuttig maken voor zijn land.

Er zijn geen schandalen, geen enge ziektes, zelfs geen onwettige kinderen van hem bekend. Hij moet de braafste Europese politicus van deze eeuw zijn, misschien na Willem Drees sr.
Soares leidde Portugal na de Anjerrevolutie van 1974 weg van het communisme en naar de democratie. Hij bracht Portugal Europa binnen en Europa Portugal. Zijn verbinding met sociaal-democratische leiders uit heel Europa was een deel van zijn kracht. Hij werd ‘de zoon van Willy Brandt’ genoemd, de 'Olaf Palme van het zuiden’ en 'de broer van Bruno Kreisky’. Bovenal was hij een goede vriend van Mitterrand, met wie hij niet alleen positie en politieke overtuiging deelde, maar ook een brede belangstelling voor literatuur en kunst.
Maar dat wat uitzonderlijk was aan Mitterrand - die van uiterst rechts naar tamelijk links evolueerde en die aan het eind van z'n leven en ook nog na zijn dood aan een stuk door voor opschudding en schandaal bleef zorgen - is allemaal braaf, voorspelbaar en normaal aan Soares. Links in zijn jeugd, strijder tegen het Salazar-regime, oprichter van de Socialistische Partij van Portugal, steeds gematigder in zijn politiek en uiteindelijk een soort vader des vaderlands. El-rei Dom Mario I, koning Mario I, wordt hij in Portugal met een tikje spot liefkozend genoemd.
HOE NORMAAL hij uiteindelijk ook geworden mag zijn, het begin van zijn leven was heel uitzonderlijk. Mario Alberto Nobre Lopes Soares werd op 7 december 1924 geboren als zoon van de fervente democraat en republikein Joa~o Lopes Soares, stichter van een nog steeds bestaande particuliere school en minister in de eerste, in 1910 gestichte Portugese republiek. Mario was twee jaar oud toen in 1926 een militaire staatsgreep de weg vrijmaakte voor veertig jaar dictatuur van Salazar. Zijn vader heeft de dictatuur altijd bestreden, tot aan zijn dood in 1970. Hij heeft die strijd met gevangenisstraf moeten bekopen. Zoon Mario vocht samen met zijn vader tegen het 'salazarisme’, dat hij altijd als een versie van het nazisme heeft gezien. Hij wist als jongen buiten de fascistische jeugdorganisatie te blijven en werd als student letteren en later rechten een radicale activist.
Hij was, al op de middelbare school, sterk onder de indruk gekomen van het marxisme, met name door zijn toenmalige aardrijkskundeleraar, Alvaro Cunhal, strijder tegen het fascisme en later secretarisgeneraal van de Portugese Communistische Partij en in die functie de grote tegenstander van Soares. Mario belandde twaalf keer in de gevangenis - in 1948 in dezelfde cel als zijn vader. Een jaar later, in 1949, vindt zelfs zijn huwelijk in de gevangenis plaats. Maar volgens een medegevangene was hij ook toen al altijd in een prima humeur en maakte hij de anderen voortdurend aan het lachen.
TOCH MAAKT HIJ zich langzamerhand steeds meer los van de Communistische Partij en in 1951 wordt hij door Avente, het blad van de partij, beschuldigd van opportunisme en verraad. Tegen Le Monde vertelde hij later, schaterend van het lachen: 'Ik weet nog altijd niet of ik uit de communistische partij ben gegooid of dat ik er zelf uit ben gegaan.’ In 1946 was hij een van de oprichters van een niet-communistische linkse jeugdbeweging. Eind jaren veertig en eind jaren vijftig leek het twee keer even mogelijk legaal oppositie te voeren. Op zulke momenten voerde hij onmiddellijk campagne. Hij werd steeds belangrijker in het verzet. In de jaren zestig verdedigde hij als advocaat veel tegenstanders van Salazar, tot hij in 1968 voor onbepaalde tijd werd verbannen naar het eiland Sa~o Tome.
IN SEPTEMBER 1968 kreeg Salazar echter een beroerte en raakte hij in een coma. Zijn opvolger Caetano beloofde aanvankelijk enige liberalisering. Een van zijn eerste maatregelen was dat Soares naar Portugal terug kon komen. Van de hervormingen kwam echter niets terecht en Soares ging vrijwillig in ballingschap.
Hij bereisde de hele wereld, maar woonde vooral in Parijs, waar hij doceerde aan de Sorbonne, hetgeen op zijn studenten volgens zeggen geen onuitwisbare indruk maakte. In 1973 stichtte hij in West-Duitsland onder patronage van Willy Brandt de Socialistische Partij van Portugal. Drie dagen nadat op 25 april 1974 een groep jonge officieren een einde had gemaakt aan bijna vijftig jaar dictatuur, kwam Soares in triomf naar Lissabon terug. Onder generaal De Spinola werd hij minister van Buitenlandse Zaken. In die functie kon hij zijn vele internationale contacten gebruiken, maar hij was ook verantwoordelijk voor het - moeilijke - proces van onafhankelijk wording van de Portugese kolonien in Afrika.
INTUSSEN WERD DE machtsstrijd in Portugal zelf steeds heviger en moest Soares zich teweerstellen tegen de veel langer bestaande en beter georganiseerde Communistische Partij van Cunhal, die gesteund werd door de militairen en door andere linkse groeperingen. Hij weigerde op een van zijn reizen het advies van Henry Kissinger op te volgen, die hem aanried in de Verenigde Staten te blijven, omdat hij anders de 'Kerenski van Portugal’ zou worden.
Bij de verkiezingen van 25 april 1975 behaalde zijn Socialistische partij een verrassend grote overwinning (van 37,8 procent) op de communisten, die maar 12,5 procent van de stemmen kregen. Andre Malraux schreef in l'Express dat Portugal het enige voorbeeld was waar de mensjevieken hadden getriomfeerd over de bolsjevieken.
Dat stond niet iedereen aan. Op een congres van de Franse Socialistische Partij zei Pierre Chevenement: 'Het is niet nodig dat de socialisten ten onder gaan zoals in Chili of verraad plegen zoals in Portugal.’ Soares zelf ziet het, in retrospectief, anders. Hij moet schaterend lachen bij de gedachte dat hij zijn oude leermeester Cunhal door zijn strijd van een droevig lot heeft gered: 'Dank zij ons, die hem bestreden, heeft Cunhal de macht niet kunnen grijpen en blijft hij voor alle Portugezen het symbool van het verzet tegen de dictatuur. Maar stel dat hij gewonnen zou hebben, wat was er dan van hem geworden, nu het communisme dood is? Vermoord zoals Ceausescu? Verbannen zoals Honecker? Gevangen genomen zoals Jivkov?’
DE LINKSE GEMEENSCHAP, die in de jaren zeventig zijn hoop op de Anjerrevolutie in Portugal had gevestigd, was teleurgesteld, maar Soares had een ander doel: het Portugese lidmaatschap van de Europese Gemeenschap. Op 1 januari 1986 wist hij dat te bereiken. In hetzelfde jaar werd hij tot president gekozen, weer een verrassende overwinning, want de Socialistische Partij had de parlementsverkiezingen juist verloren. In 1991 kreeg hij bij zijn herverkiezing niet minder dan zeventig procent van de stemmen.
Als president heeft Soares twee termijnen van vijf jaar moeten samenwerken met een rechtse regering. Soms lag hij daar mee overhoop, met name toen de regering in 1994 de asielwetten wilde verscherpen. Soares herinnerde zich blijkbaar nog heel goed de tijd dat hij zelf in het buitenland asiel moest zoeken.
Maar misschien kwam het hem niet zo slecht uit dat het beleid in die jaren steeds meer naar rechts ging. Hoewel hij, bij de dood van Mitterrand, op de Franse televisie klaagde dat het huidige Europa anders was dan dat wat hen oorspronkelijk voor ogen had gestaan: een socialer en menselijker Europa. Portugal heeft vrij veel geld uit dat Europa gekregen, maar is nog altijd een arm land. Met name op het gebied van welzijn, onderwijs en gezondheidszorg loopt het sterk achter. Geld is vooral besteed aan grote infrastructurele werken.
Je blijft, bij alle bewondering voor Soares’ vechtlust, humor en normaalheid, toch met een vraag achter: als Soares echt zo'n goede politicus is geweest, waarom is zijn land dan nog altijd zo arm? De laatste tien jaar is Portugal nauwelijks in het nieuws geweest. Voor het eerst sinds de Anjerrevolutie heeft Portugal nu een socialistische regering - de minderheidsregering van Antonio Guterres - en een socialistische president, Jorge Sampaio, een man van consensus, verzoening en tolerantie. Het blijft nog even rustig in Portugal.