Marja Pruijsje

Mijn broer belt: je bent op tv. Welk programma dan, vraag ik. Dat boekenprogramma. Ik vind het eerlijk gezegd een raadsel dat mijn broer daarnaar kijkt, want hij leest nooit een boek. Hij wordt rustig van die mensen, zegt hij. Nee hoor, zeg ik. Ik ben niet op tv. Al vraag ik me onmiddellijk af of het recyclen misschien al is begonnen. Je denkt één keer voor opname ergens naar af te reizen, maar in werkelijkheid kom je in een eindeloze loop terecht.

Ik merk dat mijn paradigma aan het veranderen is. Dacht ik tot voor kort nog dat mijn medemens het probleem was, inmiddels weet ik dat het de onzichtbare wereldmachten zijn. Iets maakt dat ik dit stukje niet meer kan typen op mijn laptop zonder dat ik voortdurend mededelingen rechts onderin krijg dat er nú gescand gaat worden, dat ik nú een update ergens van moet maken, dat een abonnement op iets alleen nú in werking gezet gaat worden. Ik weet het, het is de erfenis van al maar woester links aanklikken toen ik allenig op een hotelkamer dacht een film te kunnen gaan kijken op mijn laptop. Deze vrouw moeten we hebben, denken ze nu iedere dag in Silicon Valley.

En dat links boven in mijn beeldscherm een constante carrousel van jurken, schoenen en andere lederwaren mijn aandacht probeert te trekken, is ook eigen schuld dikke bult. Enger: er buitelen sinds heel kort reclames voor fitbits over mijn scherm, waarschijnlijk omdat ik met een vriendin over dit fenomeen heb gemaild. En ik ben dus op tv.

Er zijn mensen die iets afplakken op hun computer, voor mij het equivalent van het dragen van zo’n armband tegen ziektes.

Je bent in de war met Marja Vuijsje, zeg ik tegen mijn broer.

Ik had het tot voor kort niet zo met woorden als ‘paradigma’ en ‘narratief’, maar opeens zijn ze mijn vocabulaire komen binnenwandelen. Wie z’n schuld is dat?

Heb je nu ook al iets voor Opzij geschreven? informeert een vriendin. Het is geen neutrale vraag (ik ben afgestudeerd op het fenomeen neutrale-vragen-stellen, mij hou je niet voor de gek). Ze bedoelt: je schrijft te veel. Ze bedoelt: vind je het gek dat je hoofdpijn hebt. Pijn in je schouder, in je arm. Dat je straks opgebrand bent. Waarom zeggen vriendinnen dit soort dingen, in plaats van dat ze elkaar, om te beginnen mij, toejuichen?

Waarom zeggen ­vriendinnen dit soort dingen, in plaats van dat ze elkaar, om te beginnen mij, toejuichen?

Niet dat ik weet, zeg ik. Misschien ben je in de war met Marja Vuijsje?

Inderdaad staat deze maand Marja Vuijsje op de cover van Opzij, met de vermelding eronder: Marja Pruijs. Ik verbaas mezelf over het defaitisme dat me acuut overvalt. Wat doet het er eigenlijk allemaal toe? Voor alle duidelijkheid: dit is niet een humeaans relativerend inzicht, leidend tot een onbaatzuchtig leven en een bevrijdende sprong in de Seine, maar gewoon een potje totale egomanie. Als je schrijft verwacht je kennelijk dat de wereld haar adem inhoudt, dat er ergens kanonschoten klinken bij wijze van saluut. En niet dat je ieder ander zou kunnen zijn.

Marja Vuijsje, zeg ik tegen mijn kapper die vertelt me al een paar dagen eerder te hebben verwacht maar dat toen iemand anders op die afspraak binnen kwam zetten.

Een radiopresentatrice vertrouwt me toe in de veronderstelling te zijn geweest zich te hebben ingelezen in mijn werk, totdat een heel ander iemand op het uur van opname in de studio verscheen. O ja, zeg ik, moe.

Ach, zegt mijn baas, afgesteld als die is op pragmatische monterheid. Je moet maar zo denken, je hebt dan in ieder geval wél een heel goeie biografie van Joke Smit geschreven.

Misschien is het dit: je wil dat de dingen zich opstapelen tot iets. Dankzij de fitbit die ik sinds heel kort om mijn pols heb, wordt geen enkele stap voor niets gezet. Ik haat het nu al dat hij niet opmerkt dat ik fiets. Ik ben hier! roepen de personages in Albee’s toneelstuk In wankel evenwicht. Ik besta!

Misschien moet ik blij zijn dat als het erop aankomt mensen nog wel zíen dat ik het niet ben. Met uitzondering van mijn broer dan.