Over goeie voornemens en het ware zelf

Marja Pruis leest…

… altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Hier doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: over goeie voornemens en het ware zelf.

Medium 1001004011460213

Mark Strand, Bijna onzichtbaar. Almost invisible. Vertaald door Wiljan van den Akker & EstherJansma. Van Oorschot 2011

Las vandaag een mooie Overpeinzing van S. Montag in de krant, ‘Goede voornemens’ getiteld. Over een waarzegger die bij hem aan de deur kwam en die hij bedankte voor zijn diensten. Wat hij in 2015 kon verwachten maakte hij zelf wel uit. Al peinzende, en een beetje spijt krijgende dat hij hem had weggestuurd – misschien had hij wel echt iets te melden gehad – bedacht hij dat mensen gewoon liever niets willen weten van de narigheid die ze staat te wachten. Ellende in de wereld is tot daar aan toe; zo lang die je niet persoonlijk treft, en tot het televisiejournaal beperkt blijft, kun je er ook nog een glaasje en een hapje bij nuttigen. Onze eigentijdse paradox, noemt Montag dit. Waarna hij zijn nieuwjaarstoespraakje voor ons formuleert. Dat we ons niet in de war moeten laten brengen door de goede voornemens die we tijdens de feestdagen hebben aangeschaft. Dat we het allemaal wel weten, wat goed en slecht is. Maar dat er verboden verlangens zijn waarvoor je, al dan niet in het geheim, telkens weer zwicht. Montag wil niemand op het slechte pad brengen, besluit hij, maar hij lijkt te suggereren dat het niet zo erg is, dat zwichten.

Een vriendelijke gast is het, Montag. Barmhartig.

Zelf had ik niet zoveel goede voornemens, niet echt. Ik heb een nieuwe kalender in de keuken opgehangen, getiteld I am not doing anything until I feel the need. Het is een scheurkalender, iedere dag werkt een andere kunstenaar dit credo uit. Zo’n blaadje iedere dag afscheuren is te overzien. Maar ik had me ook voorgenomen iedere dag op te schrijven wat ik had geleerd. Ik heb het nu zes keer gedaan en heb er wel weer genoeg van. Niet iedere dag dringt zich een levensles op. Dit op zich is wel weer de les van de dag.

Het liefst zou ik ook zo lezen: not reading anything until I feel the need. Dat heb ik dan de afgelopen week aardig gedaan. Ik las De evolutie van een huwelijk, de tweede roman van Rebekka W.R. Bremmer. Mooi, ik laat ‘m nog even bezinken, ga ik in de papieren Groene bespreken. En in The New York Review of Books (het eerste nummer van dit jaar) stonden twee stukken over de Amerikaanse dichter Mark Strand, die 29 november vorig jaar overleed. Vooral het stuk van Joseph Brodsky, de weergave van een lezing die hij gaf in New York in 1986, vond ik zo prikkelend dat ik blij was een bundel van hem te vinden gisteren in de boekhandel. Het is geen moeilijke dichter, benadrukt Brodsky een paar keer, maar je moet wel de rust nemen om goed naar hem te luisteren. Zijn gedichten hebben de logica van een droom. Zijn poëzie roept stilte op, afwezigheid, leegheid.

In Bijna onzichtbaar staan gedichten die op kleine verhaaltjes lijken, ‘proems’ noemen de vertalers ze. Ze zijn op een vreemde manier waar. Ik vind ‘lucide’ een beetje een aanstellerig woord, maar ik geloof wel dat dat hier op z’n plaats is. Lyrisch, grappig op een beetje een zwarte manier, ‘ik hou ervan’ zou mijn nichtje zeggen die in Dubai woont met haar Canadese piloot en net een tweeling heeft gebaard.

Ja, ik hou ervan.

Om nog even in huwelijkse sferen te blijven, citeer ik ‘Eendracht in het boudoir’ integraal:

Na een huwelijk van jaren staat hij aan het voeteneind van het bed en vertelt zijn vrouw dat ze hem nooit zal kennen, dat er bij alles wat hij zegt meer is wat hij niet zegt, achter ieder uitgesproken woord een ander woord schuilt en daarachter nog honderden. Al die ongesproken woorden, zegt hij, bevatten zijn ware zelf, verraden door het oppervlakkige zelf tegenover haar. ‘Dus je begrijpt,’ zegt hij en schopt zijn slippers uit, ‘ik ben meer dan ik je liet geloven.’ ‘Natuurlijk, gekkie,’ zegt zijn vrouw. ‘Alleen al denken aan jou met al die zelven die zich terugtrekken in het niets vind ik ontzettend opwindend. Niets is zaliger voor mij dan dat je nauwelijks bestaat zoals je bent.’

Wat mooi is aan deze uitgave, is dat je links het origineel, de Engelse tekst dus, ook nog kunt nalezen. Ik had met dit gedicht de behoefte om drie woorden te checken: slippers, gekkie, en zaliger. In het Engels staat er ook ‘slippers’, en voor gekkie staat er ‘silly’. Ja, snap ik. Alleen dat zaliger blijft een beetje wringen wat mij betreft. Oorspronkelijk luidt de slotzin: That you barely exist as you are couldn’t please me more.

Ik vind zalig denk ik te zwaar, heb er een religieuze associatie bij.