Een olifant als huisdier

Marja Pruis leest …

… altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Hier doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: het verhaal van een opvoeding.

Hendrickje Spoor, Vader en dochter. Het verhaal van een opvoeding. Balans, 317 blz., € 19,95

Ik lees de laatste tijd nogal wat boeken waarin mensen hun levensverhaal optekenen, of waarin anderen dat voor hen doen. Ik vraag me altijd af wat het precies is wat mensen drijft om dat te doen, of ze niet bang zijn hiermee hun leven weg te geven (even afgezien van de vraag wat mij drijft om het allemaal te lezen). Of vindt hun leven hiermee juist zijn rechtvaardiging?

En dan is het nog de vraag wat je eigenlijk voorgeschoteld krijgt. Reconstructies achteraf, of ‘echte’ herinneringen? ‘Alles wat echt is blijft verborgen,’ schreef Arnon Grunberg afgelopen week in een Voetnoot. Het klinkt als een bezwering. Je kunt schrijven dat je moeder dood is, op de voorpagina van een landelijk dagblad, maar daarmee heb je waar het om gaat evenzogoed voor jezelf gehouden.

Wat is echt?

Ik lees nu Vader en dochter van Hendrickje Spoor en het komt behoorlijk echt op me over. Laat ik het zo zeggen: als het niet echt was, was het minder interessant geweest. En was er denk ik meer aandacht aan de compositie en de psychologie besteed, wat zonde zou zijn geweest. Juist de raadselachtigheid van het echte, slordige leven komt nu zo goed tot uiting, en stemt tot nadenken, ontroering, ontzetting. Er worden nogal wat brieven integraal opgenomen, en ook die brieven doen me wat in hun echtheid. Ik denk dat Hendrickje Spoor, in tegenstelling tot Arnon Grunberg, er niet op uit was het echte verborgen te houden, misschien was ze er ook niet in staat. Ik denk dat ze met dit boek een zo waarlijk mogelijk inkijkje biedt in zichzelf, en dat ze vooral ook de band die ze met haar vader had wil eren, en dat is er ook het goeie aan.

Ik las het eerst in drukproefvorm, aanvankelijk een beetje plichtmatig, niet op voorhand geïnteresseerd, om allengs geboeid, en een beetje geschokt, te raken. Ze schrijft hele nare dingen over haar moeder, en over haar vader! Ze noemt allemaal echte namen! Wat zal dat broertje hier niet van vinden? En die laatste minnaar van haar moeder, die ook de minnaar was van Sonja Barend en nog iemand wier naam ik nu vergeten ben? (O, hij gaat dood.) En die leraar op school, die opeens het ook al aanlegde met haar moeder, en die haar gewoonweg mishandelde? En Herman Philipse, van wie ze allerlei eigenaardigheden beschrijft?

Maar nu noem ik alle sensationele zaken.

‘Terwijl ik het hondje aaide, omhelsde hij haar achter een struik’

Het verhaal van haar opgroeien, beurtelings in de buurt van haar moeder en van haar vader, in Amsterdam en Den Haag, is fascinerend. Haar ouders beschrijft ze als mensen van wie de ‘onalledaagsheid’ integraal deel uitmaakte van hun persoonlijkheid. Hendrickje Spoor komt in dit autobiografische relaas naar voren als iemand die nooit helemaal gewend is geraakt aan het leven. Bij wie nooit echt het schild is ontstaan tussen haar en haar omgeving, dat je bescherming biedt, en je langs sommige zaken heen leert manoeuvreren. Vooral in haar vader vond ze weerklank, steun, en onvoorwaardelijke liefde. Wat iets anders is dan dat hij er ook daadwerkelijk altijd voor haar was. Zijn aanwezigheid was meer in de geest, in de intentie, dan in de praktijk van alledag.

Een van de bijzondere aspecten van dit boek is de volstrekt libertijnse blik waarmee het verleden wordt bezien. Geen woede of frustratie, geen venijn achteraf, eerder een soort droogkomischheid. Hendrickje was een middelbare schoolleerling die in de ban raakte van Oscar Wilde, naar school ging met hoed en voile, jurken tot op de grond, haar kamer zwart schilderde, iedereen de mond snoerde met Wildeaanse aforismen. Ze werd genadeloos gepest, en moest iedere ochtend de jongen die zich opwierp als haar beschermer pijpen. Voor wat hoort wat. Haar vader was trots op haar, hielp haar haar kamertje thuis in te richten naar haar verlangens.

Op haar beurt was zij trots op haar vader, hoe hij eruit zag, wat hij wist, zijn esprit. Dat hij voortdurend allerlei vrouwen tevreden moest stellen, dat ze hem ook wel eens betrapte met de au-pair die hij tegen het aanrecht had gezet, ze had eerder met hem te doen dan dat ze hem veroordeelde. Op vakantie in Italië heeft Spoor een verhouding met de (getrouwde) gastvrouw. ‘Terwijl ik het hondje aaide, omhelsde hij haar achter een struik.’

Over de journalistieke mores van die tijd kom je zijdelings wat te weten, André Spoor was een tijdje hoofdredacteur van het NRC, werd later correspondent in New York, en werd ook nog even hoofdredacteur van Elsevier’s Weekblad. Hendrickje maakt zich in toenemende mate zorgen om zijn gezondheid. De momenten dat ze bij hem in New York logeert behoren overduidelijk tot de gelukkigste in haar leven. Sowieso is het verbazend, de intense uitwisseling tussen vader en dochter, ze zijn bijna de ideale geliefden. Mensen die elkaar van alles toevertrouwen, in elkaar geïnteresseerd blijven, en honderd procent loyaal zijn. En: zich neerleggen bij een zekere mate van onbegrijpelijkheid, ook van elkaar. Wat er zich verder allemaal afspeelt, met vrouwen, mannen, kinderen, het is ruis.

Er valt nog veel meer over dit boek te zeggen, over opvoeding bijvoorbeeld, wat het met je doet als kind als je ouders nooit duidelijk zullen zijn in wat ‘goed’ en ‘fout’ is, komt misschien nog eens in ander verband. In ieder geval nu nog even dit: ik was altijd geneigd om te denken dat het fijn is als opvoeders er niet te rigide opvattingen op na houden, maar Hendrickje Spoor laat in dit boek fijntjes zien dat die vaagheid henzelf ook maar al te goed uitkomt. Dat het misschien ook een manier is om zichzelf vrij te pleiten. Het mooie is dan toch – weer – dat zij er zelf niet bestraffend op terug kijkt. Integendeel.

‘Bij mijn vader was altijd alles relatief,’ schrijft ze. ‘Niets was zonder meer zwart of wit. Op een vraag als “Wat is goed en kwaad?” zou Pappa antwoorden: “Dat ligt aan de omstandigheden.” Net zoals hij zei toen ik hem als kind vroeg of een olifant een huisdier is: “Dat ligt eraan hoe groot je woont.”’

Ze ondertekent een van haar brieven aan hem met ‘heel veel liefs van dit gekke, wisselachtige wezen dat als enige troost heeft dat ze zich jouw dochter kan noemen.’

Ik lees heel langzaam naar het eind toe.