Gekkewijvenproza

Marja Pruis leest…

… altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Hier doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: Lydia Davis.

Lydia Davis, Bezoek aan haar man, en andere verhalen. Vertaald door Peter Bergsma. Atlas 2011

In m’n column deze week noemde ik in het voorbijgaan het ‘gekkewijvenproza’ van Lydia Davis. Het kwam me op een vraag om toelichting te staan, nog net niet verontwaardigd gesteld maar wel afkomstig van iemand die zei dat Davis toch tot de top van de hedendaagse Amerikaanse literatuur behoort. Ik voelde me een beetje betrapt, ik dacht dat het er verscholen genoeg stond.

Dat ‘gekkewijven’ is een oud idee van mij, de schrijfsters die literair goedgekeurd worden zijn vaak degenen die de grens opzoeken van de normaliteit en verstaanbaarheid, zit je in het meer conventionele verhalende circuit dan ben je weer op een andere manier een ‘wijf’. Maar goed, ik wil eigenlijk niet meer in de m/v-dichotomie vertoeven (weil es mein Will ist!), waarom ik Davis nu noemde was ook een beetje aanduwen tegen een heilig huisje. Ik kan ze bijna uittekenen, de Lydia Davis-fans, en die blinde verering irriteert me een beetje.

Ik steek meteen maar weer de hand in eigen boezem, want toen ik in Milledgeville, Georgia, met mijn vriend op pelgrimstocht was naar de pauwen van Flannery O’Connor, en we in de bibliotheek haar geconserveerde werkkamer wilden zien, kwam de dienstdoende bibliothecaris ook ongevraagd met de sleutel van die kamer op ons af met de woorden: ‘You look just like Flannery O’Connor-people.’

Ik kan ze bijna uittekenen, de Lydia Davis-fans

Voor straf heb ik gisteravond en vanochtend weer wat verhalen van Davis gelezen, uit de bundeling Bezoek aan haar man, en natuurlijk: dat is geen straf. Het is bij haar meer zo: je kunt het lezen en je kunt het laten. Na vijf verhalen heb ik het gevoel de moppentrommel van Max Tailleur te hebben leeg gegeten. Onderhoudend, verrassend, weird, ze is op haar best met de korte spanningsboog van een paar alinea’s, en wordt tedious als ze bladzijdenlang doorgaat. Haar toon is zo consequent onthecht, dat het vertelde iets vrijblijvends krijgt.

Ter toegift en tegelijkertijd ter illustratie hierbij integraal het verhaal ‘Mildred en de hobo’:

Gisteravond heeft Mildred, mijn buurvrouw op de verdieping hieronder, met een hobo gemasturbeerd. De hobo piepte en krijste in haar vagina. Mildred kreunde. Later, toen ik dacht dat ze klaar was, begon ze te gillen. Ik lag in bed met een boek over India. Ik voelde haar genot via de vloerplanken mijn kamer in stijgen. Natuurlijk kan er een andere verklaring zijn geweest voor wat ik heb gehoord. Misschien was het niet de hobo maar de bespeler van de hobo die Mildred penetreerde. Of misschien sloeg Mildred haar zenuwachtige hondje met iets duns en muzikaals als een hobo.

Mildred die gilt woont onder me. Drie jonge vrouwen uit Connecticut wonen boven me. Dan zijn er nog een pianiste met twee dochters op de verdieping van de woonkamer en een paar lesbiennes in het souterrain. Ik ben een matig mens, een moeder, en ik ga graag vroeg naar bed – maar hoe kan ik in dit gebouw een geregeld leven leiden? Het is een circus van springende en steigerende vagina’s: dertien vagina’s en maar één penis, mijn zoontje.