Marja Pruis leest…

..altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium 9789045023892

Stephen Grosz, Het leven. Een handleiding. Vertaald door Robert Dorsman. Atlas Contact 2013

Ik lees hieruit nu al een tijdje voor het slapen gaan, daar leent het zich bij uitstek voor. Al merk ik ook alweer de neiging toch wat passages te willen aanstrepen. Zo zocht ik gisternacht naar een potlood om iets in het hoofdstuk ‘Over saai-zijn’ te onderstrepen.

‘Bekentenissen vanaf de divan’ heeft dit boek als ondertitel. Grosz is docent aan een psychoanalytische opleiding in Londen, en heeft een wekelijkse column in de Financial Times. De stukken in dit boek laten zich ook lezen als een soort column, alsof een psychotherapeut uit de school klapt. En voor alles, alle eigenaardigheden, obsessies en pijntjes, een verklaring heeft. Dat maakt het bevredigend om dit boek te lezen, en tegelijkertijd een beetje matig, vanwege een al te montere, oplossingsgerichte ondertoon. Alsof alles altijd maar te duiden, en daarmee op te lossen is.

Een van de belangrijke onderliggende boodschappen: je creëert je angsten, om andere angsten niet onder ogen te hoeven zien. En ook: mensen maken nare opmerkingen, om te voorkomen dat er nare opmerkingen tegen hèn worden gemaakt. Ik ken inderdaad een aantal notoire pestkoppen die zich met hun gepest op een bepaalde manier onaantastbaar hebben gemaakt door het angstregiem dat ze hebben gecreëerd. Tot ze natuurlijk zelf gewoon instorten, maar het is soms de vraag of jij dat nog gaat meemaken.

En nu dat chapiter over saai-zijn. Een dramatisch chapiter, door Grosz buitengewoon spannend opgebouwd. ‘Graham C. was saai. Dat vertelde zijn vriendin, een econome die werkte in de City, hem op een avond. Ze hadden net een etentje gehad waarbij ze hem bekeken had en had gezien dat hij zijn gesprekspartner vreselijk verveeld had. “Merk je het dan niet wanneer iemand je maar wat glazig aanstaart?” vroeg ze. Toen had ze het uitgemaakt.’

Arme Graham C.! Een paar weken later krijgt hij op zijn werk, een advocatenkantoor, te horen dat hij zijn werk weliswaar goed doet, maar dat zijn cliënten hem niet mogen. ‘Bezorgd’ en ‘depressief’ komt hij bij de therapeut terecht. En dan het ergste: ‘Tijdens de eerste paar maanden van zijn therapie vond ik Graham ook slaapverwekkend.’

Grosz, als ik de schrijver gelijk mag stellen aan de therapeut/verteller, maakt er al snel een gewoonte van om voordat hij Graham zal ontmoeten veel koffie te drinken en zelfs koud water in zijn gezicht te gooien. Het helpt allemaal niet, Graham C. is gewoon retesaai. Terloops worden de ergste dingen gezegd. Bijvoorbeeld dat Graham’s leven weliswaar ‘interessant’ is, maar dat het hem niet lukt op anderen ‘interessant’ over te komen.

Maar dan gelukkig dit: ‘Saaiheid kan een nuttige aanwijzing zijn voor een therapeut.’ En nu houd ik op hierover ironisch te doen. Want opeens begon ik dat saaie een beetje te vatten. In sommige situaties voel ik die saaiheid over me komen, alsof ik liever ter plekke gemummificeerd zou worden in plaats van me nog te bewegen of iets te zeggen. Grosz zegt hier iets treffends over vind ik, en toen zocht ik dus dat potlood.

Eerst nog even de mogelijke verklaringen: die cirkelen allemaal rond het uit de weg gaan van het een en ander. En dan: ‘Het kan zijn dat de saaie patiënt zich dom houdt – zoals er jungledieren zijn die overleven door te doen alsof ze dood zijn, zo zijn er mensen die uit angst gewoon dichtklappen.’ Inderdaad, het is een vorm van dekking zoeken.