Marja Pruis leest…

..altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium 15932514 uit de tijd vallen david grossman

David Grossman, Uit de tijd vallen. Een verhaal in stemmen. Vertaald door Ruben Verhasselt. Uitgeverij Cossee 2012

Waarom lezen over het leed van anderen? Ik las deze week eerder een boek van een inmiddels overleden jonge vrouw over haar strijd met alvleesklierkanker (probeer dat woord maar eens hardop te zeggen), en nu net een boek van een vader die zijn zoon verloor. Bij het eerste boek voelde ik me een ramptoerist, bij het tweede een lezer. Nu is die vader ook de bekende Israëlische schrijver David Grossman. Zijn zoon Uri was soldaat in het Israëlische leger, dienstplichtig neem ik aan, en sneuvelde vijf jaar geleden in Libanon.
In dit boek heeft Grossman de toon, de woorden, en vooral de vorm gevonden om iets onuitsprekelijks op papier te krijgen. Het is een toneeltekst, gedicht en verhalenketting ineen. Het is een vorm die lyriek legitimeert, die ongegeneerd brullen toestaat en tegelijkertijd het zwijgen intact laat.
Natuurlijk moest ik bij het lezen de hele tijd denken aan Tonio, van A.F.Th. van der Heijden. Maar dan alleen omdat bepaalde verzuchtingen, wanhoopsgedachten, zo overeenkomstig zijn. Bijvoorbeeld de onderkenning dat je elkaar, man en vrouw, ouders van het omgekomen kind, nodig hebt om hem levend te houden. Grossman: ‘Wie zou hem in stand houden, wie zou hem omhelzen als wij niet met z'n tweeën ten volle zijn leegte omhulden?’
Of het besef van de vader dat de zoon hem ergens in is voorgegaan. Ik vond dat een van de moeilijkste passages om te lezen in Tonio. Zo pervers nabij komt Grossman bijna nooit in deze rouwzang. Daarvoor is de tekst te cerebraal, te literair. Het verhaal van de ouders die hun zoon hebben verloren op het slagveld, laat Grossman samenkomen met dat van anderen wier kind is gestorven, door verdrinking, ziekte, zelfmoord. Mooi opgetild daarmee, maar ook af en toe onnodig complex en, hoe oneerbiedig dat ook klinkt, een beetje saai en afleidend.
Tegelijkertijd is die veelheid aan stemmen de kracht van de constructie. Het wordt allemaal opgeschreven, en daarmee onder ogen gezien, maar nooit nadert de tekst de banaliteit van een rond verhaal. Sterker nog: in feite is dit een anti-verhaal, opgebouwd uit stemmen die elkaar meestal tegenspreken ('Kijk, met ieder woord verdwijnt er iets van ons geheim, als een droom die in zichzelf de lampen aansteekt.’) en soms aanzwellen tot één groot protesterend, ongelovig koor ('Het kan niet waar zijn, het kan niet waar zijn -’).
Zo wisselen ook kleine, menselijke herinneringen ('de aanraking van je jonge huid, je stem, die zacht en nog verlegen was’) zich af met schrijfwanhoop ('het kneden wil ik, hét, ja, dat wat er gebeurd is’) en pure ontzetting over het mysterie van de dood ('Alsof plots een innerlijke wet, die altijd in ons loert, als een donker silhouet uit de diepten opduikt’). Omdat hij zo'n breed palet bestrijkt, durft Grossman ook onvervalst sentimenteel te zijn. Niks ingetogen, gewoon hartbrekend.