Marja Pruis leest…

…altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium 8696197 verzameld werk hella s haasse uitzicht hella s haasse

Hella S. Haasse, Uitzicht. Essays, portretten en beschouwingen. Gekozen en van een nawoord voorzien door Margot Dijkgraaf en Patricia de Groot. Querido 2008

Als mannen een stuk schrijven over vrouwen en literatuur, weet je eigenlijk al waar dat op uitloopt. Onder patroniserende begeleiding richting massagraf. Ik heb Hella Haasse wel eens haar degelijkheid en voorzichtigheid verweten, maar als ik echt iets te weten wil komen over vrouwen en literatuur, hoe vreselijk mij dat inmiddels ook in de oren klinkt, vrouwen en literatuur (even anekdote tussendoor: toen ik met mijn uitgever naar een prikkelende ondertitel aan het zoeken was voor mijn essaybundel Kus me straf me, wilde hij heel graag dat er ‘over vrouwen en literatuur’ onder zou komen te staan, terwijl ik er eer in schiep om vrouwen niet als (probleem)categorie te benoemen, en dus werd het ‘over lezen en schrijven, liefde en verraad’; het gevolg hiervan was dat soms een bespreker of interviewer na lezing verbaasd/ ontgoocheld uitriep: maar het gaat over vrouwen!), goed, als ik echt iets te weten wil komen op dit gebied, pak ik de verzamelde essays van Haasse uit de kast.

Nu werk ik aan een stuk over ouder wordende vrouwen in de literatuur, en ik wist dat zij een mooi stuk daarover heeft geschreven, onder de onheilspellende titel ‘Afnemende maan’. Bladerend naar dit stuk bleef ik lezen in een heel ander essay van haar hand, ‘Het “vrouwelijk niemandsland”’.

Het is een minutieuze, scherpzinnige lezing van twee romans van Willem Frederik Hermans, Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen. Ze is met name geïnteresseerd in de manier waarop Hermans de twee vrouwelijke hoofdpersonages in deze romans neerzet, respectievelijk Gré Dingelam en Sita van de Wissel. Volgens haar is de blik van de schrijver scherp, genadeloos zelfs, op deze vrouwen die zich allebei in een kwetsbare fase van hun leven bevinden (ik ga het o-woord even niet gebruiken), maar is hij tegelijkertijd vervuld van medelijden.

Haasse neemt het in feite in dit essay op voor deze twee romans van Hermans, die relatief slecht onthaald werden door de literaire kritiek van dat moment (eind jaren zeventig, begin jaren tachtig). Blijkbaar vond men deze romans te licht in vergelijking met zijn andere werk, te satirisch en daarmee ook wat gewoontjes. Haasse daarentegen prijst de moed van Hermans om de egocentrische vorm waarbinnen hij zich altijd verschanst heeft te verlaten om iets te schrijven dat hem dichter bij de ‘gewone’ werkelijkheid brengt, en verder weg van zijn gewoonlijk door verbittering en frustratie aangedreven motor. Bijna en passant geeft ze een rijke analyse van de vrouwelijke personages in Hermans’ werk (de Natuur, het Andere), om zich toe te spitsen op Gré en Sita.

Ongelooflijk, de toewijding waarmee ze dit doet, de eruditie en inventiviteit waarmee ze verbanden legt met het werk van Jonathan Swift en Nathaniel Hawthorne. Haar conclusie heeft de vorm van een verdediging, of een pleidooi. Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen zijn geen komische genrestukken, maar complexe huwelijksromans waarin het ´oprechte trouw´ van mannen van middelbare leeftijd en hun even oude vrouwen zichtbaar wordt gemaakt.

Wat mij weer opvalt aan dit essay, en ook aan het essay waar ik nu nog in verwikkeld ben, een actualisering van haar beroemde essay ´Het beeld in de spiegel´, is Haasse´s goede wil, ik weet het even niet anders te omschrijven. Ja, en toch weer haar voorzichtigheid, haar niet-polemische inslag. Zo reageert ze heel keurig op het aloude idee dat er geen vrouwelijke Melville, Rimbaud of Kafka zou bestaan. Bij voorkeur zou Haasse niet in man-vrouwtermen willen denken als het op literatuur aankomt, ook zo verstandig en humanistisch. Het gaat volgens haar om een instelling, een innerlijke aanleg, los van leeftijd, geslacht, nationaliteit en taal, die bepaalt wat een schrijver schrijft, hoe hij of zij de zichtbare wereld beschrijft, of geneigd is een uiterst subjectieve werkelijkheid neer te zetten. Ik weet het niet zo goed. Het klinkt altijd zo intelligent en ontstegen. Terwijl een mannelijke Virginia Woolf toch ook ondenkbaar is, of een mannelijke Annie MG Schmidt, of Elfriede Jelinek.

Misschien toch maar weer even mee proberen op te houden, met dat man-vrouwdenken.