Marja Pruis leest…

..altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium scale.rb

James Wood, Hoe fictie werkt. Vertaald door Arie Storm. Querido 2012

Ik hoorde Leon de Winter ooit - het was in de tijd dat zijn boeken door de critici werden weggehoond - beweren dat hij zich niet kon voorstellen dat als de juf de hamvraag aan haar klas stelde ‘wat willen jullie later worden’ dat dan een kind blij zijn vinger zou opsteken om uit te roepen dat hij 'criticus’ wilde worden. Als ik een ander soort schrijver zou zijn, zou ik de voorgaande zin als volgt hebben geschreven: Leon de Winter beweerde ooit - het was in de tijd etc. De mededeling krijgt op die manier een ander gewicht, misschien gewoon wel méér gewicht. Aan de andere kant denk ik door met 'Ik hoorde..’ te beginnen - terwijl ik het in werkelijkheid geloof ik lás en niet hoorde (bent u er nog?) - de mededeling een soort persoonlijke betrokkenheid mee te geven.

Ik aarzel altijd even bij zo'n onmiddellijk ik. En denk dan aan Herman Franke, die afgelopen maand 64 zou zijn geworden als hij niet twee jaar geleden overleden was. Herman schreef een tijdlang erg leuke (inderdaad, leuke, want plezierig om te lezen; altijd een bijzondere combinatie van venijn en nadenkendheid) columns in de boekenbijlage van de Volkskrant, en vertelde me een keer dat hij iedere column die niet met 'ik’ begon als een nederlaag beschouwde.

James Wood, vermaard en bewonderd criticus van The New Yorker, schrijft niet direct over bovenstaande 'ik-kwestie’ in zijn handboek Hoe fictie werkt, maar wel over vele andere schrijfkwesties. Toen het vier jaar geleden verscheen kocht ik het onmiddellijk om er al snel in te blijven steken. De combinatie van het Engels en de moeilijkheidsgraad van zijn colleges brak me op. Ik ben dan ook blij dat er nu een heldere vertaling ligt van de hand van Parool-criticus Arie Storm wiens eigen recensies vaak zijn technische manier van lezen verraden. Zo schreef hij vorige week over Pier en Oceaan van Oek de Jong dat 'een soort schijnbare onhandigheid’ in de schrijfstijl - waarvan hij een aantal voorbeelden geeft - tot 'geraffineerde effecten’ leidt. Jammer genoeg is er niet genoeg ruimte om dat helemaal goed uit te leggen, nu is het meer een kwestie dat je maar moet aannemen dat dat zo is.

Die ruimte neemt James Wood wel om allerlei eigenaardigheden van literaire fictie tot op de komma te analyseren, aan de hand van romans als Madame Bovary, Buddenbrooks en The portrait of a lady. Hij neemt de lezer aan de hand - met de vraag 'Maar hoe kies je het ruime sop?’ begint hij bijvoorbeeld een paragraaf over hoe je een personage in beweging krijgt, altijd een lastige kwestie - en hij doet dat tamelijk bedaard. 'Laat ons hier even over nadenken.’ Ik weet niet of het echt een boek is voor aspirant-schrijvers, daarvoor is het toch te zeer een léésboek, maar het is wel echt opwekkend voer voor critici en (aspirant-)lezers.

Overigens was Herman Franke ook niet dol op de criticus as such. Immer bereid tot introspectie had ik daar nooit zo goed weerwoord op. Tot ik deze zomer een stuk in The New Yorker las van een andere geliefde criticus, Daniel Mendelsohn. 'A Critic’s Manifesto’ begint met de bekentenis dat hij vroeger geen schrijver of dichter wilde worden, maar criticus. Verrek, dacht ik opeens. Dat wilde ik ook, zij het dat ik het allebei wilde: én schrijven, én recenseren. En ik wilde ook juf worden.