Het werkelijke en het mogelijke

Marja Pruis leest…

…altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium fens

Kees Fens, Een leven lang Elsschot. WEG Cahier 14. Bezorgd en toegelicht door Koen Rymenants. Willem Elsschot Genootschap, Antwerpen, 2014

Ik begon deze dag met lachen heel ergens anders om. De zomerse weekendeditie van het NRC heeft een paar weken lang een dubbelinterview met telkens twee niet direct verwante gasten, deze week zijn dat Douwe Draaisma en Tosca Niterink. De laatste vertelt dat ze vroeger heel graag actrice wilde zijn, wat ze in feite ook is geworden. Maar ze kreeg er genoeg van steeds te moeten ‘slijmen’ en ‘kwispelen’. En dan: ‘Ik vind avond aan avond dat geklap ook een beetje gênant.’

Er is geen ander bruggetje naar Elsschot dan dat ik ook vaak hardop om hem moet lachen. Ik had natuurlijk gewoon de nieuwe Dwarsligger-uitgave van drie van zijn werken mee moeten nemen op vakantie, Kaas, Lijmen/Het Been en Dwaallicht, in plaats van dat zware Herzog waarin ik ook nog eens na 84 blz. ben gestrand. Teveel in zichzelf gekeerde echtscheidingsellende.

‘De kaasfilm begint zich voor mij te ontrollen.’

Wat een feest! Gewoon voor de zoveelste keer het kaasavontuur laten beginnen. ‘Kaas of geen kaas?’ Het staat er allemaal echt. Elsschot lezen betekent ook rust. Er is geen beginnen aan met hem na te willen volgen, zinnen te onderstrepen.

‘De taal blootleggen – dat heeft hij in zijn literaire werk gedaan,’ schrijft Kees Fens in een van zijn stukken over de schrijver, die nu, in het jaar dat Fens 85 zou zijn geworden, bijeen zijn gebracht in een uitgave van het WEG, het Willem Elsschot Genootschap. Heerlijk om te lezen ook, dit cahier. Een indirecte manier om je weer over Elsschot te kunnen verbazen. Fens kent het werk door en door, citeert trefzeker uit romans, brieven, kritieken, verzen, en is niet bang om ook eens een noot te kraken. Bijvoorbeeld dat Elsschot weliswaar een groot briefschrijver was, maar dat uiteindelijk het echte werk toch wel Lijmen was. En Kaas. En Tsjip. ‘Taal van blokken en stenen, van een grootse norsheid, boeien waarin de werkelijkheid wordt geslagen.’ Het heeft iets onmachtigs, zo’n karakterisering, maar alleen al het feit dat Fens een lezersleven lang heeft geprobeerd om Elsschot te vangen stelt gerust. Hij maakte daarbij een verschuiving van psychologische duiding naar stilistische karakterisering. In 1960 schreef hij over Elsschots schrijverschap dat het ontstaan was uit een behoefte tot corrigeren van de dichter door de burger. Nuchterheid uit angst voor overgevoeligheid. ‘Hij moet in dat voortdurende tweegevecht geen makkelijk leven hebben gehad,’ schrijft hij. Om te besluiten: ‘Maar de rustigen scheppen geen literatuur. Zij bakken brood.’

Het mooist, en het meest tot nadenken stemmend, is zijn stuk over ‘Elsschot en de humor’, uit 1976, waarin hij haarscherp uitlegt dat alle grote literatuur per se humoristisch is. Niet dat dat betekent dat je erom zou moeten lachen (al hoop ik wel dat dat mag, met al mijn gelach). ‘Humor is niet een lach en een traan, humor is de randsituatie, je zit aan de grens van het werkelijke en het mogelijke.’ Vervolgens geeft hij voorbeelden uit Kaas, waarin de epicus en de lyricus elkaar de tong afbijten. Fens schrijft over pogingen tot ontgrenzing en het verlangen naar grootheid, en de werkelijkheid die voortdurend de mogelijkheid vermoordt. Naar de humor moet je toegroeien in je leven. Geen enkele auteur, aldus Fens, zal als humoristisch auteur beginnen. Tsjechow’s latere verhalen zijn verreweg de beste. En Elsschot moest dat proces dus ook doormaken. Funfact tot slot: Kaas werd geschreven in veertien dagen.