Tribute voor Molly

Marja Pruis leest…

…altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium 759789029589475 fcovrs

Pauline Slot, De hond als medemens. Dierenliefde in tijden van welvaart. De Arbeiderspers, 159 blz., € 16,95

De titel van dit boek suggereert verhandeling, en niet zozeer liefde, terwijl het toch echt een boek van liefde is. De liefde voor een hond, Molly heet ze. Een meeslepend eerbetoon is het, waarin alle aspecten van het ‘hondenbezit’ aan de orde komen, dat dan wel. Een kinderwens heb ik nooit gevoeld, schrijft Pauline Slot in het tweede hoofdstuk, wel veel verdriet dat ik geen kinderen heb gekregen. ‘Wat nog wel kon was een huisdier.’ Ze beschrijft de rondgang langs hondenaanbieders, de afwegingen, Molly – die dan nog een andere naam heeft - heeft een kort verleden van Spaanse verwaarlozing achter de rug. Zo gauw ze in huize Slot haar intrede doet, en naar een nieuwe naam luistert, is ze geannexeerd. De schrijfster viel voor haar uiterlijk, haar blijheid (‘ze had een gretigheid voor het leven die ik zelf mis, en verwachtte niets dan goeds van wat haar nog te wachten stond’), en beseft pas later dat Molly in veel opzichten lijkt op de hond die ze vroeger thuis hadden. Nooit wilde ze meer een jachthond, en kijk, daar gaat ze, voortgesleurd door een jachthond. Het trekken aan die lijn moet minder worden, er moet een training aan te pas komen, martelwerktuigen, totdat Slot zich neerlegt bij haar nieuwe rol: ‘ik werd niet Molly’s roedelleider, maar haar mensenmoeder’.

In de reeks lievelingsliteratuur over dieren, waarin Guus Kuijer’s Olle de ereplaats heeft, neemt dit boek moeiteloos een plaats in, naast Rudy Kousbroek’s De aaibaarheidsfactor, Jan Siebelinks Mijn leven met Tikker, de verhalen van Kees van Kooten over hond Willem, de blogs van Gerbrand Bakker over Jasper, en Patricia de Martelaere’s ontroerende litanie De staart. Net als in dat laatste boek wordt het verdriet om het verscheiden van de hond gedempt met het verwelkomen van een nieuwe. Want, zoals De Martelaere schreef: ‘Wij houden niet van een hond, wij houden van de hond.’

Het knappe van De hond als medemens vind ik dat Pauline Slot dit op zich banale feit zo’n geheel eigen leven inblaast. Haar liefde voor Molly, een ‘abnormaal leuke’ hond, is onvoorwaardelijk, en heeft tegelijkertijd niks met sentimentaliteit te maken (al weet ik soms ook niet goed wat er mis is met sentimentaliteit, ik heb een paar keer een traan voelen prikken bij het lezen van dit boek, en er wordt ook gewoon lekker veel melding gemaakt van gehuil, zowel van baas als van hond). Het wandelen, het verkeren met andere hondenliefhebbers in de buurt, het verkennen van nieuwe omgevingen, op vakantie gaan, thuiskomen. Alles wat met haar samen vredig en gezellig is, zou zonder haar eng en eenzaam zijn.

En dus kan ze maar weinig voordelen bedenken als Molly er niet meer is. ‘Ja, ik heb op een dag een paar uur over, nu ik niet hoef te wandelen, maar ik vul die vrijgekomen tijd niet met zaken die men nuttiger kan noemen dan een hond door een weiland laten rennen en bijpraten met een buurtgenoot.’

Het persoonlijke en het beschouwende wisselen elkaar in deze hondenmemoir op de meest natuurlijke manier af, lopen in elkaar over als Slot stilstaat bij de dilemma’s van de moderne dierenartsbezoeker (hoever ga je in de behandeling van een ziekte die is meegekomen met een Spaanse parasiet?), de wildgroei aan fokkerijen en de zogenaamde dierenliefde van mensen die hun hond naar het asiel brengen als ze gaan scheiden. ‘Als het om dieren gaat hebben we een gespleten persoonlijkheid: we zijn weekhartig en keihard.’

En ja, je voelt het einde naderen. Liggend naast een doodzieke hond worden de gezamenlijke herinneringen opgehaald. ‘Weet je nog Mol, dat we met het busje gingen kamperen in Hoog-Soeren…’ Ik wist het nog voor ons allebei, schrijft Pauline Slot. Ik vind het mooi, de toon die ze weet vast te houden, ze combineert nuchterheid en niet-terughoudendheid. ‘Ze had me iets laten ervaren van de band die ik nooit had gekend, met een kind. Ze had me bestendig en onvoorwaardelijk liefgehad. Niets was eenvoudiger geweest dan die liefde te beantwoorden. Niets was gemakkelijker geweest dan voor haar te zorgen.’

Ik krijg er een hondenverlangen van.