Nessun problema

Marja Pruis leest…

21-09-2014 - …altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium 9200000026240551

Kees ’t Hart, Teatro Olimpico. Querido, 221 blz., € 18,99

Kees ’t Hart koos een heel slimme vorm om iets te bedrijven dat tussen ernst en satire inzit, iets dat voortdurend tegen het groteske aanschuurt. Aan het woord is iemand die zich verantwoordt voor de gang van zaken rond de opvoering van een Nederlands toneelstuk in Italië, en op die manier hoopt achteraf subsidie te krijgen. Die iemand heet overigens Kees, en zijn kompaan heet Hein. Samen hebben ze met hun toneelstuk over Rousseau de belangstelling gewekt van Italiaanse toneelmakers. Binnen de kortste keren zijn ze helemaal gek gemaakt bij de gedachte dat hun Rousseau ook opgevoerd zou kunnen worden tijdens een Rousseau-festival in Vicenza, in het prachtige Teatro Olimpico. Een karavaan van ambities, verlangens, praktische problemen en misverstanden wordt hiermee in gang gezet, door ’t Hart met verve beschreven. Die verve schuilt vooral in de perfecte balans tussen grolligheid en mededogen, absurdisme en voorstelbaarheid. Eigenlijk is alles voorstelbaar, en ik ken Kees eerlijk gezegd zo goed dat ik weet dat hij een hekel heeft aan het woord ‘eigenlijk’.

Teatro Olimpico levert op een bedrieglijk luchtige manier commentaar op het subsidiewezen, het kunstenaarschap en menselijke ijdelheden. Hoe ver zijn Kees en Hein bereid te gaan in hun verlangen naar een internationale carrière? Heel ver, zo blijkt, niet zozeer vanwege geldzucht – het is erg grappig hoe in deze brief aan de subsidiegever voortdurend melding wordt gemaakt van onverhoedse kosten, allemaal uit eigen zak en die van de respectievelijke echtgenotes betaald – maar vooral omdat er nu eenmaal geen houden meer aan is. De Italianen blijven zich maar aandienen, telkens andere al dan niet machtsbeluste artistiekelingen of berooide acteurs, en dat de lezer ze niet altijd uit elkaar kan houden maakt niet uit, voor Kees en Hein duizelt het ook.

Er zit een ongelooflijke vaart in de tekst, en een dwingend ritme. Dit is Kees ’t Hart op z’n best: ‘Even later verscheen Otto Muzzi. Een zwijgzame jongeman met een pafferig uiterlijk dat op het eerste gezicht weinig vertrouwen inboezemde. Hij gaf me een slap handje, wat me voor hem innam, omdat hij om een goeie indruk te maken even makkelijk een stevige handdruk had kunnen geven. Maar dat deed hij niet, deze Muzzi wilde geen goede indruk maken. Hij had andere ambities.’

Voor het einddoel in zicht is, worden de theatermakers gedwongen allerlei concessies te doen aan hun oorspronkelijke stuk. Rousseau dreigt in gevangeniskledij ten tonele te worden gevoerd, er komt misschien een kind, bij zitten, de kans bestaat dat een als Rousseau verklede figuur het toneelstuk zogenaamd komt verstoren, de tekst wordt veel te dramatisch ten tonele gebracht, etc etc. En dit terwijl Kees en Hein stringente opvattingen hebben over toneel in het algemeen, en hun stuk in het bijzonder, het moet allemaal ‘bleek’ zijn, en vooral niet ‘historisch’ of ‘existentialistisch’, niet clownesk ook, en het allerergste zou zijn als het zou zwemen naar Beckett. De ironie wil dat ze steeds meer tijd doorbrengen met wachten, onduidelijkheden, en de ene clowneske situatie zich op de andere stapelt. Kees is steevast degene die in woede ontsteekt, Hein is wat lijdzamer. Heel geestig ook is de manier waarop zij de Italiaanse dooddoeners ook steeds meer tegen elkaar gaan gebruiken. We zullen zien, altijd we zullen zien. Niks is een probleem. No problem. Nessun problema. Alles komt goed, ook als het niet goed komt. Met tot gevolg dat op het affiche waarop het grote gebeuren wordt aangekondigd hun toneelstuk niet alleen een – vervloekte – andere naam heeft gekregen, maar hun beider achternamen ook nog eens door elkaar gehaald zijn. ‘Daar grinnikten we weer om, verwarring hoorde bij ons soort theater, critici in Nederland zouden zeker denken dat we de naamsverwisseling doelbewust hadden doorgevoerd. Het kon ons niet veel schelen, al denk ik achteraf dat het publicitair niet handig was om met verhaspelde namen te werken.’

Het wordt allemaal nog veel erger, Balzacciaans erg, schaterlachend erg, zonde om hier verder te onthullen.