Marja Pruis leest

…altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium 9789025368364

Hans Christian Andersen, Sprookjes en verhalen. Vertaald door Annelies van Hees. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011

Nieuwe, gebonden uitgave van de bekende en minder bekende sprookjes van Andersen. Ik had het ter hand genomen om De kleine zeemeermin te kunnen lezen, een sprookje waaraan Patricia de Martelaere een essay wijdt in Een verlangen naar ontroostbaarheid, waarover ik nu aan het schrijven ben (voor een boek). Typisch een sprookje dat, zeker in de jaren tachtig van de vorige eeuw, eindeloos is geciteerd, aangehaald en geïnterpreteerd als metaforisch voor het vrouwelijk liefdesverlangen/opofferingsdrift versus het mannelijk opportunisme. De Martelaere zou De Martelaere niet zijn om er heel wat anders mee te doen. Ik heb als kind deze sprookjes eindeloos herlezen. Dit is een prachtige nieuwe uitgave, met leeslint, al mis ik de mooie glanzende gekleurde plaatjes van vroeger. Mijn lievelingssprookje: De wilde zwanen (over opofferingsdrift gesproken). Sowieso: met en ze leefden nog lang en gelukkig hebben deze sprookjes helemaal niks te maken. Wat me nu voor het eerst opvalt: de literaire manier van vertellen. Bijvoorbeeld de pesterige manier waarop De steen der wijzen begint: ‘Je kent het verhaal over Holger de Deen toch wel? Dat ga ik je niet vertellen (…) Ken je Christiern Pedersen? Het doet er niet toe als je hem niet kent…'etc. Deel van de aantrekkingskracht vroeger was dat ik de sprookjes nooit helemaal begreep, vanwege de omhaal van woorden en ook de moeilijkheidsgraad van de woorden. De aantrekking is gebleven, geen sprookje valt plat.

Medium tales

Angela Carter’s Book of Fairy Tales_. Edited by Angela Carter. Illustrated by Corinna Sargood. Virago, 2005

Nog een gebonden sprookjesboek met leeslint, dat ik al een tijdje in huis heb. Net als De Martelaere stierf Angela Carter op haar 51e. Heel bijzondere schrijfster vond ik altijd, met een subversieve fantasie. Ik kwam met haar werk in aanraking door de film van Neil Jordan, In the company of wolves, zo'n weirde film. Geen regisseur als Jordan kan zo goed het schemergebied tussen slapen en waken vangen, In dreams vond ik ook zo geweldig en naargeestig tegelijk. Maar In the company of wolves, waarin het aloude sprookje van Roodkapje een bizarre twist krijgt ('Roodkapje’ valt voor de wolf), bleek dus gebaseerd op een verhaal van Angela Carter (opgenomen in de bundel The Bloody Chamber).

In deze anthologie kun je goed zien waardoor Carter zich liet inspireren; ze haalde sprookjes overal vandaan, en deelde ze thematisch in, onder kopjes als ‘Brave, bold and wilful’, ‘Good girls and where it gets them’ en ‘Unhappy families’. Zo'n rijke bron is dit.

Medium image

Agota Kristof, Het dikke schrift / Het bewijs / De derde leugen (Van Gennep 2002, vertaald door Henne van der Kooij; oorspronkelijk 1986, 1988 en 1991)

Toen ik op vakantie was zag ik op de voorpagina van een buitenlandse krant dat ze dood was, Agota Kristof, de van oorsprong Hongaarse schrijfster die uiteindelijk in het Frans haar boeken schreef. Bijna tien jaar geleden las ik haar tweelingtrilogie, die ik zo gauw ik thuiskwam uit m'n kast plukte. Het eerste deel is het bekendste (Le grand cahier), en ook verreweg het beste. Zo niet het enige echt goede. Heel mooi en heel schokkend. Consequent naïeve kindertoon, maar zoals ik die nog niet kende. Het perspectief ligt bij een naamloze tweeling, opgroeiend bij de grootmoeder in een land in oorlog, die zichzelf alles leert en allerlei oefeningen doet om pijn, gemis, gebrek aan liefde en honger te kunnen doorstaan. Ze worden als ‘tevengebroed’ gekenschetst door de oma, maar ze doen ondertussen alles voor haar. Zij slaan alles gade, leggen alles vast, in schriften. Oefenen zich ook in het beschrijven van de dingen als feitelijkheden, wissen elke emotie uit. Het effect is natuurlijk navenant. Oorlogsgruwelen en ‘gewoon’, het leven.

In de volgende twee boeken wordt het verhaal van de tweeling in een ander licht geplaatst, maar zodanig dat het de vraag wordt of de tweeling ‘echt’ is. In het tweede boek ligt het perspectief bij de een, in het derde bij de ander, maar je weet eigenlijk ook niet meer wie nu wie was, en in hoeverre ‘de broer’ niet een zinsbegoocheling was. Alles grijpt in elkaar, de boekhandelaar, het oude familiegeluk, de pensionhoudster, de pannetjes soep. Eigenlijk een beetje vervelend daardoor. Wat beklijft is de totale troosteloosheid en zinloosheid. De moeite om een leven te leiden. Waartoe in godsnaam.

‘Ik zeg hem dat het leven van een volstrekte nutteloosheid is, het is zinloosheid, waanzin, lijden zonder eind, het bedenksel van een antigod wiens boosaardigheid alle begrip te boven gaat.’

Het enige soelaas is het op te schrijven. Maar ook dan, bij alle streven de waarheid vast te leggen, steekt de leugen de kop op.