Marja Pruis leest

..altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium de man zonder ziekte

Arnon Grunberg, De man zonder ziekte. Nijgh & Van Ditmar 2012

Had ik niet afgesproken om over deze roman te twitteren met Bas Heijne, dan had ik hem denk ik niet gelezen. Tirza was de laatste Grunberg die ik las. Ik heb zijn werk altijd bewonderd, maar raakte er gaandeweg ook steeds minder benieuwd naar. Het lijkt alsof hij iedere keer hetzelfde schrijft, maar dan met andere namen. De man zonder ziekte is wat dunner en kaler dan gewoonlijk. Daardoor valt denk ik des te meer op dat Grunberg altijd óver kwesties schrijft, en nooit er vanuit. Hij kan zijn romans daardoor ook waar ter wereld situeren, het maakt niet uit. De buitenissige decors, het opzoeken van de zogenaamde brandhaarden, het is een vorm van impression-management. Dat een hoofdpersonage zich in Bagdad bevindt in plaats van in Maastricht, levert niet automatisch iets wezenlijkers op. Ik was bang dat het twitteren over De man zonder ziekte me negatiever deed klinken dan gerechtvaardigd, maar op de een of andere manier heeft die gedwongen korte vorm me ook duidelijker gemaakt wat ik van de roman vind. Het feit dat zowel in het NRC als in de Trouw een werkelijk over-de-top goeie recensie stond, en in de VK een redelijk goeie, maakt mij denk ik ook scherper in mijn oordeel. Ik begrijp dat er behoefte is aan een literaire grootheid, maar dat ‘iedereen’ zo klakkeloos deemoedig het hoofd buigt vind ik merkwaardig. Teveel eerbied voor het feit dat een Nederlandse schrijver over de grenzen durft te kijken, denk ik. Alsof je automatisch een geëngageerd schrijver bent als je roman zich afspeelt in het Midden-Oosten en er in wordt gemarteld.

De man zonder ziekte gaat over een Zwitserse architect die op uitnodiging naar Irak vertrekt en daar gevangen wordt gezet, zonder dat hij begrijpt waarom. In het tweede deel gaat hij opnieuw op pad voor het werk, nu naar Dubai, en weer wordt hij gearresteerd. Hij wordt verdacht van spionage, en terechtgesteld. De grote vraag is of hij ‘echt’ onschuldig is, of dat hij iedereen, inclusief de lezer, voor de gek heeft gehouden.

Nu is er niks fijners, en uiteindelijk bevredigenders, dan door een schrijver voor de gek gehouden te worden. Een schrijver kan dat doen door je te laten geloven in zijn fictie, je zelfs te laten vergeten dat je fictie leest. Maar het kan ook door dubbele bodems in te lassen en je dus juist ervan te blijven doordringen dat je ‘maar’ een verhaal leest. Lees Atonement van Ian McEwan, Fingersmith van Sarah Waters, of kijk naar Caché van Michael Haneke. Ik denk dat De man zonder ziekte ook een dubbele bodem wil hebben, alleen voert Grunberg van meet af aan een soort poppentheater op waarmee hij iedere interessante ambivalentie in de kiem smoort. Zijn personage is te zeer een creatie van de auteur om ook maar een moment met hem mee te kunnen gaan. Tegelijkertijd besef ik dat Grunberg dit aanrekenen zoiets is als Charlie Chaplin verwijten dat hij geschminkt is en danspasjes maakt. Grunberg’s romankunst heeft niks te maken met psychologisering, karakterontwikkeling en plot. Op z'n best zijn zijn romans grappig, snel, origineel, vol wijsheden en pedanterieën, grollig, grimmig. Hij bedrijft een hogere vorm van slapstick. Eventjes dacht ik dat de constructie iets ingenieus had. Eerst de onschuldige man die wordt verdacht van spionage, en in het tweede deel lijkt hij tegen wil en dank spion te worden. Zelfs kun je je dan afvragen of hij niet van meet af aan dubbelspel speelde, dus ook al in Bagdad. Maar op blz. 220 (nu volgt een plotspoiler) vertelt hij, op weg naar zijn executie, tegen de bewakers de waarheid. Namelijk dat hij altijd in twee verschillende werelden heeft geleefd. Dat hij dat andere, naast zijn werk, er alleen maar bij deed. Aha. Dus toch. Maar ook: wat zwak van de schrijver om dit in te lassen. Alsof hij bang is dat anders zijn verhaal niet wordt begrepen. Al kan natuurlijk ook dat het personage murw is, en gewoon maar wat zegt. Hoe dan ook: Grunberg zelf is hier de glimlachende onbetrouwbare verteller die zijn personage zozeer aan de touwtjes heeft spartelen, dat je je afvraagt wat je nu uiteindelijk hebt gelezen. Moet dit Kafka verbeelden? Op geen enkel moment, om het erge woord er maar uit te gooien, voelde ik iets bij dit boek. ‘Gevoelens,’ denkt Jörgen Hofmeister in Tirza, ‘het is een woord waarbij hij even stil blijft staan als bij een attractie langs de weg.’ Ik denk dat iets dergelijks gezegd kan worden over deze roman: het is een fenomeen, een attractie, waar gelukkig voor Grunberg veel publiek voor is.