Marja Pruis leest

..altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium fabeldier

Onno Blom, Het fabeldier dat Komrij heet. Schrijversprentenboek 51. Letterkundig Museum/De Bezige Bij, 2004

Ik hoorde dat ook de koningin haar leedwezen had betoond met de nabestaanden van Gerrit Komrij. Sportief, of beter gezegd: edel. Komrij schreef pittige gedichten over het koningshuis toen hij Dichter des Vaderlands was. De koningin betitelde hij in zijn eerste bijdrage, een vierluik over Beatrix, als ‘ons aller marionet in koningstooi’. In 2000 was dat. Het gedicht ‘Het aanstaande huwelijk’, gepubliceerd bij de aankondiging van de verloving tussen Willem-Alexander en Maxima, lijkt geschreven vanuit het perspectief van de koningin, ‘straks trouwt mijn zoon’, maar blijkt in de vierde strofe te berusten bij een dwaze moeder die haar zoon heeft verloren onder het generaalsregime in Argentinië. Toen Komrij bij de opening van het VOC-jaar Willem-Alexander tegenkwam, zou die met zijn handen in de zakken tegen hem hebben gezegd: ‘Zo, gaan we weer een gedichtje schrijven?’

Ik weet het uit het door Onno Blom smeuïg opgetekende levensverhaal van Komrij dat acht jaar geleden verscheen als Schrijversprentenboek. Opnieuw verbaas ik me over de grote persoonlijke warmte van de familieman Komrij, die me ook al was opgevallen toen ik de televisiedocumentaire over hem zag. Iets dat je niet onmiddellijk zou verwachten bij een van de meest vileine critici en spotlustige schrijvers die we hadden. Net zoals hij ‘gewoon’ al op zijn negentiende zijn grote liefde Charles Hofman tegen het lijf was gelopen in de Utrechtsestraat in Amsterdam, en met hem zijn hele leven bleef.

‘Kwetsen is nodig om het leven te veraangenamen’, was een van de vele deviezen van Komrij. De manier waarop hij dat aanpakte blijft onweerstaanbaar grappig. En ook meer een kunst dan iets dat voortkwam uit onoverkomelijke haat. Zo kreeg Rudi Fuchs er behoorlijk van langs in Komrij’s stukken tegen de heersende beeldende kunstkritiek in de jaren tachtig (‘Die man heeft evenveel hersens als het kleedje voor zijn open haard’), maar dezelfde Fuchs kon op Komrij’s steun rekenen toen hij in de jaren negentig werd beschuldigd van financieel wanbeleid. Altijd dat gezeur over uitgaven ten bate van de beeldende kunst, zo fulmineerde Komrij, terwijl er wél altijd geld was voor de aanleg van ‘lesbische fietspaden’.

Ook opmerkelijk: de negatieve recensies die hij als dichter aanvankelijk kreeg. In de NRC werd zijn tweede bundel, Alle vlees is als gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1970) als ‘klef en ongaar’ weggezet. Het verhaal gaat dat Komrij vervolgens de straat opging met die opgevouwen krant als pochet in de borstzak.

Komrij’s biografie is een wonderbaarlijk verhaal, van een dromerig jongetje uit Winterswijk, met allerlei gekke tics en een doof oor (de ‘dove kaartjesknipper’ noemde Reve hem), dat hing aan zijn ouders en zijn tien jaar oudere broer, en op school merkte dat hij zich kon handhaven door toneel te spelen. En die net als Boudewijn Büch een grote passie voor Goethe ontwikkelde, de ultiem ongrijpbare met de zes verschillende levensverhalen. Alle foto’s in dit boek vertellen een verhaal op zich; op de groepsportretten, familiekiekjes en klassefoto’s springt het gezicht van Komrij op alle leeftijden er onmiddellijk uit.

In 1980 typte Komrij een aansporing aan zichzelf, een Ad hortatio, die iedere schrijver wel boven zijn bureau zou kunnen hangen:

‘Ik moet in ieder geval, en dat is niet teveel gevraagd, een dag per week aan een boek werken. Niet meer, dan heb ik tijd genoeg over voor de stukken waaraan ik verdien.’

Nu gauw zijn werk herlezen.