Marja Pruis leest

..altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Zelfs op vakantie. Op de website van De Groene doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest.

Medium salter300

James Salter, Spel en tijdverdrijf. Meulenhoff 1997, oorspronkelijk 1967 (A Sport and A Pastime). Vertaling Else Hoog.

Nadat ik verhalen van hem las, ben ik in deze schrijver geïnteresseerd geraakt. Ik wilde zijn huwelijksroman Light Years lezen, ook meegenomen in de vakantiekoffer, maar zag dit boek bij bol.com beschreven en heb het toen besteld, het is alleen tweedehands verkrijgbaar. Nu net lees ik in een oud Paris Review-interview met James Salter dat hij dit zelf als z'n beste werk beschouwt. De man is 87 inmiddels. Ik moest heel even wennen aan de toonzetting, die in eerste instantie wat gedateerd op me overkwam. Heel lyrisch en existentialistisch, zo'n odeur van vrijheid uitwasemend die ik associeer met zelfverklaarde bohémiens en landerige vagebonderie van would be Scott Fitzgeraldachtigen. Beetje rondhangen, reizen, in open auto’s het Franse platteland doorkruisen, geld speelt geen rol. Maar gaandeweg, al heel snel zelfs, kreeg het boek me in z'n greep, en nu zit ik er nog steeds over na te denken, zowel over hoe het geschreven is als over het verlangen dat erin zit, de lust die het oproept.

Het bijzondere aan deze roman is de manier waarop het verhaal wordt verteld, namelijk ‘getrapt’, via een verteller die misschien alles zelf verzint, of zelf stiekem het hoofdpersonage is maar zich verschuilt achter zijn vertellersrol. Zo slim gedaan. Als ik nu een alinea ter illustratie citeer, en dus isoleer, lijkt het nogal obvious, maar dat is het in de vaart van de vertelling helemaal niet:

‘Als ik het geweest was - en soms ben ik zo doordrenkt met beelden dat ik denk dat ik het was - maar als ik het geweest was, zou ik er geen vertrouwen in hebben gehad, absoluut niet. Ik zou doodmoe zijn geweest, gekweld door ongeloof, en het alleen hebben doorgezet uit een soort nieuwsgierigheid, om te ontdekken op welk punt alles de mist in zou gaan. Ik zou gedacht hebben: God zal het niet toestaan.’

Het hoofdpersonage, de Amerikaanse student Dean, durft het wel aan, de verhouding met het jonge Franse burgermeisje Anne-Marie, van wie steeds wordt benadrukt hoe armoedig haar kleding is, hoe hoerig haar voorkomen, hoe rot haar tanden zijn, hoe weinig belezen ze is. Maar ondertussen wel: fluwelen huid, prachtige borsten, dito billen, kuiten, alles. En bereid te volgen.

De vertelstem van buitenaf geeft het relaas van hun verhouding iets voyeuristisch, maakt het verhaal zelfs eigenlijk nog ‘echter’, in plaats van dat het postmodern flauw zou worden. Tegelijkertijd is het voor de schrijver een veilige positie die hij inneemt, met zo'n seksueel geladen verhaal, zo'n door en door fysieke orgie van ‘satanisch geluk’. Alsof hij er ook maar een beetje bijstaat.

In het Paris Review-interview - uit 1993 - vertelt Salter dat eens in de zoveel tijd weer iemand het boek aan hem gaat uitleggen. En dat hij ook met enige regelmaat wordt benaderd door regisseurs die het boek willen verfilmen. Voorstellen die hij afwijst omdat het volgens hem onmogelijk is de roman te verfilmen. Je zou denken vanwege de ambiguïteit die dat vertelprocedé met zich meebrengt, en die in een verfilming misschien verloren gaat, maar die ambiguïteit ontkent hij juist. ‘To my mind the book is obvious. I don’t see the ambiguity, but there again, you don’t know precisely what you are writing. Besides, how can you explain your own work? It’s vanity.’ Vervolgens zegt hij dat je het boek begrijpt als je de slotalinea leest. Ik ga deze alinea hier niet citeren, niet alleen omdat het een plotspoiler zou zijn - een beetje - maar ook omdat ik liever vasthoud aan mijn eigen interpretatie. Salter zegt dat deze alinea geschreven is in ‘ironie’, maar dat die misschien niet als zodanig wordt gelezen. Nee, inderdaad, laat maar zitten, die zogenaamde ironie.

Gelukkig vraagt de interviewer hem ook naar het vertelperspectief. ‘Camouflage’ noemt Salter dat.

What do you mean?

Salter zegt dan dat het boek moeilijk te schrijven zou zijn geweest vanuit de eerste persoon, oftewel Dean’s stem. En als het in de derde persoon geschreven zou zijn, zou het ‘a little disturbing’ zijn geweest vanwege de seksuele explicietheid. Dus zocht hij een intermediair. Ik weet niet wie die verteller is, zegt hij. Je zou kunnen zeggen dat ik het ben, dat is mogelijk. ‘But truly, there is no such person. He’s a device. He’s like the figure in black that moves the furniture in a play, so to speak, essential, but not part of the action.’ De interviewer merkt vervolgens op dat die vertelstem het lezen van de roman tot een voyeuristische sensatie maakt. Inderdaad, zegt Salter. Dat maakt het opwindend, iets te zien dat verboden is, iets natuurlijks en niet in scène gezets, iets dat niet weet dat het gezien wordt.