Mark Smeets is toch niet vergeten

Het onaffe en rafelige oeuvre van striptekenaar/cartoonist Mark Smeets kent merkwaardige elementen. Waar kwam die ogenschijnlijke gekte vandaan?

Het is alweer zeventien jaar geleden dat Mark Smeets overleed. Zijn vluchtige nalatenschap bestaat uit meer dan honderd schetsboeken, illustraties voor NRC Handelsblad en de VPRO Gids, bijdragen aan striptijdschriften en een in zeer beperkte oplage verschenen boek: De wereld van de aarde. Liefhebbers van zijn werk hebben op een magistrale manier zijn tekeningen weer ontsloten met een rijk geïllustreerd koffietafelboek waarin zijn onwaarschijnlijke carrière uitputtend wordt verteld, en een facsimile-uitgave van een schetsboek uit 1993.

Mark Smeets werd in 1942 geboren in Zeeuws-Vlaanderen en verhuisde op zesjarige leeftijd naar het Limburgse mijndorp Hoensbroek. Die plek had diepe indruk op de jonge tekenaar gemaakt en keert vaak in zijn werk terug. Smeets beschrijft Hoensbroek als een ‘wildweststadje’: ‘Een wirwar van bouwstijlen, het onaffe landschap zoals de grote verlaten zandafgravingen, lege fabrieksgebouwen.’ Met name de ‘Zandberg’, waar hij veel speelde met zijn broer Luc, keert vaak terug in zijn tekeningen, die veelal doordrenkt zijn van melancholie.

Medium smeets 20p91

Smeets tekende de hele dag. De invloeden uit zijn vroege jeugd blijven tot het eind herkenbaar: het Tapijt van Bayeux, Krazy Kat, Funke Küpper, Bud Fisher, landschappen van Hercules Seghers, maar vooral Hergé. En van de laatste met name Kuifje’s Het geheim van de eenhoorn. Niet alleen de ‘klare lijn’ van Hergé is duidelijk herkenbaar als invloed, ook thema’s en personages nam Smeets regelmatig over. We zien als rode draad in zijn soms cartooneske tekeningen vaak ridders (Bayeux) en mannen met piratenhoeden (Eenhoorn) die ronddwalen in een fantasielandschap met minutieus getekende bomen en ruïnes. Met name de grote, helemaal uitgewerkte landschapstekeningen van Smeets zijn een lust voor het oog en zou je net als een schilderij graag op groot formaat willen zien.

Met de verschillende tekenstijlen en invloeden heeft Smeets schetsboeken vol gevuld. De tekeningen zijn vaak niet af. Een deel is nog in potlood, een ander deel geïnkt en ingekleurd en dat is soms ook de bedoeling. Smeets leek zelden iets te willen afmaken. In zijn jeugd wilde hij net als André Franquin bij het striptijdschrift Robbedoes werken, maar alle adviezen die de man hem gaf, sloeg hij later in de wind. Franquin stuurde hem voorbeelden hoe hij voor het blad moest werken, maar Smeets werd bang dat het tekenen ‘echt werk’ werd. Later legde hij zich neer bij het feit dat hij nooit een ‘echt stripverhaal’ zou maken: ‘Dat is strip nu eenmaal: je moet een verhaal vertellen, zo simpel en zo duidelijk mogelijk. Ik doe het juist zo ingewikkeld mogelijk, sleep er allerlei zaken bij die er niets mee te maken hebben, ongedisciplineerd.’

Hij heeft een paar jaar voor de Toonder Studio’s gewerkt, samen met Dick Matena, maar kwam in de problemen door zijn werkhouding. Iedereen was overtuigd van zijn talent, maar toen Smeets de figuren Tom Poes en Heer Bommel een beetje veranderde, kreeg hij direct ontslag. Matena vermoedde dat er meer aan de hand was en dat de verlegen maar aantrekkelijke Smeets (‘een soort Alain Delon’) er vandoor ging met mevrouw Willers (vrouw van een collega-tekenaar met wie hij samen naar de studio in Dublin verhuisde).

Toen Smeets de figuren Tom Poes en Heer Bommel een beetje veranderde, kreeg hij direct ontslag

Mark Smeets raakte daarna verzeild in de Nederlandse stripscene uit de jaren zeventig rondom het blad Tante Leny Presenteert, dat werd uitgegeven door onder anderen Joost Swarte, Evert Geradts, Harry Buckinx en Peter Pontiac. Geïnspireerd door Amerikaanse undergroundtekenaars als Robert Crumb gaven ze zelf een tijdschrift uit met vernieuwende strips voor volwassenen. Smeets maakte geen echte strips, maar illustraties en cartoons voor het blad. Als er een groepsexpositie was, werkte hij mee aan een groot affiche, waarvan iedereen een deel tekende. De Tante Leny-_tijd was een goede leerschool, maar ook een tijd van feesten, gezelligheid en veel vriendinnen, die soms met elkaar werden gedeeld. _De triomf van het tekenen bevat veel materiaal uit die tijd en ook kiekjes van Smeets en zijn vrienden in het Amsterdam uit de jaren zeventig.

In de jaren tachtig ontdekten verschillende redacties (Mensen, VPRO, NRC) zijn op het eerste gezicht toegankelijke tekenstijl, die sterk lijkt op die van Hergé. Bij nadere bestudering was er altijd wel iets raars aan de hand en bedacht de tekenaar een originele invalshoek voor bij het artikel. Eigenlijk bleek Smeets geen striptekenaar, maar vooral cartoonist en illustrator. Door huiselijke problemen en ziekte keerde hij tijdelijk terug naar het huis van zijn moeder in Baarlo. Daar kreeg hij nieuwe inspiratie en met broer Luc begon hij het culttijdschrift Venlo Internationaal, geholpen door het wonder van de kleurenkopieën van Kuntzelaers Sport in Tegelen. Met Luc verzon Mark nu wel korte verhalen rondom het duo Hay en Huub die verrassend weinig meemaken en in een primitievere stijl zijn getekend. Een strip heet ‘Een wandeling door de stad’, waarin Hay en Huub de hele tijd discussiëren over hoe ze zullen lopen (‘Kleine Kerkstraat, Knibbelstraatje en weer terug…’). Het tijdschrift was geen reclamefolder voor Venlo, maar had soms wel de stad als onderwerp. Vooral de verdwenen ruïnes en de mogelijke herbouw ervan met als speciale attractie de Venlose stadsolifant keren vaak terug.

Medium mark 20smeets

Smeets was qua publicaties een laatbloeier, want de laatste tien jaar kreeg hij opeens haast. Een eigen tijdschrift, veel illustratie-opdrachten en volle schetsboeken. Hij bleef maar tekenen: ‘Tekenen dat is mijn dagindeling. Er is maar één onderdeel van mijn dagindeling: de hele dag werken.’ Alsof Smeets voelde dat hij niet lang meer te leven had, en dat was ook zo. In de zomer van 1998 bleek hij chronische leukemie te hebben. In april 1999 verhuisde hij per ambulance naar Baarlo. Daar bracht hij zijn laatste maanden tot september door bij zijn moeder en herlas hij nog eens de stapel Kuifje’s die hem al zijn hele leven fascineerden. En hij bleef tekenen: zijn laatste tekening heet ‘Mijn laatste kasteel’ en is een fantasielandschap in de stijl van het Tapijt van Bayeux; het bijschrift luidt: ‘Kuifje in Bayeux!’.

De biografische Triomf van het tekenen staat vol anekdotes over Smeets’ roerige leven. Meer dan de helft bestaat uit illustraties, strips en foto’s. De samenstellers zijn grondig te werk gegaan en hebben alles uitvoerig gedocumenteerd. Wie dit boek leest, begint te begrijpen waarom Smeets bepaalde dingen deed, waar de ogenschijnlijke gekte vandaan kwam. Dit geeft enig houvast bij het lezen van zijn werk. Het is lastig om pagina’s vol met Smeets’ krabbels en onaffe strips achter elkaar te lezen. Maar dat hoeft ook niet, je kunt erin bladeren en later weer verdergaan (leeslintje was wel fijn geweest). Het boek is afgerond en compleet. Wie er dan nog niet genoeg van heeft, kan verder lezen in de integrale heruitgave van Smeets’ schetsboek uit 1993.

Mark Smeets heeft tijdens zijn leven geen echte boeken gepubliceerd, maar met deze twee uitgaven is dat ruimschoots goedgemaakt en is zijn vreemde, onaffe en rafelige oeuvre toegankelijk gemaakt voor een groot publiek en gered van de vergetelheid.


Beeld: (1) Mark Smeets, ca. 1977 ; (2) pagina uit Schetsboek 1993 (Mark Smeets)