Economie

Markt en staat

Links kraait in de kredietcrisis victorie. Maar het ‘linkse’ antimarktdiscours is even ondoordacht als het ‘rechtse’ neoliberalisme. Beide berusten op ideologische waanideeën, die meer schade aanrichten dan problemen oplossen. Deel 1 van een serie over de markt en de staat.
Het neoliberalisme begon met Reagan en Thatcher. Hun politieke agenda bestond grofweg uit privatisering, lagere belastingen en minder overheidsinterventie. Na het uit de hand gelopen experiment van de verzorgingsstaten in de jaren zeventig – eveneens gebaseerd op ideologische nonsens – was een correctie op zijn plaats. Maar Reagan en Thatcher waren, om Keynes te parafraseren, ‘madmen in authority, who heard voices in the air, and were distilling their frenzy from an academic scribbler from a few years back’. Economen als Krugman en Stiglitz gingen rond 1994 al tekeer tegen de voodoo-economie van Reagan en Thatcher.
Ook in Nederland heeft het neoliberale gedachtegoed wortel geschoten. Een aantal dereguleringsoperaties is geslaagd, bijvoorbeeld in de telecomsector en de luchtvaart. Maar problemen ontstonden in bijvoorbeeld het onderwijs, de zorg, het spoor, de taxi’s en de sociale zekerheid. Zoals altijd verdrongen ideologische blauwdrukken economische analyse. Zaken zijn aan de markt vrijgegeven zonder de voorwaarden te creëren waaronder markten goed werken: eerlijke concurrentie, vrije toe- en uittreding, heldere spelregels, geen monopolies, transparantie, enzovoort.
Semi-overheidsinstellingen gedragen zich nu te vaak als monopolisten en leggen geen verantwoording af: aan de markt noch de staat. Ook is het mededingingsbeleid veel te slap. Grootschalige fusies, overnames en schaalvergrotingen veroorzaken nog immer monopolieachtige toestanden bij, bijvoorbeeld, de energiebedrijven, kabelmaatschappijen, banken en (ziektekosten)verzekeraars. Het is dan niet gek dat de bureaucratie uitdijt, burgers radeloos worden van instellingen die niet leveren en consumenten een poot wordt uitgedraaid. Het falen van de markt is het gevolg van het falen van de overheid.
Topsalarissen zijn ook symptomatisch voor slecht functionerende verantwoordingsstructuren. Oorzaak: in zowel de private als de semi-publieke sectoren kennen de bestuurders elkaar allemaal via het ‘old boys network’. Het maatschappelijke debat over de topbeloningen is daarom even ergerniswekkend als de topbeloningen zelf. Salarisingrepen zijn naïef en zijn symptoombestrijding. Ze kunnen gemakkelijk juridisch worden omzeild. Alleen als bestuurders direct verantwoording moeten afleggen over hun beloning aan aandeelhouders of overheden kan hun opportunistische gedrag worden beteugeld.
Het is teleurstellend dat de Nederlandse polderinstituties en veel linkse politici de aandeelhouders juist op afstand willen zetten van bedrijven. Pleidooien voor eerlijke concurrentie en vrije mededinging worden bovendien met ideologische pek en veren besmeurd. Maar alleen met sterke concurrentie en sterke aandeelhouders kan opportunistisch gedrag op de markt worden afgestraft. Links hoort vóór meer aandeelhoudermacht, concurrentie en vrije mededinging te zijn.
Natuurlijk zitten er onder aandeelhouders ‘sprinkhanen’ die voor de kortetermijnwinst gaan. Maar het verminderen van de aandeelhoudersmacht is synoniem met het bepleiten van een kapitalistische dictatuur. Het zorgt uiteindelijk voor méér opportunistisch gedrag van bedrijven, niet minder.
Alle kwalen van de markt op proberen
te lossen met ongebreideld overheidsingrijpen miskent de enorme efficiëntieverliezen die daarmee gepaard gaan, aangezien de overheid nooit alle informatie heeft om via centrale planning de economie efficiënt te organiseren. Daarnaast worden overheden zelf aangestuurd door de politiek, de kiezer. De fundamentele tekortkoming van de overheid is uiteindelijk het falen van het politieke proces: lobby- en belangengroepen, opportunistische politici en grote informatieachterstanden bij Kamerleden en kiezers. Ook hier gaat het om macht en tegenmacht. Als de macht niet wordt gecontroleerd, is overheidsingrijpen meestal erger dan marktfalen.
Altijd gaat het om checks and balances, om macht en tegenmacht. Concurrentie, mededinging en verantwoording aan aandeelhouders zijn de tegenmachten voor opportunisme in de markt. Een goed functionerend politiek systeem is de tegenmacht voor falende overheden. Een sterke markt vereist een sterke overheid, en omgekeerd. Marktordeningskwesties zijn dus veel te ingewikkeld voor ideologische zwart-wit-schema’s. Volgende week: de moraal en de markt.