TONEEL

Marokkaans geheugenpaleis

Oumi

Het verhaal kennen we voor aanvang al wel zo'n beetje, het is in de voorpubliciteit uitgebreid samengevat en gaat ongeveer als volgt. Een jonge Marokkaanse toneelspeler staat in de delen een en twee van een vierdelig toneelfeuilleton naast de acteeridolen uit zijn jongensjaren de sterren van de hemel te spelen in het personage van een Marokkaanse gastarbeider, die min of meer zijn eigen vader zou kunnen zijn. Als de tekst van de delen drie en vier ter repetitie op tafel komt, blijkt zijn karakter een gauwdief, dus ongeveer de kwadratuur van het cliché van de Marokkaan waar zelfs Wilders cum suis zich nu niet meer aan wagen. De acteur weigert de rol, stapt uit het project en raakt in crisis, ook in de relatie met zijn Marokkaanse familie, die hij een stuk slechter blijkt te kennen dan hij dacht. Met name zijn moeder, iedere moeders koosnaam Oumi, meisjesnaam Habiba, blijkt een hoop geheimen en verrassingen op de rommelzolder van haar geheugenpaleis te hebben verstopt.

De verteller is Nasrdin Dchar. Zijn verhaal is uit zijn werkelijkheid weggefabuleerd door Maria Goos. De voorstelling, effectief vormgegeven (Robin Vogel) en geregisseerd (Jaap Spijkers) heet Oumi. Iedere goede toneelschrijver exploiteert de geheimen die mensen tussen de plinten, onder krakende vloerplankieren, in kelders en linnenkasten hebben opgeborgen, met het vaste maar heilloze voornemen ze daar te laten. Zo ook Maria Goos, de vertellerskrachtpatser die alles wil weten en derhalve graag in pijnlijke open zenuwen snijdt. Tegenover de Prinzipienreiterei van haar toneelspelende protagonist Nasrdin Dchar (‘het voelde als verraad aan mijn vader’) plaatst zij een naar het leven getekende Marokkaanse vrouw uit een bergdorp, die haar man - niks afgedwongen huwelijk, de latere vader van haar kinderen was de liefde van haar leven - volgt naar Nederland met in haar bagage een paar meegesmokkelde geheimen en voor haar kinderen verborgen levensleugens. De teksten waarmee Maria Goos die geheimen en leugens om bestwil geraffineerd in het verhalentapijt van Dchar weeft, daar ligt de ware grootheid van dit stuk Oumi. Laat het me zo samenvatten: Habiba, de moeder van het personage van Dchar, wandelt heel wat onverschrokkener door haar leven dan de karikaturen over 'gewone’ Marokkaanse en Turkse vrouwen ons willen doen geloven. De verteller geeft hier, ook naar eigen zeggen, 'stem aan een generatie vrouwen van wie wij heel weinig weten’. Natuurlijk hadden we die vrouwen al ontmoet in de prachtige vertelvoorstellingen van (onder anderen) Adelheid Roosen, maar het is op z'n minst nieuw, en fris ook, om hun verhaal verteld te krijgen, bezien door de ogen van een Marokkaanse jongeman die over zijn eigen familie van de ene verbazing in de andere tuimelt.

Voorstellingen als Oumi (en het hier onlangs gesignaleerde De vader, de zoon en het heilige feest) verdienen het te worden gekoesterd. Ook omdat ze onder het regime van Rutte/Zijlstra/Wilders op den duur dreigen te verdwijnen. Immers, dergelijke projecten, waarvoor door het tijdrovende, experimentele, brutale en (op)zoekende karakter het fenomeen overheidsondersteuning-voor-kunst, ook wel subsidie geheten, ongeveer is uitgevonden, sneuvelen straks als eerste. De in Oumi tentoongespreide nieuwsgierigheid naar de drijfveren en pijn van mensen uit verre bergdorpen, die staat onder deze regering al wat langer op de nominatie om standrechtelijk geëxecuteerd te worden.

Oumi speelt nog t/m 24 april om 12.30 uur in Bellevue, Amsterdam, www.lunchtheater.nl