Marokkaanse groei zorgt voor meer daklozen

Rabat – De Marokkaanse economie groeit al geruime tijd met zo’n 4,5 procent per jaar.

Bouwprojecten schieten uit de grond, langs de kustlijn en aan randen van steden als Casablanca, Kenitra en Rabat, op plekken waar onlangs nog sloppenwijken stonden.

Dat is de reden dat Khalid Khnijer in een zwarte plastic tent woont, aan de rand van Rabat. Met achter zich een hek van metalen platen, en daar weer achter een enorm open veld waar grijze gebouwen verrijzen. In dat veld stond ooit zijn huis, onderdeel van een baraque, een krottenwijkje. ‘126 gezinnen zijn van het land gejaagd. Ons land.’ Khnijer verblijft nu met vrouw en kinderen en zo’n tien andere families in vijftien tenten.

Ze behoren tot de Guich l’Oudaya-stam. Het terrein viel tot 1919 onder de gemeenschappelijke gronden, door stammen beheerde gebieden. Vanaf 1919, nadat de Fransen Marokko koloniseerden, vielen die gronden onder het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De Guich l’Oudaya hadden echter een uitzonderingspositie; de stam kreeg het land in 1838 van sultan Moulay Abderrahmane, in ruil voor het neerleggen van de wapens. ‘Helaas is het juridische document waarin dat is vastgelegd, onvindbaar. Daardoor is de status onduidelijk’, vertelt Soraya El Kahlaoui, woordvoerster van het collectief Recht op Behuizing Marokko. Dus kon het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2003 het terrein voor het symbolische bedrag van één dirham (negen eurocent) verkopen aan een projectontwikkelaar. Jaren bleef het stil, tot 2014. Toen moesten de families alsnog hun huisjes uit, de bulldozers kwamen.

Het protestkampje dat een aantal families net buiten het terrein oprichtte, wordt regelmatig bezocht door ordediensten, zegt El Kahlaoui: ‘De bewoners worden door de politie onder druk gezet, soms worden tenten platgebrand.’

Vaak krijgen bewoners in vergelijkbare gevallen compensatie, bijvoorbeeld in de vorm van een korting op een nieuw huis. Een paar jaar terug, toen in Casablanca het gerucht ging dat bewoners van een klein krottenwijkje woningen zouden krijgen, stonden er tienduizenden mensen op de stoep. Maar in dit geval zijn de gezinnen niet gecompenseerd, volgens El Kahlaoui: ‘We weten niet waarom niet.’

Op een dinsdagmiddag in oktober staat daarom een van de bewoners voor zijn tent, met een besmeurde overall aan. ‘We wonen al anderhalf jaar op deze manier, we hebben niks.’ Behalve dan een schamel betaalde baan: hij werkt op het bouwterrein, bouwt mee aan de flats op de plek waar eens zijn huis stond.