Marokkaanse pioniers vertellen

ANNEMARIE COTTAAR, NADIA BOURAS, FATIHA LAOUIKILI
MAROKKANEN IN NEDERLAND
Meulenhoff, 208 blz., € 22,50

Op 14 mei 1969 opende Nederland officieel zijn deuren voor Marokkaanse gastarbeiders: op die dag ondertekenden Nederland en Marokko het ‘wervingsakkoord’ dat Nederlandse bedrijven in staat stelde arbeidskrachten uit Marokko te halen. Het mag inmiddels een historisch moment worden genoemd. In Rabat werd daarbij stilgestaan in de vorm van een congres over ‘veertig jaar Marokkaanse migratie naar Nederland’. En in Den Haag werd het boek Marokkanen in Nederland: De pioniers vertellen feestelijk gepresenteerd.
De auteurs, Annemarie Cottaar en Nadia Bouras, allebei verbonden aan de Universiteit van Leiden, schreven het op basis van vijftig getuigenissen van eerste-generatie-migranten. Het aardige is dat er een heel ander beeld uit naar voren treedt dan wat gewoonlijk over deze Marokkanen wordt aangenomen: dat het allemaal analfabete boeren uit de meest achtergestelde streken uit de Rif zouden zijn, slachtoffers van gewetenloze bedrijven, geronseld om in Nederland het smerigste werk op te knappen. Zo zagen die pioniers zichzelf in ieder geval niet. Het waren stoere jonge mannen die het avontuur tegemoet gingen, die een moedige stap hadden gezet om hun kinderen een betere toekomst te geven. Ze werkten hard, zeker, maar genoten ook van het leven in het vrije Nederland. ‘Jongen, we waren gewíld’, zegt een van hen in het boek.
Verder zochten veel bedrijven juist geschóólde werknemers. Kruideniersketen De Gruyter zocht vakkundige slagers, De Staatsmijnen ervaren mijnwerkers. Ook textielbedrijf Bamshoeve testte de vakbekwaamheid van de sollicitanten.
Een hardnekkig misverstand is ook dat die eerste migranten allemaal in de Rif werden geronseld, omdat Marokko van zijn lastige Riffijnen af zou willen. Uit de door Cottaar en Bouras verzamelde cijfers blijkt het tegendeel. De meeste arbeiders werden geworven in Agadir (vooral door De Staatsmijnen), in Fes (onder andere door Bamshoeve, wegens de in Fes aanwezige textielnijverheid) en in Marrakech (Staatsmijnen).
Dat van de huidige ruim 340.000 Nederlandse Marokkanen 75 procent toch zijn wortels in de Rif heeft, heeft andere oorzaken. Zo kwamen veel Marokkanen uit de Rif uit eigen beweging naar Nederland toe, onafhankelijk van de officiële werving. Dat deden ze overigens al vóór 14 mei 1969. Ook verhuisden veel Riffijnen die al in Frankrijk of België hadden gewerkt op zeker moment naar Nederland omdat de arbeidsomstandigheden er beter waren, zeker in de mijnen.
Marokkanen in Nederland doet meer vooroordelen sneuvelen. Deze eerste generatie woonde niet uitsluitend in kleine kamers, waar men in stapelbedden sliep. Sommigen werden zelfs opgenomen door Nederlandse gezinnen.
Dat deze eerste generatie nu iets zieligs aankleeft – oude mannetjes met ijsmutsen en suikerziekte, een zeer rudimentair Nederlands sprekend, gebroken door het zware werk, geen controle meer over de kinderen – daar hebben ze het zelf ook enigszins naar gemaakt. Door de negatieve beeldvorming over Marokkanen, schrijven Cottaar en Bouras, zijn ze zelf hun slachtofferschap gaan benadrukken. Op zich een logische reactie, die onder meer als gevolg heeft gehad dat veel zonen niet trots meer konden zijn op hun vaders, aangezien die in alle opzichten zouden hebben gefaald. Deze zonen zouden dit boek moeten lezen. Hoe hun vaders of grootvaders naar Europa kwamen, er (inderdaad vaak zwaar) werk vonden, en onderdak, en wat ze deden in hun vrije tijd, hoe ze zich organiseerden – het wordt allemaal beschreven, op een prettige toon. De getuigenissen van deze pioniers dwingen zelfs bewondering af.
De Nederlandse ambtenaar belast met de officiële werving in Marokko was op zijn manier óók een pionier. Hoe hij worstelt met het land, en met zijn bijna onmogelijke opdracht, wordt goed in dit boek beschreven. Overigens zou de officiële werving maar een druppel op een gloeiende plaat zijn – de meeste Marokkanen vonden hun weg naar Nederland ook zo wel – en maar vier jaar duren, maar dat was lang genoeg voor Directeur Werving Simon Evert Jongejan om aan Marokko ten onder te gaan. Dat wil zeggen: aan corruptie en aan vrouwen.
Jongejan kwam op 57-jarige leeftijd naar Casablanca en moest zijn wervingskantoor van de grond af opbouwen. Natuurlijk kreeg hij onmiddellijk te maken met Marokkanen die zó graag naar Nederland wilden dat zij daar geld voor over hadden. Niets wijst er overigens op dat Jongejan zelf gevoelig was voor corruptie, maar de 64-jarige Herman van Royen, die al dertig jaar in Marokko woonde en vloeiend Frans en Arabisch sprak en werd ingehuurd als ‘tweede man’, bleek dat wel. De Telegraaf kreeg daar lucht van en deed in een paginagroot artikel uit de doeken hoe Van Royen fors verdiende aan het verstrekken van verblijfsvergunningen aan Marokkanen, en hoe zijn baas Jongejan de zaken uit de hand had laten lopen, voornamelijk omdat hij ‘wegens affaires met Marokkaanse vrouwen’ chantabel zou zijn geworden. De auteurs behandelen deze affaire discreet, vermoedelijk om goede redenen. Het is niettemin een adembenemend hoofdstuk, en het hoort erbij, de andere kant van de medaille. Van Royen zou een gevangenisstraf van twee jaar uitzitten in Casablanca, Jongejan werd teruggehaald naar Nederland.