Media

Martelaarsmentaliteit

Even tumultueus als Pim Fortuyn met zijn leefbaarheidsbeweging tien jaar geleden bezit nam van het politieke toneel, zo abrupt is de PVV vorige week van het podium gevallen. Wilders’ ballon is geklapt en daarmee lijkt de rol van het neovolksnationalisme in Nederland voorlopig uitgespeeld.

Hier en daar wordt gesproken van opzet: Wilders zou het gemier en het geschuifel op de vierkante Haagse meters zat zijn en zijn zinnen hebben gezet op de internationale politieke arena. De beslissing de stekker uit het gedoogakkoord te trekken zou niet meer zijn dan de opmaat voor de verschijning, deze week in New York, van zijn boek Marked for Death: Islam’s War Against the West and Me.

De titel van het boek is in zekere zin omineus: hij verwijst namelijk niet alleen naar de bedreigingen waaraan Wilders nu al jaren blootstaat, maar ook, impliciet, naar wat je een martelaarsmentaliteit kunt noemen. Dat geldt in ieder geval voor de Amerikaanse publiciteitscampagne, waarin Wilders zich afficheert als een ‘politieke gevangene’, ‘verdreven uit Groot-Brittannië, verbannen uit Indonesië, beschuldigd door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, vervolgd in de rechtszaal vanwege zijn opvattingen, gedwongen onder te duiken in safe houses en voortdurend bedreigd met de dood’.

Wilders is niet de eerste die appelleert aan dit soort noties van messianisme en martelaarschap. Rond Fortuyn klonken tien jaar geleden vergelijkbare sentimenten door, gevoed door hoge verwachtingen enerzijds en diepgewortelde gevoelens van miskenning anderzijds. Dat gold niet alleen Fortuyn zelf, maar ook zijn aanhangers, die zich maatschappelijk miskend voelden in hun kwaliteiten, opvattingen en belangen – gevoelens waarvan men inderdaad door Fortuyn verlost meende te kunnen worden. Het spectaculaire succes van de beweging transformeerde deze gevoelens in euforie en triomfalisme – om ten slotte, na de moord, om te slaan in geëxalteerde bewondering en idolatrie.

In de ongekende publieke emoties rond de begrafenis en herbegrafenis was immers niet alleen sprake van verbijstering en woede: het taalgebruik was doordrenkt van religieuze en quasi-religieuze connotaties. Rond Fortuyn hing ‘een geur van heiligheid’, zoals historisch antropoloog Peter Margry in die tijd al schreef. ‘Pim’ stond voor de man die het volk de ogen geopend had, hij was een messias, een martelaar die het lot dat hem beschoren was al leek te kennen, maar niettemin zijn missie moedwillig op zich had genomen.

Uit de titel van Wilders’ boek en de publicitaire propaganda daaromheen spreekt, zoals gezegd, eenzelfde mentaliteit – een mentaliteit die, goed beschouwd, ook in Nederland een langere traditie heeft dan we geneigd zijn te denken. Met name in het katholieke milieu, waaruit Fortuyn en Wilders zijn voortgekomen, waren noties van martelaarschap tot de jaren zestig wijdverbreid en diepgeworteld. Generaties zijn opgevoed met de helden­verhalen over kruisvaarder Godfried van Bouillon, die aan het einde van de elfde eeuw onder de leuze ‘God wil het’ tegen de moslims optrok en Jeruzalem wist te veroveren; of over de duizenden Nederlandse vrijwilligers die nog maar vijf, zes generaties geleden als Zoeaven dienstnamen in het leger van de paus, ter verdediging van de kerkelijke staat tegen Garibaldi en de Italiaanse nationalisten, in wat gerust een roomse jihad mag worden genoemd.

Wilders hoefde niet ver te zoeken. Op een paar kilometer van zijn ouderlijk huis bevindt zich het Missiemuseum Steyl, waar de kleding ligt uitgestald van priesters die tijdens de Boxeropstanden door Chinezen met speren werden vermoord; de bloedsporen en de speergaten zijn duidelijk te herkennen. Daarnaast hangt een enorm schilderij waarop te zien is hoe de gruwelijke martelaarsdood werd volbracht. Een 26-jarige missionaris had kort tevoren aan zijn zuster geschreven: ‘Ik ben tot alle offers bereid, klaar zelfs om mijn leven te geven, ook al kan ik hierdoor maar enkele zielen uit de klauwen van de duivel ontrukken.’

Op deze traditie lijkt Wilders voort te borduren, poserend als moderne kruisvaarder die zijn waarheden met open vizier uitdraagt, zijn vijanden tergt en onverschrokken, met ontblote borst, de gesikkelde heiden tegemoet treedt. In de media draagt hij bouwstenen aan voor een portret dat nu al de trekken vertoont van een traditioneel heiligenleven, verwijzend naar momenten waarop hij plotseling het licht zag, bij het lezen van het boek Eurabië van Bat Ye’or, bijvoorbeeld, of tijdens de rede waarin Bush voor het eerst sprak over de As van het Kwaad: ‘Fantastisch! Precies zoals ik denk! Ik kreeg er letterlijk kippenvel van.’ Zijn leven is er een van heldere ingevingen en bittere ontberingen; eenzaam, uitgestoten door de kringen waarin hij lang verkeerde, ondervindt hij dagelijks de miskenning en de ­vernedering, maar dat alles sterkt hem in zijn geloof, in zijn strijd van leven op dood met ‘de duivel’, een kwalificatie die hij inderdaad ooit letterlijk gebruikte voor Mohammed. Het beeld, kortom, van een politieke martelaar.