De Koerdische strijd tegen IS

Martelaren sterven niet

In Arnhem komen meer dan honderd Koerden bijeen om de dood van een vrouwelijke PKK-strijder met haar familie te herdenken. Een opvallende ‘martelaar’ van de strijd tegen Islamitische Staat.

Medium koerd1

In de kantine van het Koerdisch Cultureel Centrum drinken de mannen koffie aan lange tafels. De vrouwen zitten bij elkaar in een andere ruimte van het voormalige schoolgebouw in de Arnhemse wijk Sint Marten. De scheiding is niet strikt, lijkt spontaan tot stand te zijn gekomen. Regelmatig lopen vrouwen de kantine binnen, begroeten de mannen, schudden handen, maken een praatje en lachen samen. Het is duidelijk dat de kelder niet alleen een cultureel centrum is, hij dient ook als de zetel in Arnhem van de Koerdische Arbeiders Vereniging en daarmee als officieus kantoor van de Partiya Karkerên Kurdistan, de Arbeiderspartij van Koerdistan, beter bekend onder haar acroniem: pkk.

Op de tafels staan plastic bekers en flessen frisdrank, aan de muur hangt een flatscreen met live beelden van de strijd om Kobani van de Koerdische nieuwszender Med Nûçe. Ernaast een poster van pkk-leider Abdullah Öcalan – volgens de meeste Turkse Koerden een vrijheidsstrijder en verzetsheld, volgens onder meer de Europese Unie en de Navo nog steeds de voorman van een terroristische organisatie – en een jong meisje in gevechtspak, Jiyanda Xelat. Deze nom de guerre betekent ‘het leven is een gift’, haar werkelijke naam is Leyla Biskin. Zij is de reden dat zo’n 130 Koerden uit voornamelijk Gelderland naar Arnhem zijn gekomen, dit is haar herdenking. Leyla kwam op 28 september op 24-jarige leeftijd om het leven terwijl zij de humanitaire corridor naar de duizenden gevluchte yezidi’s op Mount Sinjar verdedigde tegen de aanvallen van de jihadi’s van Islamitische Staat.

De Koerden in het cultureel centrum verplaatsen zich naar de belangrijkste ruimte in de kelder: de _Sehîd-_kamer. Aan de muren hangen portretten van tientallen ‘martelaren’, pkk-strijders die in de afgelopen decennia zijn gesneuveld in de strijd tegen de Turkse staat. De martelarenkamer barst bijna uit zijn voegen, niet iedereen vindt een zitplaats. Drie verse portretten staan tegenover de aanwezigen: het zijn Leyla en twee mannelijke strijders die bij dezelfde aanval zijn gedood. Op de foto’s staan hun naam, nom de guerre, geboorteplaats en de plek waar zij zijn gesneuveld: Sengal, de Koerdische naam voor Sinjar.

Aan een tafel, gedrapeerd met de rode pkk-vlag, zitten vier mannen en een vrouw. Eén voor één staan zij op en vertellen in het Koerdisch over de strijd van hun volk tegen de Turkse overheersing, de dictatuur van Saddam Hoessein in Irak en nu tegen de moordzucht van de IS-extremisten. Het woord Sehîd, martelaar, valt vaak, net als plicht, opoffering en trots. Een van de sprekers is Eyup Biskin, Leyla’s oudere broer die vanuit zijn woonplaats Kassel in Duitsland naar de herdenking is gekomen. Hij spreekt op zachte toon over zijn zusje: ‘Zonder onze martelaren zou het Koerdische volk niet bestaan, zou het woord “Koerd” niet eens bestaan.’

Als laatste neemt een in het zwart geklede vrouw het woord, zij lijkt sprekend op Leyla. Emine Biskin, sinds 1998 in Nederland, houdt het kort: ‘Ik sta hier met opgeheven hoofd, trots op het offer van mijn zus, Sehîd Leyla.’ Alle aanwezigen staan op en scanderen: ‘Biyî Serok Apo’, leve Oom President, de bijnaam van Abdullah Öcalan. De president zelf kijkt neer op het tafereel vanaf een zwart-witfoto boven de tafel van de sprekers. ‘Sehîd namirin’, roepen de Koerden met gebalde vuist: martelaren sterven niet.

Na de ceremonie wordt er gegeten: schapenvlees met gekruide rijst. Behalve Eyup en Emine blijkt geen van de aanwezigen Leyla persoonlijk te hebben gekend. Sterker nog, de meesten ontmoeten zelfs haar zus vandaag voor het eerst. De 26-jarige Cayde Önen kent Leyla noch Emine. Toch is zij vanuit Eindhoven naar de herdenking gereisd. ‘Zij heeft gedaan wat ik wil doen maar niet kan, de mensen daar helpen’, legt ze uit. ‘Veel Koerdische jongeren in Nederland spelen met dezelfde gedachte, er schijnen er al naar het strijdgebied te zijn afgereisd, sommigen zelfs om te vechten. Leyla heeft met haar berxwedan, haar strijd, duizenden mensen geholpen. Zolang ik dat zelf niet doe, is hier vandaag aanwezig zijn het minste dat ik voor haar en haar familie kan doen.’ Ook in Kassel zijn vierhonderd Koerden op de door Eyup georganiseerde herdenking af gekomen.

Medium koerd2
‘Leyla wilde nooit het klassieke leven van een huisvrouw leiden, zoals de vrouwen om haar heen’

In de bestuurskamer van het cultureel centrum zitten Emine (37) en Eyup (34) Biskin onder een surrealistisch aandoende rij afbeeldingen: een foto van de koninginnen Beatrix en Juliana, een rood-wit-blauwe vlag met Willem-Alexander en Máxima erop, het onvermijdelijke portret van Abdullah Öcalan en een pkk-kalender. De maand oktober wordt verbeeld door een jonge Koerdische strijder die een DShK, een zwaar Russisch machinegeweer, bedient. Verder is alles in de bestuurskamer in de Koerdische kleuren, zelfs de ordnermappen zijn uitsluitend groen, geel en rood. Eyub is in 1995 vanuit Turkije naar Duitsland gevlucht, Emine drie jaar later naar Nederland. In Arnhem woont zij met haar man en vier kinderen.

Broer en zus willen graag vertellen over het leven en de vroegtijdige dood van hun Leyla. De op één na jongste telg van de familie Biskin (vier zussen, twee broers) droomde van een andere toekomst, buiten de voorspelbare paden die van jongst af aan zijn gebaand voor vrouwen op het Koerdische platteland. Leyla groeide op in Hezex, Idil in het Turks, een slaperig stadje aan de Turks-Syrische grens. Zij toonde al jong belangstelling voor politiek en voor Koerdische cultuur. Waar de meeste meisjes van haar leeftijd zich bezig hielden met mode en popmuziek, droeg Leyla camouflagekleding en luisterde naar dengbêj, de typisch melancholische volksmuziek die bij gebrek aan een geschreven historie de rol van kroniek van de Koerdische geschiedenis vervult.

Eyup Biskin zag zijn zus vijf weken in 2011 toen hij Hezex bezocht. In zijn afwezigheid was Leyla opgegroeid tot een zelfbewuste jonge vrouw met een scherp gevoel voor humor, extravert en populair. Ze hielp bejaarde buren bij het koken en boodschappen doen en studeerde voor kleuterjuf. Het viel hem op hoe open en vrij zij was in de omgang. Leyla maakte hierin geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, zij stoeide met Eyup, iets wat niet wordt verwacht van een Koerdische jonge vrouw. Bij het vertrek wilde ze hem een blijvende herinnering geven en beet hem hard in zijn wang ‘Opdat je mij niet vergeet.’ Het was de laatste keer dat broer en zus elkaar zagen.

Op 5 juli van vorig jaar was Leyla opeens verdwenen, moeder Safya vond ’s ochtends een afscheidsbrief op tafel. ‘Ik heb mij aangesloten bij mijn hevalan. Zoek mij niet, het gaat mij goed. Jullie weten waar ik ben.’ Het woord ‘heval’ betekent gewoon vriend of kameraad, maar de familie begreep meteen dat zij zich bij de pkk had aangesloten. Leyla’s beslissing kwam als een schok voor haar familie, zij had de voorbereidingen strikt geheim gehouden. Toch, terugkijkend, geeft Emine toe dat de signalen er al waren: ‘Toen Leyla nog een kind was, liep zij met een vriendinnetje van school naar huis, de twee spraken Koerdisch met elkaar. De dorpswachter hoorde dat, pakte ze bij de haren en sloeg de twee meisjes met de hoofden tegen elkaar.’ Dit soort dagelijkse onderdrukking van taal en cultuur leidt onherroepelijk tot zwartgallige humor. In zijn recente film Asasiz Musa beschrijft filmmaker Aydin Orak hoe een Koerd, omdat hij zijn taal niet mag spreken, overgaat op fluiten. Waarop een ander zegt: ‘Stop daarmee, Koerdisch fluiten is verboden!’

Emine vertelt hoe Leyla naar de middelbare school ging met een afbeelding van Abdullah Öcalan aan een ketting om haar hals. Dit mocht niet van de lerares, waarop zij antwoordde: ‘Waarom niet, u heeft toch ook een portret van Atatürk aan de muur?’ Tijdens Newroz, het Koerdische nieuwjaarsfeest, droeg Leyla een uniform van de gerilla. Emine: ‘De kinderen op straat vroegen of zij een echte heval was en wilden met haar op de foto. Leyla genoot ervan.’

Toch waren Leyla’s motieven niet uitsluitend van politieke aard. ‘Leyla wilde nooit het klassieke leven van een huisvrouw leiden, zoals de meeste vrouwen om haar heen. Het huis was te klein voor haar’, vertelt Emine. ‘Hezex was te klein voor haar’, vult Eyup aan. De gerilla bood een uitweg, een ontsnappingsmogelijkheid aan de scherpe sociale controle voor een idealistische jonge vrouw die meer zocht dan het moederschap. Bij de pkk kon Leyla haar taal spreken, naar haar muziek luisteren, was zij als vrouw gelijkwaardig, kon zij zichzelf zijn. Emine: ‘De Koerdische vrouw leeft onder een drievoudige druk: van haar eigen familie, van de familie van haar man en onder de druk van de Turkse staat. Leyla begreep dit en om zich eraan te ontworstelen, vertrok zij.’

Het is een paradox binnen de Koerdische cultuur. Huwelijksdwang, eerwraak en vrouwenbesnijdenis zijn grote problemen binnen de conservatieve Koerdische clanstructuur. Tegelijkertijd is er geen volk in het Midden-Oosten – met uitzondering van de joden in Israël – waarbinnen zo sterk wordt gestreefd naar gelijkheid en gelijkwaardigheid van man en vrouw. En nergens is dit streven zo duidelijk als binnen de pkk. Ondanks het feit dat het hogere kader van de partij voornamelijk uit mannen bestaat, werd al in de vroege jaren negentig geschat dat dertig procent van de strijdmacht uit vrouwen bestond. En Turks-Koerdische families waarbinnen een risico op eerwraak dreigt te ontstaan, kunnen bezoek verwachten van pkk-leden met een duidelijke boodschap: doe het niet.

‘Op een schouder draag ik het verdriet, de pijn van het verlies van Leyla. Op mijn andere draag ik de trots’

‘Ze voelde zich thuis, veilig bij gelijkgestemden, bij haar kameraden’, vertelt Eyup. Maar die veiligheid bleek schijn. Nog geen jaar na haar vertrek uit het ouderlijk huis om, zoals de Turkse acteur Kadir Inanır het verwoordt, haar ‘kussen in te ruilen voor een koude steen’ liep een andere strijdmacht, ook bestaand uit jonge vrijwilligers, het westen van Irak onder de voet: Islamitische Staat. Leyla was op dat moment hoogstwaarschijnlijk ook in Irak, waar de pkk zijn militaire hoofdkwartier en trainingskampen heeft in het noordelijk Qandil-gebergte. Het leek slechts een kwestie van tijd voor de pkk-strijders hun Iraaks-Koerdische wapenbroeders van de peshmerga te hulp zouden snellen in de strijd tegen IS. En al zijn er ongetwijfeld overeenkomsten tussen pkk-vrijwilligers en de jihadisten van Islamitische Staat (beide bewegingen duiden hun gevallen strijders met dezelfde term aan – het Koerdische Sehîd tegenover het Arabische Shahid – of omdat recent is gebleken dat ook Koerdische eenheden IS-krijgsgevangenen executeren), ideologisch is een groter verschil tussen twee organisaties nauwelijks denkbaar. Het extreme salafisme van de jihadi’s tegenover het seculiere marxisme van de pkk’ers. Het streven naar een puur soennitisch kalifaat zonder ruimte voor andersdenkenden en -gelovigen van IS versus de pkk waarin ruimte is voor moslims, christenen en zelfs atheïsten. En natuurlijk de ongebreidelde vrouwenhaat van de jihadisten tegenover het geloof in gelijkheid tussen de seksen dat nu juist een jonge, moderne vrouw als Leyla zo aansprak.

Medium koerd3

Op de berg Sinjar hadden in september duizenden yezidi’s – vooral ouderen, vrouwen en kinderen – een veilig heenkomen gezocht voor de oprukkende IS-extremisten. Islamitische Staat omsingelde de berg, een massamoord dreigde. Koerdische peshmerga-strijders, gesteund door pkk-vrijwilligers, voerden een aanval uit op de linies van Islamitische Staat en slaagden erin een humanitaire corridor naar de berg te openen. Eén van die vrijwilligers was Leyla Biskin. ‘Nog voor de Amerikanen ingrepen, begreep Leyla dat er een genocide dreigde in Sinjar’, vertelt haar broer Eyup, ‘de yezidi’s zijn 72 maal uitgemoord [in de achttiende en negentiende eeuw], zij wilde voorkomen dat daar een 73ste keer bijkwam en handelde daarnaar.’

In de nacht van 28 september voerden de jihadi’s een aanval uit op de door de Koerden verdedigde corridor naar Sinjar. De volgende ochtend was Leyla dood, net als twee van haar hevalan. Bij de berg, waarvan de Koerdische naam Sengal luidt, ligt zij begraven, waar precies weten Eyup en Emine niet. Ooit, als zij is herbegraven in Hezex, wil Emine haar zusje bezoeken. ‘Inshallah’, zegt zij, terwijl zij een papieren zakdoekje naar haar ogen brengt.

Verdriet en trots, de twee emoties strijden bij Eyup en Emine om de overhand. ‘Op een schouder draag ik het verdriet, de pijn van het verlies. Op mijn andere draag ik de trots’, verwoordt Emine haar gevoelens. De gevoelens bestaan parallel aan elkaar, zegt Eyup: ‘Iets waardevollers dan Leyla’s opoffering is er niet, zij is de kroon op ons hoofd.’ Emine voegt eraan toe: ‘Als haar offer het niet waard was geweest, denk je dan dat al deze mensen hier vandaag naartoe waren gekomen?’ Toch lijkt zij niet helemaal zeker: ‘Leyla is voor ons leheng, een held, maar natuurlijk wilde ik dat zij gewoon zou trouwen en kinderen zou krijgen en dat wij samen konden zijn zoals ik dat met mijn broer ben. Maar zij heeft haar eigen weg gekozen, zij heeft ervoor gekozen vrouwen te helpen die door Islamitische Staat worden ontvoerd en als slaven verkocht. Dat zij voor hen is gestorven, vervult mij met trots.’ Dan, aarzelend: ‘Er is geen inkt genoeg om Leyla helemaal te beschrijven.’

Het verlies is het grootst voor hun moeder, beseffen broer en zus. ‘Leyla woonde tot haar 23ste bij haar in huis’, vertelt Emine, ‘nu is het net of zij haar beste vriendin heeft verloren’. Eyup herinnert zich: ‘Ik had mijn moeder die dag net gesproken en alles was in orde. Toen zij al een half uur later terugbelde, voelde ik dat er iets mis was. Ik ben toen direct naar Hezex afgereisd. Daar aangekomen, oog in oog met dat verdriet, dat was het moment dat woorden hun betekenis verloren.’ Als Emine nu met haar moeder aan de telefoon spreekt, zegt moeder tegen Leyla’s foto: ‘Emine doet je de groeten.’ Zelf betrapt Emine zich er dagelijks op dat zij tegen haar zusje praat: ‘Haar foto staat in de kamer. Elke keer dat ik haar zie, zegt zij tegen mij: “Ik ben bij je.” Voor ons leeft zij voort. Bij onze dagelijkse bezigheden is zij altijd aanwezig. Niet fysiek natuurlijk, maar wel in onze dromen.’ Het is niet verwonderlijk, immers: Sehîd namirin, martelaren sterven niet.


De Koerden

Wereldwijd wordt het aantal Koerden geschat op 30 tot 35 miljoen, verdeeld over Turkije (14-20 miljoen, ruwweg 20 procent van de bevolking), Iran (7 miljoen, 10 procent), Irak (6,5 miljoen, 15-20 procent), Syrië (2-3 miljoen, 15 procent) en 1,5 miljoen in de Koerdische diaspora. Meer dan de helft van de laatste groep leeft in Duitsland. Nederland telt ongeveer 100.000 inwoners van Koerdische afkomst, van wie naar schatting tweederde zijn wortels in Turkije heeft.

In Turkije werden de Koerden onderdrukt onder de Ottomanen en later door de centrale regering in Ankara. Het volk werd niet als zodanig erkend, de overheid gebruikte eufemismen als ‘Bergturken’ of ‘Oostturken’ om het aan te duiden. De Koerdische taal mocht niet in het openbaar worden gesproken, uitingen van cultuur werden bestraft, het geven van Koerdische namen aan kinderen was verboden en van regionale of etnische autonomie was al helemaal geen sprake. Na een serie van opstanden in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw nam in 1984 de PKK de wapens op, wat leidde tot een afscheidingsoorlog met meer dan 40.000 doden, de overgrote meerderheid Koerden. In Irak hebben de Koerden sinds de val van dictator Saddam Hoessein een verregaande autonomie ten opzichte van de centrale regering in Bagdad. Naast het Arabisch is Koerdisch de officiële taal van Irak. De autonome Koerdische regio is een parlementaire democratie, vanuit de hoofdstad Erbil geleid door president Masoud Barzani. De Koerden hebben hun eigen leger, de peshmerga (‘zij die de dood confronteren’), dat op dit moment een van de weinige effectieve eenheden is in de strijd tegen Islamitische Staat in Irak.

De Koerden in Syrië zijn nominaal neutraal in de burgeroorlog tussen het regime van president Assad en de verschillende milities die hem bestrijden. In sommige plaatsen, zoals Kobani, werken zij samen met gematigde rebellen tegen de jihadisten van IS, in andere vechten de Koerdische Zelfverdedigingseenheden (YPG) zij aan zij met het regeringsleger. De belangrijkste Syrisch-Koerdische politieke beweging, de naar autonomie strevende Democratische Eenheidspartij of PYD en de YPG hebben sterke banden met de PKK.


Beeld: (1) PKK -strijdsters vechten tegen IS bij de berg Makhmur bij Mosul, Irak, augustus 2014 (Ahmad Al-Ru baye / AFP / Getty Images). (2) Leyla Biskin, gedood bij de verdediging van Mount Sinjar. (3) Leyla Biskin (l) met haar moeder en een medestrijdster.