Hoofdcommentaar

Martelende gesprekken

Tijdens de Koude Oorlog was het een overzichtelijke baan. Tegenwoordig is het geen sinecure om minister van Defensie te zijn. Zowel Joris Voorhoeve als Frank de Grave had grote problemen. Srebrenica speelde hun parten. De top van de landmacht bracht de minister niet op de hoogte van wat ze wist, terwijl de minister daarvoor wel de verantwoordelijkheid droeg. Het was De Grave die uiteindelijk korte metten maakte met de zwijgcultuur op Defensie. De huidige minister Henk Kamp heeft vervolgens een straffe reorganisatie doorgevoerd in de staven die de krijgsmacht ook op managementniveau beter geschikt maakt voor haar moderne, expeditionaire taak. Daarmee lijkt nu de tijd van reorganisatie voorbij. We kunnen aan de slag.

Kamp heeft het imago van een harde werker. Hij staat vroeg op, is voor dag en dauw op kantoor en verlaat het departement vaak als een der laatsten. Onder zijn leiding vonden belangrijke missies plaats in Irak en Afghanistan. Uruzgan is de vierde Afghaanse missie waarvan de politieke verantwoordelijkheid ligt bij deze minister. In zijn veelvuldige media-optredens presenteert Kamp zich als recht door zee. Geen politieke prietpraat, gewoon zeggen waar het op staat. Dat deed hij ook toen hij nog woordvoerder was van de vvd-fractie en zich regelmatig liet interviewen over vreemdelingenbeleid. Kamp was dan hard en scherp en wilde de zaken niet mooier voordoen dan ze waren. Het leverde hem veel afgrijzen op van links. Maar terugkijkend blijkt dat wat Kamp toen te berde bracht nu gesneden koek is voor de meeste progressieve partijen.

Maar recht door zee gaan als politiek verantwoordelijke op het ministerie van Defensie is een stuk lastiger dan als kamerlid of minister van Vrom, een post die hij bijna een jaar bekleedde in het eerste kabinet-Balkenende. Wie zich bezighoudt met internationale politiek en oorlogvoering weet: hoge heren kunnen nog zoveel bedenken vanuit de leunstoel, in laatste instantie is het de situatie op de grond die de gang der dingen dicteert.

Eén keer voer Kamp een zwabberkoers. Voordat Nederlandse commando’s naar de Afghaanse provincie werden uitgezonden in het kader van de Amerikaanse operatie Enduring Freedom werd stevig gedebatteerd over de behandeling en overdracht van gevangenen. Aangezien de Amerikanen martelden, kon er geen overdracht aan hen plaatsvinden. Toen de missie eenmaal beëindigd was, bleek dat door Nederlands optreden wel degelijk Afghanen in de gevangenis op de vliegbasis Bagram terecht waren gekomen. Eerder werden daar door Amerikaanse bewakers twee gevangenen doodgemarteld. Volgens Kamp was er echter geen sprake geweest van ‘overdracht’ omdat de Nederlanders niemand hadden gearresteerd. Dat deden Amerikanen die meereisden met de patrouilles van de Nederlandse special forces. Het was een definitiekwestie die de minister cynisch uitspeelde. De situatie op de grond in Kandahar dicteerde zijn politieke optreden: de special forces hadden goede redenen om de gewapende mannen die ze aantroffen niet zomaar te laten gaan.

Nu wordt de minister opnieuw geconfronteerd met situaties die ver af staan van de politieke discussies in Den Haag. Allereerst is daar Irak. Afgelopen week onthulde de Volkskrant dat in 2003 vijftien Iraakse gevangenen hardhandig waren verhoord door functionarissen van de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst. Ze werden vier dagen vastgehouden, natgespoten of -gegooid (daarover wordt nog gesteggeld) om hen wakker te houden en blootgesteld aan fel licht en hard geluid. Dat zijn methoden die volgens internationaal recht verboden zijn. Bovendien moesten de Nederlanders hun gevangenen zo snel mogelijk overdragen aan de Britten of de Irakezen en waren zij niet gerechtigd gevangenen te verhoren. Defensie spreekt inmiddels niet meer van ‘verhoren’ (die hadden immers nooit mogen plaatsvinden) maar van ‘gesprekken’.

Opvallend is dat de minister hiervan geweten heeft. Van een doofpot is geen sprake. Hij werd op de hoogte gesteld door chef-defensiestaf Kroon. Hij wist ook dat de marechaussee een onderzoek instelde. Daaruit bleken geen strafbare feiten. Pas deze week hoorde Kamp dat ook het openbaar ministerie de zaak had onderzocht en besloot niet tot vervolging over te gaan. Formeel gesproken heeft de minister niets verkeerd gedaan. Maar gezien de gevoeligheid van de zaak – het gaat hier om marteling – zou het recht door zee zijn geweest als hij de kwestie in de openbaarheid had gebracht.

En dan zijn er de Nederlandse commando’s in Uruzgan. Afgelopen maandag werd over hen een documentaire uitgezonden van Vik Franke, waarin duidelijk naar voren kwam dat zij het gevoel hebben aan handen en voeten gebonden te zijn, terwijl het in hun gebied wemelt van de Taliban-strijders. Een Amerikaanse commando reisde met hen mee tijdens operaties. Wat deed hij daar? De commando’s waren het zat achter de feiten aan te lopen en popelden om het gevecht aan te gaan. Ze probeerden het zelfs uit te lokken. Dat strookt niet met het beleid om terughoudend op te treden in Uruzgan. Dat beleid wordt bekritiseerd door overige Navo-leden, maar het is goed doordacht. Defensie houdt het erop dat zestig procent van de Taliban-strijders in de provincie wordt gevormd door mannen die niet bloedfanatiek zijn, maar slechts vechten voor wat geld. Zij zijn los te weken van de echte jihadi’s. Hen doden betekent de families tegen je krijgen, voor wie we juist zijn gekomen. Ook nu schaden de feiten op de grond de minister, want het uitlokken van gevechten is in strijd met wat hij de Kamer beloofde.

De krijgsmacht is de laatste jaren van groot belang geworden voor de Nederlandse rol op het wereldtoneel. Daarmee is het gewicht van het ambt van de minister van Defensie gegroeid. Nog even en Kamp is minister-af. Het zou hem sieren als hij ook na de verkiezingen zijn adagium gestand zou doen. Daarbij hoort het behouden van de niet-agressieve Dutch approach in Uruzgan. En natuurlijk het voeren van een eerlijk debat over de ontsporingen in Irak met de nieuwe Tweede Kamer. Zonder woordspelletjes. Dat debat behoort niet te gaan over de positie van de minister, maar over het behoud van de rol van Nederland als hoeder van het internationale recht.