Marten Toonder en de politiek

Marten Toonder (1912-2005)

Marten Toonder bezondigde zich niet aan politieke boodschappen. Er is één uitzondering: in 1951 parodieerde hij de minister van Financiën Pieter Lieftinck.

Marten Toonder, vorige week op 93-jarige leeftijd in Laren overleden, heeft in zijn tussen 1946 en 1986 verschenen verhalen en tekeningen veertig jaar geschiedenis vastgelegd. Ook al schiep zijn verbeelding een dikwijls wat bizarre wereld met opmerkelijke anachronismen, het hele werk getuigt achteraf gezien van een treffende actualiteit. Tom Poes en Ollie B. Bommel misstonden beslist niet in een dagblad.

Toch is Toonder nooit erg uitbundig geweest over een in de krant zo voor de hand liggend onderwerp als de politiek. Wat hij erover te zeggen had, behield altijd een wat zijdelings karakter. Hij ging er waarschijnlijk van uit dat zijn lezertjes goede verstaanders waren maar, net als hij, het liefst buitenstaanders bleven.

Er is één uitzondering: het tussen 29 augustus en 25 oktober 1951 in NRC Handelsblad en de Volkskrant verschenen verhaal Heer Bommel en de kneep van Knipmenis, dat een duidelijke politieke boodschap bevatte. Bommels tegenspeler als hoofdpersoon is Lieven Knipmenis (laten we meteen afspreken dat de klemtoon op de eerste lettergreep van de achternaam ligt; dan is de symbolische betekenis van de naam ook duidelijk). Knipmenis is ook geen dier als de meeste personen in de Bommel-strip, maar een man, die een treffende gelijkenis toont met Pieter Lieftinck, tussen 1945 en 1952 een van de opmerkelijkste ministers van Finan ciën die ons land gekend heeft en nog volop in functie toen het verhaal in de krant stond.

De strip is merkwaardig genoeg niet opgenomen in de verzamelde Bommel-strips en maar één keer herdrukt in een lorrig, duidelijk nog op kinderen ge richt oblong-formaat. Zelfs de uitgever kan geen exemplaar uit zijn archief tonen. De strip vormt een witte vlek in het in de bibliotheken aanwezige oeu vre van Toonder. Dat lot is niet alleen verklaarbaar uit het verhaal. Heer Bommel en de kneep van Knipmenis mag dan voor de orthodoxe bommeliaan niet het hoogtepunt vormen in de reeks Bommel-verhalen, het is ook duidelijk dat Toonder afstand genomen had van wat hij hier zijn lezertjes als nauwelijks verhulde politieke boodschap had voorgehouden.

Toen ik eens bij Toonder informeerde of ook dit verhaal geen herdruk verdiende in een van die prachtedities die juist bezig waren te verschijnen, liet hij duidelijk merken dat hij er niets meer van wilde weten. Er was een gevoelige snaar geraakt. Hier was kennelijk sprake van een betreurde poli tieke zonde.

Natuurlijk was spijt Toonders goed recht en ook zijn erfgenamen zullen zijn opvatting in hun overwegingen moeten betrekken als er gesproken wordt over de mogelijkheid van een nieuwe uitgave. Maar de drukpers is niet terug te draaien en de geschiedschrijvers van de jaren vijftig (en niet te vergeten de biografen van Lieftinck) mogen dit tijdsdocument niet onopgemerkt laten liggen. Het gaat om een treffende illustratie van een Koude-Oorlog-discussie, meer in het bijzonder over de kosten van de defensie, die in het begin van de jaren vijftig in Nederland woedde.

Er waren in de wereld – en als afspiegeling daarvan ook in Nederland – op dat ogenblik drie partijen: de nog maar net opgerichte Navo, de tegenhanger het Warschau Pact en de neutrale landen terzijde van die twee, de Derde Weg zoals die werd genoemd (en die bewandeld werd door «derdeweggers»). Die Derde Weg kreeg in Nederland stem en gestalte in De Groene Amsterdammer met als hoofdrol spelers mr. R.H. Dijkstra en mr. S. Da vids en in maandblad De Nieuwe Stem onder redactie van de Amsterdamse hoog leraren H. J. Pos, J. M. Romein, W. F. Wertheim en N. A. Donkersloot (ook bekend als de dichter Anthonie Donker).

Deze stroming had het onmiskenbare talent om grote woede bij de tegenstanders op te roepen. «Liever een halve straaljager dan een heel toneelgezelschap», riep in die dagen VVD-senator Harm van Riel op een debatavond in het Haagse Pulchri. Een sociaal-democraat met haar op de tanden als Simon Carmiggelt reageerde in dichtvorm op het proza van de Amsterdamse hoog leraren:

De vrijheid, ach die is maar relatief.

Dat zegt mijn vriend. Hij kan het weten,

Want hij heeft boekenkasten leeggevreten.

om dan plotseling uit te vallen:

De vrijheid – och, dat raadsel valt wel mee.

Zal ik het je eens op een briefje geven?

’t Is zonder vrees voor de politie leven

en hardop praten in een vol café.

De vrijheid is, als op het stil verraad

van louche proffen en humane heren,

die onze weerstand zalvend wegmasseren,

in dit beschaafde land geen celstraf staat.

In die discussie koos Toonder partij. Hij vertelt in Heer Bommel en de kneep van Knipmenis hoe de geruchten van rovers en roversbenden slot Bommelstein bereiken, hoe Bommels poging zijn pachters te mobiliseren mislukt («hier staan we, op de grond van onze vaderen») en hoe daarna de sluwe Lieven Knipmenis om geld, have en goed te verdedigen een professioneel leger (weliswaar onder bevel van Wammes Waggel) in het leven roept met allerlei wapentuig (stormrammen, zijdgeweren, lepelblijden – we zijn opeens in de Middeleeuwen) en een hechte muur om Bommelstein.

Dat Bommel voor de financiering van dit alles zijn meubilair en kunst collectie moet verkopen en in een leeg slot komt te zitten, met luiken voor de ramen en een tot kantine omgebouwde keuken waarin Joost slechts hutspot kookt, dat is een logica waarvan de absurditeit pas laat bij Bommel doordringt, uiteraard na een beslissend zetje van dat ettertje Tom Poes.

Knipmenis is in dit verhaal niet eens zozeer de boze genius als wel een moreel neutrale, zij het wat kortzichtige technocraat. Maar de tijdgenoten konden er niet aan twijfelen: de figuur was geënt op de dagelijks in de krant figurerende minister Lieftinck.

Dat was in de politieke karaktertekening van die dagen vreemd. Lieftinck was in de jaren in Nederland erg populair. Hij was onbegrepen in de finesses waarmee hij na de oorlog in korte tijd de geldcirculatie in Nederland weer op gang had gebracht, maar misschien juist daarom zo bewonderd als enerzijds de magiër en anderzijds de wat strenge, maar ook onbegrijpelijk wijze vader met de hand op de knip. Voor de wat nauwkeuriger waarnemers was hij niet de grote politieke boeman of de politieke manipulator van wie Toonder opeens een nauwelijks vertekende karikatuur schetste.

Als bijdrage tot de verdieping van de kennis over Bommels handel en wandel is Heer Bommel en de kneep van Knipmenis marginaal en als politiek pamflet gedateerd. Een herdruk zou het voor de onbevangen lezers van nu dan ook niet zonder inleiding of voetnoten kunnen stellen, vrees ik. Maar als bijdrage tot de kennis van de schepper van dit alles, Marten Toonder, is het onovertroffen. Ik heb in elk geval grote bewondering voor een man die in 1951 commissaris Bulle Bas en brigadier Snuf overwegingen om de bezetting van Bommelstein te beëindigen in de mond legt die nadien ook menigmaal op het Amsterdamse stadhuis geklonken zullen hebben.

En over welke voorspellende geest beschik je als je in 1951 al anticipeert op de Berlijnse Muur (die pas in 1961 werkelijkheid werd) en de discussie over de schuldvraag weergeeft («Heer Ollie riep dat hij de schuld van alles was omdat hij de rover door het bouwen van een muur gesard had en de hoofdman riep, dat hij een slechte rover was die het bouwen van een muur had uitgelokt»)? Zo’n man had toch al lang politiek analyticus of commentator bij een dagblad of De Groene Amsterdammer moeten zijn?