CHristine D’haen

Martha en Maria

Christine D’haen weigert naar buiten te treden anders dan door haar werk. In haar autobiografische notities zijn aanwijzingen te vinden over wie de dichteres is.

Ze geeft geen interviews meer. Alles wat de dichter van zijn werk af houdt, is slecht. Bovendien is promotie de taal van de commerciële mensen. ‘In onze tijd heerst de reclame en haar bedrog. Dat is fataal. Ook voor de poëzie.’ Aldus Christine D’haen, die zich de laatste keer door de Vlaamse journaliste Margot Vanderstraeten liet overhalen om zich per brief tot haar te verhouden (De Morgen, 21 november 2007). Met de nominatie voor de VSB Poëzieprijs van haar bundel Innisfree ziet zij zich opnieuw geconfronteerd met aandacht waarop ze niet zit te wachten. En dus: geen interview, geen foto.

D’haens weigering anders dan door haar proza en poëzie naar buiten te treden, past bij de aard van haar werk en haar opvatting over poëzie. Poëzie is naar haar mening geen spontane uiting, maar net als muziek of tekenkunst een cultuuruiting die je alleen door inspanningen en nog meer inspanningen kunt verwerven. Naar eigen zeggen is haar werk hermetisch en raadselachtig, wat iets anders is dan ontoegankelijk. Om de betekenis van symbolen, de referenties aan historische figuren en mythes te kunnen begrijpen, moet je moeite doen. Om haar lezers te helpen voegt D’haen achter in haar bundels, en zo ook in Innisfree, verklarende aantekeningen toe. Al relativeert ze dit ook weer, zoals in haar aantekening bij het gedicht Ab ovo: ‘Het gedicht is een collage van vertaalde of aangepaste verzen uit Engelse gedichten, in chronologische volgorde. Het gedicht is mooier als de lezer weet in welke context die verzen staan. Maar ook zonder die kennis kan hij door zijn verbeelding een waas van betekenissen scheppen met een bijzondere, meditatieve sfeer.’ Tegenover Vanderstraeten verklaarde D’haen dat haar werk bestaat in wat de Franse socioloog en filosoof Edgar Morin de ‘noösfeer’ noemt: de wereld van het imaginaire, de mythes, de goden, de ideeën.

De hermetische aard van haar poëzie maakt des te nieuwsgieriger naar de autobiografische notities die D’haen sinds ruim vijftien jaar met enige regelmaat publiceert, en die werden gebundeld in Uitgespaard zelfportret (2004). Werpt dit werk, dat een van de origineelste autobiografieën in de Nederlandse literatuur werd genoemd, een verhelderend licht op haar poëzie, geeft het een antwoord op de vraag wie Christine D’haen is?

Misschien toch vragen van zo niet een commercieel mens, dan toch wel van een boertige geest. Haar autobiografie is vooral het verhaal van de vervulling van een roeping. Al vroeg is ze doordrongen van het verlangen dichter te worden, het soort dichter waarvoor studie vereist is. In haar eerste prozawerk, Zwarte sneeuw (1989), schrijft ze: ‘Ik ging op mijn vaders bureau een versje leren dat ik voor mijn moeder op zou zeggen. Door dat rijmend vers kon ik mijn vader en moeder behagen.’ De behaagzucht maakt plaats voor innerlijke noodzaak. In Een paal, een steen (1996) beschrijft ze haar groeiende existentiële eenzaamheid: ‘Kafka had een obsessionele relatie met zijn vader, Proust met zijn moeder. Ik bestond alleen temidden van zes mensen, met Liefde en Gedichten.’ Ze verlangt ernaar, los van alle bindingen, tot een loutere Ideeënwereld te behoren: ‘Ik verliet de voorstad, het huis, mijn ouders en jonge zussen, ik nam mijn koffertje, ik ging naar de hoofdstad en daarna naar een vreemd land.’

Voordat ze daadwerkelijk iets op papier zal zetten, overdenkt D’haen hoe haar bijdrage eruit zal moeten zien en wat voor soort dichteres ze zal zijn: ‘Martha en Maria van het gedicht zou ik zijn, de werkende dienares en de luisterende zienares.’ Het zal haar taak zijn om de voorvaderen in haar werk herboren te laten worden: ‘Het gedicht dat ik zou maken kon niet lijken op de andere contemporaine, het kon niet passen in de enge korte tijd van nu; dat nog nooit geziene gedicht zou al het oude in zich bevatten. Het moest het oude ontwikkelen, er de consequenties uit afleiden, erop variëren en ook verbeteren, de fouten herstellen, vormen vormen uit vormen.’ Programmatische woorden die, in het licht van D’haens klassieke oeuvre bezien, geheel bewaarheid zijn geworden.

In Edinburgh volgt ze een leerschool in de poëzie, samen met andere aspirant-dichters die zich in haar ogen verliezen in een teveel aan adjectieven. Ze dicht in het Engels, het Frans, het Duits. Alles beter dan ‘dat arme, klankloze Nederlands’. Het referentiekader van D’haen is van meet af aan opmerkelijk ‘groots’: Michelangelo, Hölderlin, Plato, zij bevolken haar universum en vormen de maat der dingen. Helaas vereist het dagelijks leven enige broodwinning: ‘Hoe kan ik echter, die elk moment moet luisteren of mij de Muze bezoekt en iets toefluistert, haar verraden en in de wereld aan de wereld gaan werken?’ Ze behelpt zich met tijdelijke baantjes, in godsnaam geen beroep, totdat het moment daar is: ‘Het gedicht kwam.’

Materieel houdt ze zich in leven met lesgeven, spiritueel met de dienstbaarheid aan de Muze. Haar overgave is die van de novice, klaar om de gelofte af te leggen. Als een moderne mystica doemt D’haen op uit sommige passages, vol opofferingsbereidheid aan het hogere streven: ‘Als ik een sexueel gevoel krijg, is mijn eerste beweging niet: laat ik het wegdoen, maar wel: een gedicht!’ (uit Zwarte sneeuw)

Zo intiem als haar autobiografische aantekeningen zijn, de figuur van de dichteres blijft wezenlijk onkenbaar en onaantastbaar. D’haens proza blijkt evenveel witregels te bevatten als haar poëzie. Van het wegzetten van het geleefde en gedroomde leven in voorvallen en overwegingen is in deze autobiografische notities dan ook geen sprake. Wel van het oproepen van een bezield kunstenaarschap dat zich aan aardse wetten lijkt te onttrekken. Het raadsel van haar gedichten houdt stand.
…………………………………………………………………………………………………………………….

Christine D’haen (1923) debuteerde als dichter in 1948. Naast proza en poëzie publiceerde zij ook de biografie van Guido Gezelle, De wonde in ’t hert (1987). Haar werk werd bekroond met de Anna Bijnsprijs (1991), de Prijs der Nederlandse Letteren en de Henriëtte de Beaufortprijs (2007). Haar gedichten werden in 2002 verzameld in Miroirs. Daarna verscheen nog de veelgeprezen bundel Mirabilia. Christine D’haen wilde niet worden gefotografeerd.