21 oktober 1959 – 22 april 2009

Martin Bril

Met Martin Bril verloor iedereen een vriend. Een held ook.

ZE HIELDEN ELKAAR tegen op straat en fluisterden het elkaar toe in de tram: ‘Heb je het al gehoord? Eline Vere is dood.’ Op 4 december 1888 liet Louis Couperus haar sterven in dagblad Het Vaderland, waarin hij haar in een feuilleton ook in het leven had geroepen. De Hagenaars treurden dagen na haar verscheiden, ze togen naar het huis aan het Nassauplein, waar Eline Vere bij haar zuster Betsy had gewoond, en gingen op zoek naar het pension in het Bezuidenhout, waar Eline er een einde aan maakte met een overdosis morfine.
Het verdriet om de dood van Eline Vere laat zien wat literatuur in de krant vermag.
Martin Bril overleed vorige week woensdag, aan het begin van de avond in zijn huis in Amsterdam, maar de dag erop stierf hij nog een keer, in de krant. Zijn stukjes in de Volkskrant vormden de afgelopen maanden de kroniek van een aangekondigde dood. ‘En met mijn kanker gaat het ook al niet zo lekker’, schreef hij anderhalve maand geleden, ‘ik bedoel; de zaak loopt eerder uit de hand dan dat de ziekte zich timide ergens in een verborgen hoekje van het lichaam terug heeft getrokken.’ Twee weken terug liet hij weten: ‘Ineens had ik een rolstoel nodig, geen kracht meer in mijn benen.’ De kale mededeling ‘Vandaag geen Martin Bril’ las als een onheilspellend bericht. Toen hij van top tot teen op de voorpagina van de Volkskrant stond, niet in zinnen in zijn nieuwe hoekje rechts onderin, maar in het midden op een foto, hoefde je geen letter te lezen om te weten wat er was gebeurd.
Zelden bracht de dood van een schrijver zo veel teweeg als de dood van Martin Bril. Hele krantenpagina’s en tv-programma’s werden aan hem gewijd; meer dan tienduizend lezers uit alle uithoeken van het land lieten een bericht achter op het elektronische condoleanceregister. De teneur daarvan was de variatie op één thema. ‘Ik kende hem niet persoonlijk, hij kende mij niet en toch heb ik een vriend verloren’, schrijft een lezer. Een ander: ‘We zaten op dezelfde lijn, hij was een vriend ook al kende hij mij niet.’
Uit veel van de berichtjes spreekt een grote intimiteit: de slaap nog nauwelijks uit de ogen gewreven, de crackers met jam en kaas op tafel, de boterhammen voor de kinderen haastig gesmeerd en dan Bril lezen. De ochtendkrant als overgang tussen nacht en dag, en de columnist als huisvriend, die aanschuift aan de ontbijttafel en je even optilt, opdat de dag monter begint. ‘Martin, ga je missen’, spreken de lezers hem persoonlijk toe.
Gerard Reve benoemde zichzelf tot volksschrijver, Martin Bril wás het. De symbiose tussen hem en de krant, zijn dagelijkse aanwezigheid droeg daartoe bij. Met Simon Carmiggelt, zijn voorganger als dagelijkse chroniqueur in Het Parool, had Bril niet veel op; hij vond hem ‘te melancholiek’, te veel verdrinken in ‘jenevertragiek’. Maar met Carmiggelt heeft hij gemeen dat iedereen zich met zijn stukjes kon vereenzelvigen, de grachtengordelintellectueel en de ‘gewone’ lezers uit Haaften, Rijsbergen en Westzaan. Literatuur in de krant is in het beste geval een vrijplaats, door de zuiverheid van ritme en stijl, en door de vertrouwdheid, misschien zelfs knusheid die er heerst.
Simon Carmiggelt was als observator ‘de mensenvriend’, hij had het vermogen om, zoals hij het zelf noemde ‘mee te trillen’ met mensen van alle maten en soorten. Bril zag wat iedereen kon zien en toch niet zag: de rotonde, het weggetrapte bierblikje, het verlaten bankje in het plantsoen, het scheefgezakte bootje in het water. ‘De verhalen liggen op straat’, zei hij ooit, ‘je krijgt er alleen zware voeten van.’
Als God, zoals wel wordt gezegd, zich manifesteert in de details, dan was Bril de misdienaar van de religie van het terzijde, het onopgemerkte, het alledaagse. Net als bij Carmiggelt was de toon melancholiek, de ironie mild.

DE DAGELIJKSE chroniqueur mag dan van vlees en bloed zijn, in de krant wordt hij, net als Eline Vere, een personage. Bij Bril kwam er nog een verdubbeling bij: steeds meer was hij ook bekend van radio en tv. In zijn miniaturen was hij de camera, elders stond hij voor de camera. Las je z’n stukjes, dan hoorde je z’n stem en zag je hem spreken. Het personage dat hij was, werd er alleen maar ongrijpbaarder en intrigerender door.
Martin Bril zag eruit als een popster – nonchalante modieuze pakken, snelle schoenen, zonnebril op het haar en brede ringen om de vingers. Voordat hij in 1997 dagelijks in de krant ging schrijven, leefde hij, zoals het nu allerwegen heet, een ‘slordig leven’. Voor de krant gaf hij drank en drugs op, maar hij hield het air van rock-’n-roll. Hij was een rebel met ijzeren discipline, getuige de meer dan veertig boeken die hij publiceerde, zijn meer dan dagelijkse presentie in dagblad en tijdschrift. Hij leefde heviger dan zijn lezers, maar had thuis ook vrouw (‘mevrouw Bril’) en dochters, poes en hond. Hij voelde zich thuis binnen de grachtengordel en de provincie, hij was nors en innemend tegelijk, onverschillig en gevoelig.
Misschien was Martin Bril vooral ook de held van de generatie die van de rock-’n-roll geen afscheid kan nemen. Hij was een eeuwige jongen, die gedijde in het gezelschap van andere eeuwige jongens, stoere uitspraak hier, rauwe bulderlach daar. Dat maakt de schok van zijn dood ook zo groot: eeuwige jongens sterven niet.

Lees ook de bespreking van Joost de Vries van De kleine keizer