21 oktober 1914 - 22 mei 2010

Martin Gardner

Hij was een vrije geest, die zijn leven wijdde aan waar hij zin in had. Linkshandigheid bij weekdieren bijvoorbeeld. Of het ontraadselen van Alice in Wonderland. Gardner toonde de wereld alle schoonheden van de wiskunde.

Iedereen weet dat Alice Liddell, de heldin van Lewis Carrolls klassieker Alice in Wonderland, zich op een mooie zomerdag zit te vervelen als er een wit konijn met een groot horloge langsrent. Weg verveling. Het meisje kruipt het konijn achterna een konijnenhol in en tuimelt duizelingwekkend lang naar beneden tot ze uiteindelijk zonder zich te bezeren op de grond terechtkomt.
Minder bekend is dat er in de tijd van Carroll flink werd gespeculeerd over de vraag wat er zou gebeuren als je door een gat zou vallen dat dwars door het middelpunt van de aarde ging. Plutarchus had de vraag opgeworpen, en nogal wat beroemde denkers na hem, onder wie Francis Bacon en Voltaire, hadden hun tanden erop stuk gebeten. Galileo gaf het juiste antwoord: het object zou vallen met toenemende snelheid maar met afnemende acceleratie naarmate het het middelpunt van de aarde naderde. Daar zou de acceleratie nul zijn. Voorbij het middelpunt zou het object afnemen in snelheid, met toenemende deceleratie, totdat het de opening aan de andere kant van de aarde zou bereiken. Dan zou het weer terugvallen. Als je de luchtweerstand vergeet, zou het object voor altijd heen en weer slingeren.
De filosofische discussie over de val door de aarde staat in de aantekeningen die Martin Gardner bij het beroemde kinderboek maakte en die inmiddels bijna even klassiek zijn als het werk zelf. Hij publiceerde zijn eerste annotaties bij Alice in Wonderland in 1960, bracht in 1990 More Annotated Alice uit en balde in 2000 al zijn kennis samen in de definitieve The Annotated Alice. De notities werden in het Japans, Hebreeuws, Italiaans en Duits vertaald en verschenen vorig jaar in een meesterlijke vertaling van Nicolaas Matsier, samen met Alice zelf, in een kloeke box.
‘Een kruising tussen Karel Knip en Rudy Kousbroek’, noemde Matsier Gardner in een interview. Het is een mooie typering voor een nieuwsgierige veelvraat, die zich om het even verloor in wiskundige problemen, goocheltrucs, kritiek op pseudo-wetenschap, theologie, raadsels, filosofie, Chinese tangrampuzzels en de grijns van de Cheshire Cat en die meer dan zeventig boeken publiceerde. Beroemd werd Martin Gardner door Mathematical Games, de maandelijkse verstrooiende wiskunderubriek die hij van 1956 tot 1981 schreef voor het tijdschrift Scientific American. Hij bood begin jaren vijftig een stuk aan over hexaflexagons, kunstig gevouwen papiertjes die de vorm van een zich openvouwende bloem konden aannemen, en het blad lijfde hem in.
In zijn column wist Gardner logische problemen vederlicht te brengen. En passant verleidde hij vele lezers ertoe voor de wiskunde te kiezen. 'Ik denk dat alle wiskundigen van mijn generatie opgroeiden met het lezen van Martin Gardner’, zei een prominente wiskundige. 'To Martin Gardner’, schreven drie andere mathematici in de opdracht van hun raadselboek, 'who brought more math to more millions than anyone else.’ De grap was dat Gardner na de middelbare school geen enkele werkgroep wiskunde volgde: aan de University of Chicago studeerde hij filosofie. Pas toen hij columnist werd haastte hij zich naar de boekwinkel en kocht zo veel boeken over wiskunde als hij kon vinden. Hij was, naar eigen zeggen, een 'self-taught mathematician’. Daaruit verklaarde hij ook zijn populariteit: het kostte hem zelf zoveel moeite om sommige wiskundige problemen te ontrafelen dat hij meteen wist hoe hij het helder op moest schrijven. Die verklaring is aannemelijk, maar ook te bescheiden, want Gardner was op veel gebieden thuis en wist de wiskunde daardoor soepeltjes in verband te brengen met experimentele literatuur, filosofie en zonderlinge wetenswaardigheden.
Het leverde hem de bewondering op van W.H. Auden, Stephen Jay Gould, Vladimir Nabokov en Douglas Hofstadter, die hem als 'een van de grote intellecten van Amerika van de twintigste eeuw’ zag. Die bewondering had ongetwijfeld te maken met zijn speelsheid en zijn aandacht voor trivia, zoals links- en rechtshandigheid bij weekdieren, de manier waarop water door de badstop spoelt (tegen de klok in op het noordelijk halfrond, met de klok mee op het zuidelijk) en de uitvinding van het spoeltoilet door Leonardo da Vinci (1 april-grap).
Martin Gardner werd in 1914 geboren in Tulsa, waar zijn vader de baas was van een kleine oliemaatschappij. Zijn moeder was een devote methodist en hij kreeg ook een flinke klap van de molen mee. Pas aan de universiteit viel hij van zijn geloof, met dank aan Plato, Kant, G.K. Chesterton en H.G. Wells. Hij schreef daar een semi-autobiografische roman over, The Flight of Peter Fromm, en zou zichzelf voortaan als 'filosofische theïst’ betitelen.
Hij was een vrije geest, die zijn leven wijdde aan waar hij zin in had. Zoals in het ontraadselen van de raadsels van Alice in Wonderland. Om daar nog een fijn voorbeeld uit te geven: in de openingsverzen roept Lewis Carroll 'het gouden middaguur’ in herinnering waarin hij met de drie zusjes Liddell een roeitochtje maakte over de Thames. Nadat Gardner verschillende waarheidsgetrouwe weergaven over de betreffende dag heeft geciteerd, schrijft hij: 'Het is met droefheid dat ik hieraan toevoeg dat toen de zaak in 1950 bij het Londens meteorologisch instituut werd nagetrokken (…), de rapporten aangaven dat het weer bij Oxford op 4 juli 1862 “koel en tamelijk vochtig” was.’
In de passages over een van de befaamdste dieren uit de wereldliteratuur, de Cheshire Cat, geeft Gardner de theorieën weer hoe de kat aan zijn naam komt: de geschilderde grijnzende leeuwen op de uithangborden van herbergen in de gelijknamige streek; of de Cheshire kazen die het model van een grijnzende kat hadden. En dan staat er weer zo'n even lichte als diepe Gardner-zin: 'De uitdrukking “grijns zonder kat” is geen slechte beschrijving voor zuivere wiskunde.’